Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2005:BF7467

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
30-05-2005
Datum publicatie
09-10-2008
Zaaknummer
63 HLAR 32/04
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering vvtv voor verblijf bij partner. Niet feitelijk samenwonen. Onvoldoende draagkrachtige motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

63 HLAR 32/04

Datum uitspraak: 30 mei 2005

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. [appellante sub 1],

2. [appellant sub 2], beiden wonend op [woonplaats]

appellanten,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, van 20 september 2004 in het geding tussen:

appellanten

en

de Gezaghebber van het Eilandgebied Curaçao, namens de Minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij beschikking van 5 mei 2003, nr. 6001022369/2, aan appellante sub 1 uitgereikt op 10 juli 2003, heeft de Gezaghebber van het Eilandgebied Curaçao (hierna: de Gezaghebber) namens de Minister van Justitie een aanvraag van appellant sub 2 om hem een vergunning tot tijdelijk verblijf te verlenen afgewezen.

Tegen deze beschikking hebben appellanten bij brief, bij het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao (hierna: het Gerecht) ingekomen op 28 juli 2003, beroep ingesteld bij het Gerecht.

Op 30 september 2003 heeft de Gezaghebber de afwijzing herhaald.

Bij brief van 10 november 2003 hebben appellanten de beroepsgronden aangevuld.

Bij uitspraak van 20 september 2004 heeft het Gerecht het door appellante sub 1 ingestelde beroep niet-ontvankelijk en het door appellant sub 2 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij het Hof ingekomen op 1 oktober 2004, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 23 maart 2005 heeft de Gezaghebber van antwoord gediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 april 2005, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. C.A. Peterson, advocaat, en de Gezaghebber, vertegenwoordigd door mr. J.G. Ricardo, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellante sub 1 klaagt dat het Gerecht heeft miskend dat zij door de afwijzing wel rechtstreeks in haar belang is getroffen.

2.1.1. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Lar kunnen natuurlijke personen en rechtspersonen, die door een beschikking rechtstreeks in hun belang zijn getroffen, daartegen beroep instellen bij het Gerecht.

2.1.2. Het door appellante sub 1 bij het Gerecht ingestelde beroep heeft geen betrekking op een weigering haar vergunning te verlenen. Bij de beschikking om een vergunning tot tijdelijk verblijf te verlenen of te weigeren is slechts het belang van de desbetreffende vreemdeling rechtstreeks betrokken. Nu de aanvraag op haar geen betrekking heeft, heeft het Gerecht haar terecht niet als belanghebbende, als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Lar, bij de afwijzingen ervan aangemerkt.

Het hoger beroep is in zoverre ongegrond.

2.2. Appellant sub 2 klaagt dat het Gerecht heeft miskend dat de bestreden beschikking onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd.

2.2.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Landsverordening Toelating en Uitzetting Nederlandse Antillen (hierna: de LTU) kan de vergunning tot tijdelijk verblijf door of namens de Minister van Justitie worden geweigerd met het oog op de openbare orde of het algemeen belang, waaronder economische redenen mede worden begrepen en indien niet kan worden aangetoond dat degene, voor wie toelating wordt verzocht, over voldoende middelen van bestaan zal beschikken.

2.2.2. Aan de afwijzing van 5 mei 2003 heeft de Gezaghebber ten grondslag gelegd dat appellant sub 2 niet feitelijk met de in de aanvraag genoemde partner samenwoont. Het enkele feit dat de aanvrager van een verblijfsvergunning voor verblijf bij de hier te lande wonende partner niet feitelijk samenwoont met deze partner is echter geen weigeringsgrond voor het verlenen van een verblijfsvergunning in de zin van de LTU. De aan de weigering om appellant sub 2 een verblijfsvergunning te verlenen ten grondslag gelegde motivering kan deze beschikking derhalve niet dragen.

2.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen het Gerecht zou behoren te doen, zal het Hof het beroep tegen de beschikking van 5 mei 2003 alsnog gegrond verklaren. Deze beschikking komt als onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd voor vernietiging in aanmerking.

Het Hof zal evenwel bepalen dat de rechtsgevolgen van de vernietigde beschikking in stand blijven. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

2.3.1. De bij brief van 30 september 2003 alsnog door de Gezaghebber gegeven motivering dat appellant sub 2 ten onrechte niet heeft vermeld dat hij gehuwd was, kan de afwijzing dragen. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat appellant sub 2 dat niet heeft betwist en dat vermelding van zijn huwelijkse staat tot een weigering van de verzochte vergunning voor verblijf bij een andere partner zou hebben geleid. Onder deze omstandigheden zal een door de Gezaghebber nieuw op de aanvraag van appellant sub 2 te nemen beslissing geen andere inhoud kunnen hebben, dan waartoe de bij deze uitspraak te vernietigen beschikking strekt.

2.4. De Gezaghebber dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden verwezen.

3. Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van het Gerecht van 20 september 2004 in zaak nr. Lar 2003/73;

III. vernietigt de beschikking van de Gezaghebber van 3 mei 2003, nr. 6001022369/2;

IV. bepaalt dat de rechtsgevolgen van deze beschikking geheel in stand blijven;

V. veroordeelt de Minister van Justitie tot vergoeding van de bij appellant sub 2 in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van Naf. 2800,00 (zegge: tweeduizend acht honderd gulden), geheel toe te rekenen aan door een derde verleende rechtsbijstand; dit bedrag dient door de Minister aan appellant sub 2 te worden betaald;

VI. gelast dat het Land aan appellant sub 2 het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Naf. 450,00 (zegge: vierhonderdvijftig gulden) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.P.M. ter Berg, Voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. A.W.M. Bijloos, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.B. de Haseth, griffier.

Voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2005

Verzonden: