Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2004:BF7289

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
29-11-2004
Datum publicatie
08-10-2008
Zaaknummer
54 HLAR 23/04
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Een rolzitting is geen openbare behandeling in de zin van de Lar; aangezien partijen niet uitdrukkelijk hebben ingestemd met het achterwege laten van een openbare behandeling, is de aangevallen uitspraak niet op juiste wijze tot stand is gekomen.

2) Feit dat overheidsdiensten gesloten zijn is verschoningsgrond voor het niet binnen termijn indienen van bezwaar.

3) Op een aanvraag dient te worden beschikt met toepassing van het recht zoals het op het moment van de desbetreffende beschikking geldt. Daarbij voorziet in casu het overgangsrecht er niet in dat op aanvragen ingediend onder het oude recht met toepassing van dit recht wordt beslist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

54 HLAR 23/04.

Datum uitspraak: 29 november 2004

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

Uitspraak op het hoger beroep van:

Tara Beach Resort N.V., gevestigd in Aruba,

appellante,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 21 april 2004 in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Financiën en Economische Zaken.

1. Procesverloop

Bij beschikking van 3 februari 2003 heeft de Minister van Financiën en Economische Zaken (hierna: de Minister) geweigerd aan appellante belastingfaciliteiten toe te kennen ten behoeve van de uitbreiding van het Aruba Bucuti Beach Hotel in Aruba.

Tegen het uitblijven van een beslissing op haar bezwaren tegen voormelde beschikking heeft appellante beroep ingesteld bij het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht).

Bij beschikking van 25 augustus 2003 heeft de Minister het gemaakte bezwaar alsnog ongegrond verklaard.

Ook tegen deze beschikking heeft appellante beroep ingesteld bij het Gerecht.

Bij uitspraak van 21 april 2004 heeft het Gerecht de beide beroepen gegrond verklaard, het met een beschikking gelijkgestelde uitblijven van een beslissing op het bezwaarschrift en de beschikking van 25 augustus 2003 vernietigd en het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 19 mei 2004, bij het Gerecht ingekomen op diezelfde dag, hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 oktober 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. E.H.J. Martis, advocaat, en de Minister, vertegenwoordigd door mr. P.D. Langerak, werkzaam bij de Directie Wetgeving en Juridische Zaken, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. De uitspraak van 21 april 2004 is totstandgekomen, nadat het Gerecht in deze zaken op onderscheidenlijk 14 januari 2004 en 18 februari 2004 tussenuitspraak had gedaan. Blijkens de eerst vermelde uitspraak en de tussenuitspraken zijn daaraan zogenoemde (rol)zittingen voorafgegaan op onderscheidenlijk 1 oktober 2003, 21 januari 2004 en 10 maart 2004.

2.2. Het Hof overweegt dienaangaande ambtshalve het volgende.

De wijze van openbare behandeling van zaken als deze is voorgeschreven in paragraaf 4 van hoofdstuk III van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar). Daarin is onder meer bepaald dat de rechter getuigen of deskundigen kan oproepen, partijen en hun gemachtigden in de gelegenheid worden gesteld het woord te voeren en dat de rechter bevoegd is aan partijen en aan andere belanghebbenden of hun gemachtigden vragen te stellen. Verder worden partijen en andere belanghebbenden of hun gemachtigden in de gelegenheid gesteld het woord te voeren naar aanleiding van hetgeen door anderen naar voren is gebracht. Hieruit blijkt dat de rechter in beginsel een actieve rol vervult bij de openbare behandeling van de zaak en dat die behandeling bedoeld is om hoor en wederhoor van partijen te doen plaatsvinden.

De in deze zaak gehouden zogenoemde (rol)zittingen hebben een ander karakter. Ter zitting kunnen in beginsel alleen bepaalde proceshandelingen worden verricht met uitsluiting van andere, zoals het overleggen van processtukken of stukken, waarin bij de rechter gerezen vragen worden beantwoord. Die zittingen voldoen daarom niet als openbare behandelingen in de zin van de Lar. Nu het Gerecht zodanige openbare behandeling voorts achterwege heeft gelaten en partijen daarmee niet uitdrukkelijk hebben ingestemd, als bedoeld in artikel 37, vijfde lid, van de Lar, moet worden geoordeeld dat de aangevallen uitspraak niet op juiste wijze totstandgekomen is. Het hoger beroep is daarom gegrond en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.

2.3. Doende hetgeen het Gerecht had behoren te doen, beoordeelt het Hof thans de door appellante bij het Gerecht ingestelde beroepen tegen het uitblijven van een beslissing op het door haar tegen de beschikking van 3 februari 2003 gemaakte bezwaar en de beschikking van 25 augustus 2003.

2.4. De Minister heeft ter zitting betoogd dat het bezwaarschrift niet binnen de daarvoor gestelde termijn is ingediend en dat het bezwaar daarom ten onrechte niet niet-ontvankelijk is verklaard.

2.4.1. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Lar bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken en gaat deze in op de dag na die, waarop de beschikking is gedagtekend.

Ingevolge artikel 12, derde lid, blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op die grond achterwege, indien de indiener aannemelijk maakt dat hij het geschrift heeft ingediend, zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kon worden en het tegendeel daarvan niet blijkt.

2.4.2. De bezwaartermijn is aangevangen op dinsdag 4 februari 2003. Een week in de zin van artikel 11, eerste lid, van de Lar telt zeven dagen; de bezwaartermijn telde derhalve 42 dagen. Ingevolge voormelde bepaling kon daarom tot en met maandag 17 maart 2003 bezwaar worden gemaakt. Het bezwaarschrift van appellante is op 19 maart 2003 gedateerd en op die datum ingekomen.

Maandag 17 maart 2003 was aangewezen als een collectief op te nemen vrije dag, een zogenoemde ATV-dag, voor alle ambtenaren en daaraan gelijkgestelden. Op die dag waren de overheidsdiensten, waaronder het Bureau van de Minister, gesloten. Dinsdag 18 maart 2003 was een nationale feestdag, de Dia di Himno y Bandera, waarop de overheidsdiensten evenzeer gesloten waren. Onder deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat appellante het op de eerstvolgende werkdag ingediende bezwaarschrift heeft ingediend, zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kon worden. Haar bezwaar is dan ook terecht ontvankelijk geacht.

2.5. Appellante heeft betoogd dat de Minister in de beschikking van 25 augustus 2003 ten onrechte het recht heeft toegepast, zoals dit geldt na intrekking van de Landsverordening bevordering industrievestiging en hotelbouw (hierna: LBIH).

2.5.1. Ingevolge artikel 1, onder b, van de LBIH, zoals die bepaling destijds luidde, wordt voor de toepassing van deze landsverordening onder bedrijf verstaan: een onderneming tot exploitatie van hotels of andere gelegenheden tot verblijf en ontspanning, welke gericht is op de bevordering van het vreemdelingenbezoek aan Aruba, waarvan verwacht kan worden dat zij zal bijdragen tot verbreding van de economische basis van Aruba, en waarvan de bouw en eerste inrichting een investering vergt van ten minste Afl. 1.000.000,00.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, zoals die bepaling destijds luidde, wordt bij landsbesluit verklaard of de in het verzoekschrift bedoelde onderneming als bedrijf in de zin van de landsverordening moet worden aangemerkt.

Ingevolge het tweede lid, zoals dat destijds luidde, dient een verzoek daartoe door of namens belanghebbende schriftelijk tot de Gouverneur te worden gericht.

2.5.2. Een onderneming, ten aanzien waarvan met toepassing van artikel 4 van de LBIH is verklaard dat zij een bedrijf is in de zin van de LBIH, heeft aanspraak op bepaalde belastingfaciliteiten.

2.5.3. De LBIH is bij de Invoeringsverordening Landsverordening dividendbelasting en imputatiebetaling (A.B. 2002, 124) met ingang van 1 januari 2003 ingetrokken.

In artikel X, eerste lid, van die verordening is, voorzover thans van belang, bepaald dat op ondernemingen die voor 1 januari 2003 in het bezit waren van een landsbesluit, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de LBIH, de op 31 december 2002 geldende bepalingen van die landsverordening van kracht blijven gedurende de tijd, waarvoor de aanwijzing, dan wel de vantoepassingverklaring, is geschied.

2.5.4. Ten tijde van de primaire beschikking op 3 februari 2003 was de LBIH ingetrokken. De aanvraag dateert van 16 juli 2002, derhalve van vóór de intrekking. Het overgangsrecht voorziet er niet in dat op aanvragen, ingediend voor de intrekking, moet worden beslist met toepassing van het oude recht. Dat niet de datum van de aanvraag bepalend is voor het toepasselijke rechtsregime is, anders dan appellante betoogt, op zichzelf niet in strijd met enig algemeen rechtsbeginsel, nog daargelaten wat daarvan de betekenis zou zijn. De hoofdregel is dat op een aanvraag moet worden beschikt met toepassing van het recht, zoals het geldt op het moment waarop de desbetreffende beschikking wordt gegeven. In de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van het Hof van 10 mei 2004 in zaak no. 8 HLAR 21/03, waarnaar appellante in dit verband heeft verwezen, dateerde niet slechts de aanvraag, maar ook de primaire – fictieve – afwijzende beschikking van vóór 1 januari 2003. In de voor betrokkene ongunstige wijziging van het rechtsregime met ingang van die datum is aanleiding gezien voor het oordeel dat de Minister bij heroverweging van die primaire beslissing dient uit te gaan van het ten tijde van die beslissing geldende recht. Appellante heeft voorts gesteld dat zij door toedoen van de overheid eerst op 16 juli 2002 een aanvraag heeft kunnen indienen. Wat daar van zij, geconcludeerd moet worden dat vóór 1 januari 2003 op deze aanvraag had moeten worden beslist. Tegen het uitblijven van een tijdige beslissing op haar aanvraag heeft appellante weliswaar op 15 november 2002 bezwaar gemaakt, doch zij heeft die procedure niet voortgezet. Het Hof ziet hierin dan ook geen aanleiding voor afwijking van de voormelde hoofdregel.

Nu appellante aan het gewijzigde rechtsregime geen aanspraak op belastingfaciliteiten, als door haar verzocht, kon ontlenen, heeft de Minister het tegen de afwijzing van haar verzoek gemaakte bezwaar terecht ongegrond verklaard. Het beroep tegen de beschikking van 25 augustus 2003 slaagt daarom niet. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.

2.6. Gelet op het vorenstaande en nu van het tegendeel niet is gebleken, heeft appellante geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep tegen het uitblijven van een beslissing op haar bezwaarschrift. Dit beroep dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2.7. Een en ander leidt tot de na te melden beslissing.

3. Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van het Gerecht van 21 april 2004 in de zaken Lar nrs. 117 en 181 van 2003;

III. verklaart het bij het Gerecht ingestelde beroep tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaarschrift niet-ontvankelijk;

IV. verklaart het bij het Gerecht ingestelde beroep tegen de beschikking van de Minister van Financiën en Economische Zaken van 25 augustus 2003, kenmerk 2079Geh, ongegrond;

V. gelast dat het Land Aruba aan appellante het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van Afl. 75,00 (zegge: vijfenzeventig gulden), teruggeeft.

Aldus vastgesteld door mr. W.P.M. ter Berg, Voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. M.R. Wijnholt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, griffier.

w.g. Ter Berg, Voorzitter

w.g. Visser, griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 november 2004.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

voor deze,