Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2021:68

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
18-03-2021
Datum publicatie
19-03-2021
Zaaknummer
H-242/2019
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gekwalificeerde doodslag, shockschade, strafmatiging o.g.v. jonge leeftijd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: H-242/2019

Parketnummers: 500.00184/19 en 500.00120/17 en H-48/2018(TUL)

Uitspraak: 18 maart 2021 Tegenspraak

Vonnis

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, hierna: het Gerecht, van 22 november 2019 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1997 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats],

thans gedetineerd in het huis van bewaring in [detentieplaats].

Hoger beroep

Het Gerecht heeft de verdachte bij zijn vonnis ter zake van het onder de feiten 1, 2 primair, en 3 tot en met 7 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 25 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het Gerecht beslissingen gegeven op vorderingen tot schadevergoeding van benadeelde partijen en een vordering tot tenuitvoerlegging.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal,

mr. M.L.A. Angela, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadslieden

mrs. M. Becher (500.00184/19) en T.F. Smeulders (500.00120/17 TUL), naar voren is gebracht. Voorts heeft het Hof kennisgenomen van hetgeen de benadeelde partijen [benadeelde 1], [benadeelde 2] en [benadeelde 4] in het kader van de onderbouwing van hun vorderingen tot schadevergoeding naar voren hebben gebracht.

De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep onder aanvulling van gronden ten aanzien van feit 2 primair (de gekwalificeerde doodslag) zal bevestigen, behoudens ten aanzien van de beslissingen van de benadeelde partijen [benadeelde 2], [benadeelde 3] en [benadeelde 1].

Door en namens de verdachte is vrijspraak bepleit van het onder de feiten 2, 3, 4, 6 en 7 tenlastegelegde.

Vonnis waarvan beroep

Het Hof is van oordeel dat het Gerecht op juiste gronden heeft geoordeeld en beslist, zodat het vonnis - met overneming en verbetering van gronden van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde en verbeterde lezing van het onder 1 bewezenverklaarde - zal worden bevestigd, behoudens:

  1. de opgelegde straf, en

  2. de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 2], [benadeelde 3] en [benadeelde 4], en de motivering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1].

Het vonnis moet op die onderdelen worden vernietigd en in zoverre doet het Hof opnieuw recht. Voor het overige verenigt het Hof zich met de gronden en de beslissingen in het vonnis waarvan beroep.

Bewezenverklaring feit 1

Het hof verbetert de bewezenverklaring uitsluitend voor zover in het bewezenverklaarde onder feit 1 op pagina 8 en 9 van het vonnis van het Gerecht in respectievelijk de 16e regel en de 22e regel het geweld – dat door het Gerecht wel bewezen is verklaard in de feitelijke uitvoeringshandelingen en als zodanig ook is gekwalificeerd – is weggestreept en de bewoordingen ‘althans alleen’ in de 2e regel zijn blijven staan.

Het Hof neemt de bewezenverklaring van het onder feit 1 tenlastegelegde over met dien verstande dat

  • -

    in de 2e regel onder feit 1 de passage ‘althans alleen’ wordt doorgestreept;

  • -

    de passage in de 16e en 17e regel komt te luiden: ‘welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld’;

  • -

    de passage in de 22e regel komt te luiden: ‘bestaande dat geweld en/of die bedreiging met geweld uit het opzettelijk’.

Bewijsmiddelen

Het Hof verbetert de gronden waarop de bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 is gegrond:

 door middel van aanvulling met een bewijsmiddel:

Een schriftelijk bescheid, te weten het proces-verbaal 3e verhoor [medeverdachte 2] d.d. 14 september 2019 (doorgenummerde pagina 216 e.v. dossier [onderzoeksnaam]), voor zover inhoudende:

Ik heb de berovingen op de [plaats delict] op 7 mei 2019 gepleegd samen met [verdachte] en [medeverdachte 1]. Ik volhard in mijn verklaring dat [verdachte] de man van Europese afkomst heeft doodgeschoten. Wij hebben twee Chinese mannen die in een Jeep reden achtervolgd met de bedoeling hen te beroven. [medeverdachte 1] kwam met het plan om de Chinezen te beroven. Ik zat met [verdachte], [medeverdachte 1] en nog twee mannen in de auto. Ik had een vuurwapen van [medeverdachte 1] gekregen. Verder hadden [medeverdachte 1] en de twee andere mannen een vuurwapen in hun handen. Voordat ik het terrein van de woning van de Chinezen betrad had ik het vuurwapen dat [medeverdachte 1] mij had gegeven aan [verdachte] afgegeven.

 door middel van schrapping van de tweede regel van bewijsmiddel 10 (pagina 21 van het vonnis van het Gerecht) ‘Ik liep even naar hen toe en zei tegen hen om weg te gaan’.

Oplegging van straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan, op de mate waarin de gedragingen aan de verdachte te verwijten zijn en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

In dat verband zoekt het Hof aansluiting bij de oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden. Daarin wordt voor strafoplegging een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren als indicatie gegeven voor een “diefstal met geweld” (waarbij is gedreigd met een vuurwapen). En voor een “gekwalificeerde doodslag” geldt als indicatie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren.

Meer in het bijzonder overweegt het Hof als volgt. De verdachte heeft samen met ander(en), in een tijdsbestek van enkele dagen en in de nachtelijke uren, vier gewapende overvallen gepleegd en een poging daartoe, die op één na alle plaatsvonden in of nabij de woningen van de slachtoffers. Bij de vijfde overval hadden de verdachte en zijn mededader het gemunt op twee geldlopers. Onder bedreiging van een vuurwapen (en een koevoet) werden de slachtoffers van hun (kostbare) bezittingen beroofd.

Slachtoffers van dergelijke geweldsdelicten worden niet alleen in hun eigendomsrecht en lichamelijke integriteit aangetast, maar hebben doorgaans ook langdurig te kampen met psychische gevolgen. Door het handelen van de verdachte is de samenleving zeer geschokt en zijn gevoelens van onveiligheid versterkt.

In het bijzonder in de nacht van 7 mei 2019 is door de verdachte en zijn kompanen excessief geweld toegepast. Die nacht heeft de verdachte samen met zijn mededaders toegeslagen in een appartementencomplex. Eerst zijn twee slachtoffers aangevallen die net waren thuisgekomen. Daarbij is onder meer één van hen meermalen met een vuurwapen op het hoofd geslagen. Vervolgens is gepoogd

[slachtoffer 1], de bewoner van een naastgelegen appartement, te overvallen. De laatstgenoemde actie is weliswaar in een poging blijven steken, maar [slachtoffer 1] heeft het met de dood moeten bekopen. Hij heeft geprobeerd de verdachte en de zijnen van zich af te houden door staande in diens woning achter een afgesloten hekwerk met een kapmes te zwaaien. Met een gericht schot heeft de verdachte de weerloze [slachtoffer 1] doodgeschoten. Aan [slachtoffer 1] is zijn meest kostbare bezit, het leven, ontnomen en aan zijn nabestaanden is onbeschrijflijk veel en onherstelbaar verdriet toegebracht. Het behoeft geen toelichting dat dit feitencomplex de andere feiten in ernst vergaand ontstijgt.

Het kennelijke gemak waarmee de nog jeugdige verdachte tot de toepassing van dit even redeloze als excessieve geweld is overgegaan baart het Hof ernstige zorgen. Te meer nu de verdachte in het geheel geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen noch blijk heeft gegeven van enig inzicht in het verwerpelijke van zijn gedrag.

Naar het oordeel van het Hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een langdurige onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Ten nadele van de verdachte houdt het Hof bij de strafoplegging rekening met het feit dat de verdachte in 2018 onherroepelijk voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld en bovendien voor hem een proeftijd gold uit hoofde van de bij die veroordeling opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf. Die veroordeling heeft verdachte er niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.

Het Hof heeft acht geslagen op de inhoud van de rapporten die over de persoon van de verdachte zijn uitgebracht. De psychiater G.E. Matroos en de psychologen L. Bonofacia MSc. en drs. H. Linkels concluderen in hun rapporten ieder voor zich onder meer dat de verdachte als volledig toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. De psychologen schatten de kans op recidive hoog in.

De reclassering acht in het vroeghulprapport van 10 juni 2019 de kans op recidive reëel en signaleert tekortkomingen bij de verdachte op meerdere leefgebieden zoals het hebben van geen werk, zijn middelengebruik, zijn onverantwoordelijk gedrag en beïnvloedbaarheid. Het Hof ziet reeds vanwege de duur van de aan de verdachte op te leggen straf geen mogelijkheden voor het bij de straftoemeting betrekken van de op zichzelf beschouwd noodzakelijke maatregelen, die zijn gericht op het terugbrengen van die tekortkomingen.

Al hetgeen hiervoor is overwogen rechtvaardigt in beginsel de oplegging van een gevangenisstraf van 25 jaren, zoals door het openbaar ministerie is gevorderd en in eerste aanleg is opgelegd. Niettemin ziet het Hof aanleiding om de op te leggen straf te matigen. Het Hof zal daartoe overgaan op grond van de leeftijd van de verdachte, die ten tijde van het plegen van de feiten slechts 21 jaren bedroeg. Het Hof heeft bij de straftoemeting voorts de straffen betrokken die heden zijn opgelegd aan de gelijktijdig terechtstaande verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2].

Op grond van al het voorgaande acht het Hof een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren passend en geboden. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.

Schadevergoeding

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt NAf 8.650,- aan materiële schade en NAf 18.000,- aan immateriële schade. De vordering van [benadeelde 2] is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van NAf 6.850,- (NAf. 3.850,- materiële schade en NAf 3.000,- immateriële schade). De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd terzake van het niet toegewezen gedeelte van de oorspronkelijke vordering dat ziet op kosten van NAf 1.800,- voor de Iphone. Voor het niet toegewezen gedeelte dat ziet op de kosten van arbeidsongeschiktheid en de resterende immateriële schade heeft de benadeelde partij zich niet opnieuw gevoegd.

De procureur-generaal heeft ter zitting in hoger beroep toegelicht dat de Iphone van [benadeelde 2] niet in beslag is genomen en derhalve niet kan worden teruggegeven aan de benadeelde en gevorderd dat de kosten van NAf 1.800,- voor de Iphone worden toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het Hof genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 2] als gevolg van verdachtes onder feit 1 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van NAf 5.650,- (te weten de weggenomen Iphone, het geld en de kleding) en van NAf 3.000,- immateriële schade. Het Hof sluit zich ten aanzien van de beraamde immateriële schade aan bij de overwegingen van het Gerecht. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

De benadeelde partij [benadeelde 3] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt NAf 1.650,- aan materiële schade. De vordering van [benadeelde 3] is bij vonnis waarvan beroep volledig toegewezen.

De procureur-generaal heeft ter zitting in hoger beroep toegelicht dat de telefoon van [benadeelde 3] in beslag is genomen en volgens de toezegging van de officier van justitie in eerste aanleg zou worden teruggegeven aan de benadeelde en gevorderd dat slechts het bewezen verklaarde weggenomen bedrag van NAf 610,- wordt toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het Hof genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 3] als gevolg van verdachtes onder feit 1 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van NAf 610,- (te weten het weggenomen geld). De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Het meer gevorderde voor de telefoon wordt gelet op de toelichting van de procureur-generaal afgewezen.

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt NAf 24.151,08 aan materiële schade en NAf 25.500,- aan immateriële schade. De vordering van [benadeelde 1] is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van

NAf 16.283,73,- (materiële schade, voor zover betrekking hebbend op de uitvaartkosten). De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Met betrekking tot het immateriële deel van de vordering heeft [benadeelde 1] in hoger beroep aanvullende stukken overgelegd.

De procureur-generaal heeft ter zitting in hoger beroep gevorderd dat de opgevoerde materiële schade geheel wordt toegewezen en dat de benadeelde partij in de vordering van de immateriële schade conform de beslissing van het Gerecht niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Het Hof schaart zich wat betreft de overwegingen en de beslissing ten aanzien van het materiële deel van de vordering achter de beslissing van het Gerecht.

Ten aanzien van het immateriële deel van de gevorderde schade overweegt het Hof als volgt.

Uit de door de Hoge Raad uitgezette lijn1 en de sindsdien gewezen rechtspraak volgt dat voor vergoeding van shockschade op grond van artikel 6:106 lid 1 sub b Burgerlijk Wetboek (aantasting in de persoon) slechts onder strikte voorwaarden plaats is. Dergelijke immateriële schade kan voor vergoeding in aanmerking komen als door het waarnemen van het tenlastegelegde of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij wordt teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, als gevolg van het tenlastegelegde is gedood of gewond. Voor vergoeding van shockschade is nodig dat bij degene die de schade vordert sprake is van een psychiatrisch erkend ziektebeeld.

In casu ligt de vraag voor of aan het confrontatievereiste, dat door de benadeelde partij mede blijkens de in hoger beroep overgelegde toelichting aan de vordering ten grondslag is gelegd, is voldaan. Uit de jurisprudentie kan als maatstaf worden afgeleid de vraag of de (ongewilde en onvoorbereide) waarneming van het lichaam en/of de verwondingen meteen na het misdrijf een hevige schok hebben veroorzaakt. Uit de thans voorliggende stukken volgt dat een impact in drie fasen heeft plaatsgevonden. Enige tijd na het misdrijf hebben de familieleden in het appartement van het overleden slachtoffer de markering van de contouren van zijn lichaam op de vloer waargenomen. Op een later moment, bij de schoonmaak en ontruiming van het appartement, heeft de familie ingedroogde bloedvlekken en wederom die markering van het lichaam moeten waarnemen. Tot slot vormde de crematie een derde impact.

Hoe pijnlijk voornoemde momenten ook zullen zijn geweest, dat sprake is van een directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het bewezenverklaarde in de hierboven bedoelde betekenis kan daaruit echter niet zonder meer worden afgeleid en is in ieder geval onvoldoende vast komen te staan. Nu nader onderzoek een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren, zal Het Hof de beslissing van het Gerecht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de gevorderde shockschade bevestigen.

De benadeelde partij [benadeelde 4] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt NAf 1.446,74 aan materiële schade en NAf 5.000,- aan immateriële schade. De vordering van Rog is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van NAf 2.896,74 (NAf. 1396,74,- materiële schade en NAf 1.500,- immateriële schade). De benadeelde partij [benadeelde 4] heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het gehele bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het Hof genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 4] als gevolg van verdachtes onder feit 3 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van NAf 1.446,74,- aan materiële schade en NAf 1.500,- aan immateriële schade. Het Hof sluit zich ten aanzien van de beraamde immateriële schade aan bij de overwegingen van het Gerecht. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

De proceskosten van de benadeelde partij [benadeelde 4] zullen ten laste van de verdachte worden gebracht.

Het Hof ziet aanleiding bij elk van de toegewezen bedragen een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 1:78 van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte op te leggen. Voor het geval volledige betaling of volledig verhaal van de verschuldigde bedragen niet volgt, zal vervangende hechtenis van na te melden duur worden opgelegd.

De toe te wijzen bedragen alsmede de schadevergoedingsmaatregel zullen steeds hoofdelijk worden opgelegd.

BESLISSING

Het Hof:

vernietigt het vonnis van het Gerecht ten aanzien van de opgelegde straf en de vorderingen benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 20 (twintig) jaren;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde 2] geleden schade toe tot een bedrag van NAf 8.650,- (zegge: achtduizend zeshonderdvijftig gulden), en veroordeelt de verdachte, die hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 2] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van NAf 8.650,- (zegge: achtduizend zeshonderdvijftig gulden), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 1 dag hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde 3] geleden schade toe tot een bedrag van NAf 610,- (zegge: zeshonderdtien gulden), en veroordeelt de verdachte, die hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

wijst de vordering van [benadeelde 3] voor het overige af;

legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 3] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van NAf 610,- (zegge: zeshonderdtien gulden), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 1 dag hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde 4] geleden schade toe tot een bedrag van NAf 2.946,74,- (zegge: negenentwintighonderd zesenveertig gulden en vierenzeventig cent), en veroordeelt de verdachte, die hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde 4] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering;

legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 4] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van NAf 2.946,74,- (zegge: negenentwintighonderd zesenveertig gulden en vierenzeventig cent), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 1 dag hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde 4] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan het Land daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen daarmee zijn verplichting tot betaling aan het Land in zoverre komt te vervallen.

bepaalt dat indien en voor zover (een van) de mededader(s) van de verdachte voormeld bedragen heeft betaald aan de benadeelde partijen of aan het Land, de verdachte in zoverre is bevrijd van voormelde verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partijen of aan het Land;

bevestigt het vonnis van het Gerecht voor het overige met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

Dit vonnis is gewezen door mrs. R. Veldhuisen, M.C.B. Hubben en H. de Doelder, leden van het Hof, bijgestaan door mr. C. Bernsen, zittingsgriffier, en op 18 maart 2021 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao.

De oudste rechter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

uitspraakgriffier:

1 HR 22 februari 2002 ECLI:NL:HR:2002:AD5356 en HR 9 oktober 2009 ECLI:NL:HR:2009:BI8583