Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHNAA:2004:BF7036

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba
Datum uitspraak
29-11-2004
Datum publicatie
07-10-2008
Zaaknummer
48 HLAR 12/04
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Slechts het rechtstreeks belang van de aanvragende vreemdeling is bij de beschikking tot verlening of weigering van een verblijfsvergunning betrokken.

2) Overeenkomstige toepassing van artikel 6:20, vierde lid, van de Nederlandse Algemene wet bestuursrecht vindt geen steun in de Lar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

48 HLAR 12/04.

Datum uitspraak: 29 november 2004

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN DE NEDERLANDSE ANTILLEN EN ARUBA

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend op Curaçao,

appellante,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, van 18 februari 2004 in het geding tussen:

appellante

en

de Gezaghebber van het Eilandgebied Curaçao, namens de Minister van Justitie.

1. Procesverloop

Bij brief van 23 juli 2003 heeft [vreemdeling] een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf.

Tegen het uitblijven van een beslissing op deze aanvraag heeft appellante beroep ingesteld bij het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao (hierna: het Gerecht).

Bij uitspraak van 18 februari 2004 heeft het Gerecht het beroep

niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 26 februari 2004, ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 oktober 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. drs. B.W. Scheperboer, advocaat, en de Gezaghebber, vertegenwoordigd door mr. J.G. Ricardo en mr. E.R. Chéri, beiden advocaat, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de LAR) wordt onder beschikking verstaan: een schriftelijk besluit van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling, die niet van algemene strekking is.

Ingevolge het tweede lid wordt een weigering om een beschikking te geven met een beschikking gelijk gesteld.

Wanneer de voor het geven van een beschikking gestelde termijn is verstreken, zonder dat een beschikking is gegeven of - bij het ontbreken van zulk een termijn - wanneer niet binnen een redelijke tijd een beschikking is gegeven, geldt dat ingevolge het derde lid als het weigeren van het geven van een beschikking.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, kunnen natuurlijke personen of rechtspersonen, die door een beschikking rechtstreeks in hun belang zijn getroffen, daartegen beroep instellen bij het Gerecht.

2.2. Appellante klaagt dat het Gerecht haar beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.2.1. Het door appellante bij het Gerecht ingestelde beroep heeft betrekking op de weigering van de Gezaghebber om een beschikking te geven op de aanvraag van [vreemdeling]. Bij de beschikking om een verblijfsvergunning te verlenen of te weigeren is slechts het belang van de aanvragende [vreemdeling] rechtstreeks betrokken. Nu appellante de verblijfsvergunning niet heeft aangevraagd, kan zij ook niet worden aangemerkt als belanghebbende, als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de LAR, bij de weigering op de aanvraag te beschikken. Het betoog van appellante leidt niet tot een ander oordeel. De aangevallen uitspraak komt in zoverre voor bevestiging in aanmerking.

2.3. Ambtshalve overweegt het Hof het volgende.

2.3.1. Op 22 januari 2004 heeft de Gezaghebber de aanvraag alsnog afgewezen. [Vreemdeling] heeft kennelijk berust in deze afwijzing, aangezien hij daartegen geen rechtsmiddel heeft aangevoerd. Anders dan het Gerecht acht het Hof analoge toepassing van artikel 6:20, vierde lid, van de Nederlandse Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) niet gerechtvaardigd. Ingevolge deze bepaling wordt een bezwaar of beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, indien het bestuursorgaan alsnog een besluit op de aanvraag neemt, geacht mede te zijn gericht tegen dat besluit, tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoet komt. Dat het niet nodig is om, ter verkrijging van rechterlijke toetsing, ook tegen de reële beschikking beroep in te stellen, vindt geen steun in de LAR. Nu het Gerecht aanleiding heeft gezien voor analoge toepassing van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb, en het beroep mede gericht heeft geacht tegen de reële beschikking, is het Gerecht in zoverre zijn bevoegdheid te buiten gegaan.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van het Gerecht dient in zoverre te worden vernietigd.

2.5. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba

Recht doende in naam der Koningin:

I. verleent appellante verlof kosteloos te procederen;

II. verklaart het hoger beroep gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, van 18 februari 2004 in zaak nr. LAR 2003/113, voor zover het Gerecht het beroep ambtshalve mede gericht heeft geacht tegen de beschikking van 22 januari 2004;

IV. bevestigt de uitspraak voor het overige.

Aldus vastgesteld door mr. W.P.M. ter Berg, Voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. M.R. Wijnholt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, griffier.

w.g. Ter Berg, Voorzitter

w.g. Visser, griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 november 2004.

Verzonden:

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

voor deze,