Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2021:67

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
12-03-2021
Datum publicatie
19-03-2021
Zaaknummer
AUA2021H00024
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

schorsingsverzoek ex artikel 272 Rv

formele relatie: AUA202003122

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

op de vordering tot schorsing ex artikel 272 Rv in het kort geding van:

de naamloze vennootschap

ARUBA BANK N.V.,

gevestigd in Aruba,

hierna te noemen: Aruba Bank,

in eerste aanleg gedaagde, appellante in hoger beroep,

eiseres tot schorsing,

gemachtigde: mr. T.D. Croes-Fernandes Pedra,

tegen

1. de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BCY ENTERTAINMENT V.B.A.,

gevestigd in Aruba,

hierna te noemen: BCY,

2. [Verweerder 2],

wonende in Aruba,

hierna te nomen: [Verweerder 2],

in eerste aanleg eisers, geïntimeerden in hoger beroep,

verweerders in het schorsingsincident,

gemachtigde: mr. A.F. Kuster.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Bij akte van 4 februari 2021 is Aruba Bank in hoger beroep gekomen van het tussen partijen in kort geding gewezen en op 3 februari 2021 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (verder: het Gerecht).

1.2.

Bij een op 4 februari 2021 ingekomen verzoekschrift, heeft Aruba Bank een vordering ingesteld die ertoe strekt dat de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis wordt geschorst totdat in hoger beroep zal zijn beslist.

1.3.

Bij per e-mail ingediend verweerschrift van 24 februari 2021, hebben BCY en [Verweerder 2] geconcludeerd dat het Hof de vordering tot schorsing zal afwijzen, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van Aruba Bank in de proceskosten van dit incident.

1.4.

Op 4 maart 2021 hebben beide partijen per e-mail pleitnotities ingediend.

1.5.

Vonnis is bepaald op vandaag.

2 De beoordeling

2.1.

Bij de beoordeling van onder meer een vordering op de voet van artikel 272 Rv geldt hetgeen de Hoge Raad op 20 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:2026) heeft overwogen:

a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden.

b. Bij de toepassing van de onder a genoemde maatstaf in een incident of in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag.

c. Indien de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in de ten uitvoer te leggen uitspraak is gemotiveerd, moet de eiser of verzoeker, afgezien van het geval dat deze beslissing berust op een kennelijke misslag, aan zijn vordering of verzoek feiten en omstandigheden ten grondslag leggen die bij het nemen van deze beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de betrokken uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.

d. Het voorgaande geldt in de volgende gevallen:

i. in een incident tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad;

i. in een incident tot zekerheidstelling;

ii. in een incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging;

iii. in een kort geding tot schorsing van de tenuitvoerlegging indien tegen de ten uitvoer te leggen uitspraak een rechtsmiddel is of nog kan worden ingesteld.

e. In een kort geding over de tenuitvoerlegging van een uitspraak die in kracht van gewijsde is gegaan, geldt dat de schorsing alleen kan worden uitgesproken indien de (verdere) tenuitvoerlegging misbruik van bevoegdheid zou opleveren.

2.2.

Bij het bestreden, en wat betreft Aruba Bank te schorsen, vonnis heeft het Gerecht bij wijze van spoedeisende voorziening in kort geding Aruba Bank, op straffe van verbeurte van een dwangsom van Afl. 2.500,- per dag (tot een maximum van Afl. 500.000,-) veroordeeld om, zo lang in een bodemprocedure niet anders wordt geoordeeld, binnen 24 uur na de betekening van het vonnis ten behoeve van BCY een AWG-bankrekening te openen en geopend te houden onder de gebruikelijke voorwaarden en tegen een gebruikelijk tarief, onder de voorwaarde dat als [Verweerder 2] door de strafrechter in eerste aanleg wordt veroordeeld voor hetgeen waarvan hij thans wordt verdacht, Aruba Bank bevoegd is tot opzegging of ontbinding van de zakelijke relatie met BCY, met inachtneming van een termijn van twee maanden. Het Gerecht heeft Aruba Bank in de proceskosten veroordeeld en de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.3.

Dat dit vonnis kennelijke misslagen bevat is niet gebleken. Beoordeling van de bezwaren van Aruba Bank zou neerkomen op een verkapt appel waarin een schorsingsincident uitdrukkelijk niet mag ontaarden.

2.4.

Het belang van BCY om in afwachting van de beslissing in hoger beroep een bankrekening te kunnen openen en gebruiken – andere banken hebben haar kennelijk ook als klant geweigerd – weegt zwaarder dan het belang van Aruba Bank bij schorsing. Daarbij speelt mede een rol dat Aruba Bank in dit incident geen inzicht geeft waarom BCY als klant een onaanvaardbaar risico met zich brengt. Zo is gesteld noch gebleken dat er concrete aanwijzingen zijn dat Aruba Bank met het uitvoeren van het bevel van het Gerecht de relatie met haar correspondent banken op het spel zet. Dat ook andere aspirant klanten met het vonnis schermen is onvoldoende reden om de tenuitvoerlegging te schorsen.

2.5.

De vordering wordt daarom afgewezen, met verwijzing van Aruba Bank in de kosten van het incident.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

- wijst de vordering af ;

- veroordeelt Aruba Bank in de kosten van dit schorsingsincident aan de zijde van BCY en [Verweerder 2] gevallen, tot op heden begroot op NAf 4.000,- aan gemachtigdensalaris.

Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A. Saleh, M.W. Scholte en F.W.J. Meijer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en uitgesproken op 12 maart 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.