Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2021:57

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
05-03-2021
Datum publicatie
05-03-2021
Zaaknummer
H-177/2019
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitlokking moord op Helmin Wiels, politicus (onderzoek Maximus). Met gebruikmaking van valse geschriften verduisteren van subsidiegelden in de zin van artikel 2:348 Sr: had verdachte die gelden in zijn bediening onder zich (onderzoek Germanium)? Valsheid in geschrift door antedateren van een Aanschrijving in de zin van artikel 39, lid 1, sub a, van de Algemene Landsverordening Landsbelastingen (onderzoek Passaat). Overwegingen ten aanzien van de ontvankelijkheid, (getuigen)bewijs en de op te leggen straf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: H-177/2019

Parketnummers: 500.00307/18 en 500.00519/14

Uitspraak: 5 maart 2021 Tegenspraak

Vonnis

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 16 augustus 2019 in de strafzaak tegen de verdachte:

[VERDACHTE],

geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats],

thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao.

Inhoudsopgave

1. Inleiding

1.1 Hoger beroep

1.2 Onderzoek van de zaak

1.3 Vonnis waarvan beroep

2 De ontvankelijkheid van de procureur-generaal in de vervolging inzake

feit 4 (onderzoek Maximus)
2.1 Het verweer
2.2 Standpunt van de procureur-generaal
2.3 Beoordeling door het Hof

3 Tenlastelegging

4 Vrijspraak van feit 1 (onderzoek Germanium)

5 Het bewijs ten aanzien van feit 4 (Maximus)
5.1 Inleidend
5.2 Wat uit het dossier blijkt
5.3 De betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige [getuige 1]
5.3.1 Standpunt van de verdediging
5.3.2 Standpunt van de procureur-generaal
5.3.3 Beoordeling door het Hof
5.3.3.1 Algemeen
5.3.3.2 Gestelde verschillen tussen de verklaringen uit 2015 en 2017
5.3.3.3 Verklaringen uit 2017, 2018 en 2021
5.3.3.4 Ontkenning [getuige 6]

5.3.3.5 Adamco vs. Slowakije

5.3.3.6 Overigens
5.3.3.7 Conclusie

5.4 De betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige [getuige 2]
5.4.1 Standpunt van de verdediging
5.4.2 Beoordeling door het Hof
5.4.2.1 Algemeen
5.4.2.2 Verklaringen [getuige 2]: een journalist, de politie en de
rechter-commissaris

5.5 De betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige [getuige 3]
5.5.1 Standpunt van de verdediging
5.5.2 Standpunt van de procureur-generaal
5.5.3 Beoordeling door het Hof

5.6 De betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuigen [getuige 4]
en [getuige 5]
5.6.1 Beoordeling door het Hof
5.6.2 Bespreking van verweren
5.6.3 Conclusie
5.7 De getuige [medeverdachte 2]
5.8 De duiding van de inhoud van sms-berichten en het bezoek van
[broer medeverdachte 1] aan de verdachte
5.8.1 Standpunt van de verdediging
5.8.2 Standpunt van de procureur-generaal
5.8.3 Beoordeling door het Hof
5.9 Conclusie
5.9.1 Ten aanzien van de betrokkenheid van de verdachte bij de
moord op [slachtoffer]
5.9.2 Medeplegen of uitlokking

6 Het bewijs ten aanzien van feit 5 (onderzoek Passaat)

7 Bewezenverklaring

8 Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezenverklaarde

9 Strafbaarheid van de verdachte

10 Oplegging van straf

11 Schadevergoeding
11.1 Vordering van de benadeelde partijen
11.2 Standpunt van de verdediging
11.3 Beoordeling door het Hof
11.3.1 Ten aanzien van de materiële schade
11.3.2 Ten aanzien van de immateriële schade
11.3.3 Ten aanzien van de proceskosten

12 Toepasselijke wettelijke voorschriften

13 Beslissingen

1 Inleiding

1.1

Hoger beroep

Het Gerecht heeft de verdachte bij zijn vonnis van het onder 4 primair en 5 ten laste gelegde vrijgesproken, en ter zake van het onder 1, 2 en 4 subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 28 jaren met aftrek van de door de verdachte in uitleveringsdetentie en preventieve hechtenis doorgebrachte tijd (hierna ook te noemen: voorarrest). Voorts heeft het Gerecht beslissingen genomen ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen.

Zowel de verdachte als de officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld.

1.2

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal (mrs. M.L.A. Angela en I.R.V. Out), en van hetgeen door de verdachte en zijn raadslieden (mrs. A.A. Franken en E.F. Sulvaran), naar voren is gebracht. De verdediging is door deze raadslieden gevoerd en het pleidooi is door mr. Franken voorgedragen. Voorts heeft het Hof kennisgenomen van hetgeen de benadeelde partijen in het kader van hun vordering tot schadevergoeding naar voren hebben gebracht.

De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder 1, 2, 4 subsidiair en 5 ten laste gelegde bewezen zal verklaren, en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 jaren met beperkte aftrek van uitleveringsdetentie, en aftrek van voorarrest. De vordering behelst voorts de toewijzing van de vordering van de benadeelde partijen tot een bedrag van NAf 4.815,- en de oplegging van een bij de toewijsbare vordering behorende schadevergoedingsmaatregel.

1.3

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het Hof ten aanzien van de feiten 1 en 5 tot andere beslissingen komt. Ten aanzien van feit 4 subsidiair hanteert het Hof een andere bewijsconstructie. Voorts zal het Hof een andere straf opleggen dan het Gerecht heeft gedaan.

2 De ontvankelijkheid van de procureur-generaal in de vervolging inzake feit 4

(onderzoek Maximus)

2.1

Het verweer

De verdediging heeft aangevoerd dat het Hof de procureur-generaal ten aanzien van het onder 4 op de inleidende dagvaarding opgenomen feit in de vervolging niet-ontvankelijk zal verklaren. Daartoe is –samengevat – het volgende aangevoerd.

Het Hof heeft in de zaak van een in de maand juli van 2018 berechte verdachte in hetzelfde feitencomplex (namelijk [medeverdachte 1]) als de rechter die in hoogste aanleg over de feiten oordeelt overwegingen en beslissingen gegeven die een vaststelling van verdachtes schuld impliceren, terwijl zijn schuld niet in rechte vaststaat. Het vonnis in die zaak tegen [medeverdachte 1] noch het dat vonnis begeleidende persbericht getuigen van de nodige zorgvuldigheid. Immers, nergens is een voorbehoud te lezen dat erop neerkomt dat het Hof niet heeft beoogd een (definitief) oordeel over de schuld van de verdachte te geven, maar dat het slechts de voor [medeverdachte 1] in diens strafzaak relevante feiten heeft vastgesteld. Anders gezegd: een pre judgment, met schending van de in artikel 6, tweede lid, Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gewaarborgde onschuldpresumptie tot gevolg. Een eerlijk proces in de onderhavige strafzaak is al vóór de aanvang van de berechting onmogelijk gemaakt door het even bedoelde vonnis van het Hof in de zaak tegen [medeverdachte 1].

Dat betekent dat geen ander rechtsgevolg kan worden verbonden aan deze schending dan niet-ontvankelijkverklaring van de procureur-generaal in de vervolging ter zake van dit feit. Dat niet-ontvankelijkverklaring als rechtsgevolg is aangewezen geldt te meer, omdat het openbaar ministerie in weerwil van de door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) voorgeschreven benadering ervoor heeft gekozen de onderhavige strafzaak niet gelijktijdig aan te brengen met die (thans onherroepelijk afgedane) strafzaak tegen [medeverdachte 1], terwijl evident sprake was van strong factual ties. Ondanks het gegeven dat alle signalen wezen op het belang van gelijktijdige berechting is daarvan afgezien, terwijl een rechtens te respecteren belang bij consecutieve vervolging ontbreekt, aldus – samengevat – de verdediging.

2.2

Standpunt van de procureur-generaal

De procureur-generaal heeft weersproken dat de vervolging van de verdachte gepaard gaat met de door de verdediging gestelde schendingen, zodat volgens de mening van de procureur-generaal niets aan die ontvankelijkheid in de weg staat.

2.3

Beoordeling door het Hof

Toetsingskader


In het tweede lid van artikel 6 EVRM is gewaarborgd dat “Een ieder tegen wie vervolging is ingesteld, (…) voor onschuldig (wordt) gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.” Deze zogenoemde onschuldpresumptie brengt voor het handelen van publieke autoriteiten in het algemeen mee, dat zorgvuldigheid en behoedzaamheid jegens verdachten moet worden betracht, zowel binnen het bestek van de strafzaak als daarbuiten. Bejegening moet zijn gespeend van bevooroordeeldheid.

Dit uitgangspunt wordt enigszins problematisch in het geval waarin de rechter die in een strafzaak de vraag naar het bewijs heeft te beantwoorden zich ook uitlaat over het doen of laten van een derde, die niet in die strafzaak terechtstaat. Het EHRM heeft in de uitspraak van Karaman vs. Duitsland overwogen dat een rechterlijke beslissing met betrekking tot een persoon tegen wie een vervolging is ingesteld een ongeoorloofde inbreuk maakt op de onschuldpresumptie, indien daarin tot uitdrukking wordt gebracht dat hij schuldig is voordat deze schuld in rechte is komen vast te staan. Hierbij dient een onderscheid te worden gemaakt tussen uitlatingen dat iemand verdacht wordt van een strafbaar feit en de vaststelling dat iemand dat feit daadwerkelijk heeft gepleegd, indien op dat moment nog geen sprake is van een veroordeling door de strafrechter ter zake van dat feit. Echter, het EHRM accepteert daarbij dat in complexe strafrechtelijke procedures tegen meer verdachten die niet simultaan kunnen worden berecht, het in de sleutel van de vaststelling van de mate van betrokkenheid van de verdachte die terechtstaat noodzakelijk kan zijn te verwijzen naar de rol van derden die mogelijk op een later moment worden berecht. Het is immers bij uitstek de taak van de strafrechter in de voorliggende strafzaak de onderliggende feiten precies en nauwkeurig vast te stellen, ook als die feiten raken aan betrokkenheid van derden. Het EHRM onderstreept in dat verband dat niet méér moet worden overwogen dan noodzakelijk is voor de vaststelling van schuld van de verdachte die terechtstaat. De woorden waarin die vaststellingen zijn vervat zijn vanzelfsprekend van groot belang, waarbij ook betekenis toekomt aan de vraag of, en hoe is vermeld dat die vaststellingen voor zover rakend aan derden geen oordeel over hun schuld inhouden.1

In het verlengde van het voorgaande geldt die normering van het handelen van publieke autoriteiten ook voor mededelingen die buiten het bestek van het rechterlijk vonnis worden gedaan, zoals in persberichten. Het wekt geen verbazing dat het EHRM onderstreept dat de beoordeling of een uitlating een schending van de onschuldpresumptie oplevert, plaatsvindt in de context van alle omstandigheden van het geval waarin de gewraakte uitlating is gedaan. 2

Het Hof zal het hiervoor omschreven toetsingskader hanteren bij de beoordeling van het verweer.

Beoordeling van het verweer

Het Hof ontleent aan de inhoud van het op 13 juli 2018 in de strafzaak tegen [medeverdachte 1] door het Hof gewezen vonnis het volgende.

Het Hof heeft in dat vonnis als de kern van het door het openbaar ministerie aan [medeverdachte 1] gemaakte verwijt ten aanzien van de bewijsvraag verwoord, “(…) dat hij bij de moord op [slachtoffer] (…) een rol als moordmakelaar heeft gehad: in de visie van het openbaar ministerie en de visie van het Gerecht vormde hij een belangrijke schakel tussen de uitvoerders en de opdrachtgever(s) van de moord.”

Daarvan uitgaand ligt het voor de hand dat bij de bewijslevering in die strafzaak het vizier van het Hof gericht is geweest op zowel die uitvoerders als de opdrachtgever(s). In de door het Hof in die strafzaak vervolgens gebezigde bewijsmiddelen komt de naam van de verdachte voor, en onderwerpt het Hof de contacten tussen [medeverdachte 1] en de verdachte aan een beschouwing. In het bestek van het bewijs overweegt het Hof in dat vonnis afsluitend dat “(…) uit de door het Hof gehanteerde bewijsmiddelen (…) naar voren komt dat de verdachte de opdracht voor de moord op [slachtoffer] van [de verdachte] heeft aangenomen (…)”.

Het Hof onderkent dat wanneer de hierboven gereleveerde vaststellingen en overwegingen worden gelezen door de bril van de verdachte, dit een en ander hem in het licht van zijn ontkennende proceshouding en berechting op het eerste gezicht mogelijk zorgen kan baren, maar een schending van artikel 6, tweede lid, EVRM is daarmee nog niet gegeven. Gelet op de door het Hof in die strafzaak tegen [medeverdachte 1] verwoorde kern van het aan hem gemaakte verwijt, was het Hof in die zaak gehouden een onderzoek te verrichten naar de andere schakels, waarvan door het openbaar ministerie werd vermoed dat [medeverdachte 1] die door zijn handelen aan elkaar heeft verbonden. Het is louter dat perspectief waarin het Hof zijn vaststellingen heeft gedaan, niet meer en niet minder.

Het is niet ondenkbaar dat een door het Hof in dat strafvonnis ten overvloede gegeven overweging waarin dat perspectief uitdrukkelijk zou zijn verwoord die zorgen bij de verdachte zou hebben weggenomen. Echter, het achterwege laten daarvan door het Hof maakt niet dat de verdachte, gelet op de bewijsopdracht in die andere strafzaak, de vaststellingen dienaangaande en de verwoording daarvan, met vrucht kan klagen over de schending van de onschuldpresumptie.

Dat oordeel wordt niet anders wanneer de inhoud van het dat strafvonnis begeleidende persbericht daarbij wordt betrokken. De woordelijke inhoud noch de strekking daarvan wijkt in de kern af van wat door het Hof in dat vonnis is overwogen en vastgesteld.

Het voorgaande voert tot de slotsom dat het Hof het verweer verwerpt, zodat de vraag naar laakbaarheid van consecutieve in plaats van simultane berechting van [medeverdachte 1] en de verdachte geen beantwoording behoeft.

Het Hof laat wat dit laatste aspect niet onvermeld, dat de ten laste van [medeverdachte 1] gewezen vonnissen dateren van 11 mei 2017 (eerste aanleg) en 13 juli 2018 (hoger beroep), terwijl de verdachte om hem moverende redenen ervoor heeft gekozen van medio maart 2016 tot medio 2018 de wijk naar het buitenland (Venezuela) te nemen. Zo bezien valt in redelijkheid niet in te zien hoe de kennelijk gewenste simultane berechting van [medeverdachte 1] en de verdachte vorm en inhoud had kunnen krijgen.

3 Tenlastelegging

De tekst van de tenlastelegging, na aanpassing en wijzigingen in eerste aanleg, is als bijlage 1 (pagina’s doorgenummerd) aan dit vonnis gehecht en geldt als hier overgenomen.

De verdenking komt er - kort en zakelijk weergegeven - op neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:

Feit 1 (Germanium)

Het als ambtenaar verduisteren van ANG 450.000,- aan subsidiegeld van de stichting [naam stichting 1], gepleegd in de periode van 1 maart 2012 tot en met 1 januari 2015 in Curaçao;

Feit 2 (Germanium)

Het gebruikmaken van valse facturen, offertes en aanmaningen op naam van [bedrijfsnaam 1] in de periode van 1 maart 2012 tot en met 1 januari 2015 in Curaçao, terwijl hij bij het begaan van dit strafbaar feit een bijzondere ambtsplicht als Minister van Financiën schond en/of daarbij gebruik maakte van macht gelegenheid en/of middel hem door zijn ambt geschonken.

Feit 4 (Maximus)

primair:

Het medeplegen van moord op [slachtoffer] op 5 mei 2013 in Curaçao.

subsidiair:
Het uitlokken van die moord in de periode van 2 juni 2012 tot en met 5 mei 2013 in Curaçao.

Feit 5 (Passaat)

Het valselijk opmaken (antedateren) van een Aanschrijving in het kader van de Algemene Landsverordening Landsbelastingen op of omstreeks 11 april 2011 in Curaçao, terwijl hij bij het begaan van dit strafbaar feit een bijzondere ambtsplicht als Minister van Financiën van het land Curaçao schond en/of daarbij

gebruik maakte van macht, gelegenheid en/of middel hem door zijn ambt geschonken.

4 Vrijspraak van feit 1 (onderzoek Germanium)

Het feitencomplex dat aan dit verwijt ten grondslag ligt laat zich weergeven als volgt. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verduistering door subsidiegelden (ongeveer ANG 450.000) die waren toegekend aan de stichting [naam stichting 1], te onttrekken aan hun bestemming, te weten de verbetering van een sportcomplex. De verdachte heeft anderen de opdracht gegeven om deze gelden op te nemen van de rekening van de stichting en aan hem persoonlijk cash uit te betalen, welke gelden hij voor eigen gebruik heeft uitgegeven. Uit de inhoud van de stukken van het dossier, waaronder de bekentenis van de verdachte, volgt dat hij zich hieraan inderdaad heeft schuldig gemaakt.

Het openbaar ministerie heeft ervoor gekozen het verwijt alleen te plaatsen in de sleutel van het ambtsmisdrijf van artikel 2:348 Wetboek van Strafrecht (Sr) en niet ook, subsidiair, in de sleutel van artikel 2:298 Sr. Het Hof kan evenwel niet vaststellen dat de verdachte die subsidiegelden in zijn bedieing als minister van Financiën onder zich had (immers voornoemde stichting had die gelden onder zich), dan wel dat hij daarbij gebruik heeft gemaakt van macht en gelegenheid hem door dat ambt waren geschonken. Daarom zal de verdachte van dit aan hem verweten ambtsmisdrijf worden vrijgesproken.

5 Het bewijs ten aanzien van feit 4 (Maximus)

5.1

Inleidend

In de hierna aan te halen verklaringen en gesprekken wordt een aantal personen met grote regelmaat aangeduid bij hun bijnamen. Daarom wordt ter verduidelijking op deze plaats vermeld dat het om de volgende personen gaat.

Naam

Bijnaam

[medeverdachte 1]

[bijnaam medeverdachte 1]

[medeverdachte 2]

[bijnaam medeverdachte 2]

[medeverdachte 3]

[bijnaam medeverdachte 3]

[medeverdachte 4]

[bijnaam medeverdachte 4]

[getuige 2]

[bijnaam getuige 2]

[getuige 6]

[bijnaam getuige 6]

[getuige 7]

[bijnaam getuige 7]

De moord op [slachtoffer] op 5 mei 2013 vormde de aanleiding voor een breed en diepgaand opsporingsonderzoek. Dat onderzoek heeft geleid tot de opheldering van dat misdrijf, in zoverre dat de strafbare betrokkenheid van een aantal personen bij die moord in beeld is gebracht. De als schutter geïdentificeerde [medeverdachte 2] is bij onherroepelijk vonnis van dit Hof op 20 februari 2015 veroordeeld. De door [medeverdachte 2] als zijn opdrachtgever aangewezen [medeverdachte 1] is eveneens door dit Hof onherroepelijk veroordeeld, op 13 juli 2018. Het vonnis in de onderhavige zaak tegen de door het openbaar ministerie als medepleger/uitlokker van [medeverdachte 1] aangemerkte verdachte wordt heden gewezen, op 5 maart 2021. Reeds uit dit zeer aanzienlijke tijdsverloop kan worden afgeleid dat bij een zeer ernstig misdrijf zoals het onderhavige de opsporing, vervolging en berechting van verdachten gecompliceerd is. In dat verband mag niet onvermeld blijven dat twee verdachten in de strafzaak van de moord op [slachtoffer] zijn overleden, nog voordat zij konden worden berecht. Het stoffelijk overschot – ernstig verminkt en onthoofd – van [medeverdachte 4] is in de maand juni van 2013 gevonden, en [medeverdachte 3] is op 6 september 2013 in detentie door verhanging om het leven gekomen. Weliswaar is het louter speculeren of hun overlijden feitelijk (in)direct in verband kan worden gebracht met dat opsporingsonderzoek en de daaraan te verbinden effecten, hoe dan ook illustreert het overlijden van deze twee verdachten op macabere wijze de hierboven bedoelde complexiteit.

Ook wanneer van het omvangrijke dossier slechts oppervlakkig wordt kennisgenomen springt – naast de ernst van de beschuldiging – onmiddellijk de proceshouding van de verdachten in het oog. Anders dan [medeverdachte 2] wijst de verdachte evenals [medeverdachte 1], die hem ook daarin voorging, enige vorm van betrokkenheid bij de moord op [slachtoffer] met klem van de hand. Dat standpunt van de verdachte impliceert, dat het niet anders kan zijn dan dat voor zover getuigen voor de verdachte belastend hebben verklaard dat door hen niet naar waarheid is gedaan, althans dat hun bronnen hen onjuist hebben geïnformeerd.

Dit betekent dat het voor het Hof bij het nemen van de bewijsbeslissing werkelijk aankomt op het doorhakken van knopen. De opdracht aan het Hof is om te onderzoeken of het op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen de overtuiging bekomt dat de verdachte dit onder 4 ten laste gelegde feit heeft begaan. In zoverre bestaat er geen verschil met andere strafzaken, waarin tegenover de meer of minder gemotiveerde ontkenning van de verdachte belastend bewijs, waaronder verklaringen van getuigen voorhanden is. Echter, gelet op de aard en ernst van dit feit en de duur van de door de procureur-generaal gevorderde gevangenisstraf, zijn de belangen in deze zaak groot.

De kennelijke context waarin dit tenlastegelegde feit is begaan compliceert de beantwoording van de voor het Hof voorliggende bewijsvraag. Immers, veel wijst erop dat de moord op [slachtoffer] op bestelling is gepleegd, terwijl in het onderzoek geïdentificeerde medeverdachten kunnen worden gelieerd aan het milieu van zware georganiseerde criminaliteit. Toegespitst op het bewijs betekent dit doorgaans voor het openbaar ministerie dat veel, zo niet alles, uit de strafvorderlijke en tactische kasten moet worden gehaald om een dossier te kunnen vormen waarvan de inhoud toereikend is voor het rekwireren tot bewezenverklaring.

Immers, in het bijzonder waar het gaat om een verdenking zoals hier aan de orde – in de kern het opdrachtgeven tot het (doen) uitvoeren van een moord – leert de praktijk dat direct bewijs meestal ontbreekt. Opdrachten worden niet schriftelijk verstrekt en biologische sporen die leiden naar die opdrachtgevers of hun tussenpersonen zijn doorgaans niet voorhanden. En in de regel ontbreekt het in het dossiers van deze categorie aan verslagen van afgeluisterde en opgenomen (telefoon)gesprekken, waarin met opdrachtgevers ondubbelzinnig wordt gesproken of waarin die opdrachtgevers met naam en toenaam worden genoemd. En dat het afleggen van verklaringen met ernstige risico’s is omgeven blijkt ook uit het gegeven dat ten aanzien van een aantal getuigen de noodzaak tot het treffen van beschermingsmaatregelen is aangenomen.

Dit betekent dat het bewijs vooral zal moeten worden ontleend – behoudens toevalstreffers – aan verklaringen van personen die om hun moverende redenen ervoor kiezen om te verklaren, over hun eigen gedragingen en die van (mede)verdachten. Maar ook dan is de bewijslevering niet zonder complicaties.

In het algemeen is de veronderstelling niet gewaagd dat de verklaring (zowel het afleggen als de inhoud daarvan) kan zijn ingegeven door andere krachten en drijfveren dan alleen het verlangen om zonder aanzien des persoons frank en vrij te openbaren wat is gezien, gehoord en ondervonden. Daarbij komt, dat misdrijven van dit kaliber gepaard gaan met speculaties over de daders en hun achtermannen, met het gevolg dat die speculaties een eigen leven gaan leiden. Kortom, het bewijs van daderschap van personen die belang hebben bij het op bestelling vermoorden van personen is voor het openbaar ministerie bepaald geen gemakkelijke opgave.

Voor zover door criminele getuigen belastend is verklaard heeft nog het volgende te gelden. Aangenomen mag worden dat de “verdachte getuige” die kan verklaren over het soort misdrijf zoals in deze zaak voorligt, zich heeft opgehouden in een onderwereld, waar andere codes en gedragsregels gelden dan in de bovenwereld. Praten met politie en justitie is doorgaans om meer redenen een doodzonde. En als er wél een verklaring wordt afgelegd ligt het risico op de loer dat de getuige daarbij ook wordt gedreven door tot dubbele criminele agenda’s te herleiden belangen en motieven. En daarmee is er naast het risico van de hierna te bespreken tegemoetkomingen aan getuigen voor de waarheidsvinding nog een ander risico verwoord.

De wettelijke definitie van de getuigenverklaring in het eerste lid van artikel 385 Wetboek van Strafvordering blinkt uit door haar eenvoud. De praktijk wijst in het algemeen uit dat aan de rechterlijke waardering van getuigenverklaringen al naar gelang de houding van procespartijen en de daarmee nagestreefde belangen de strafrechter bewegen tot vrijspraak of tot bewezenverklaring een enigszins voorspelbare gang van zaken voorafgaat. De onderhavige zaak vormt op die ervaringsregel geen uitzondering. Complicerend is bovendien dat er door enkele getuigen wanneer hun verklaringen in de tijd worden bezien inconsistent is verklaard. In het ene geval liet zich dat begrijpen, in het andere geval blijft de lezer van de verklaring met enige twijfel zitten. En er zijn verklaringen die zijn afgelegd door nader in dit vonnis te bespreken getuigen aan wie door het openbaar ministerie tegemoetkomingen zijn gedaan, teneinde hen tot verklaren te bewegen. Dat gegeven dwingt het Hof in het geval van bewijsgebruik tot het betrachten van bijzondere behoedzaamheid.

En aan de rechterlijke waardering van getuigenverklaringen kleeft doorgaans ook nog het volgende. Illustreert volgens de ene procesdeelnemer een gedetailleerde verklaring over een in een ver verleden gedane waarneming onmiskenbaar het vermogen tot oplichting door de getuige, de andere procesdeelnemer werpt de getuige die tot het aanbrengen van detaillering niet of minder in staat blijkt tegen dat hij slechts onware, ingestudeerde oneliners ten beste geeft. Wordt door de een de getuige om zijn geloofwaardigheid geprezen omdat hij ook na herhaald verhoren en verklaren door de jaren heen op het niveau van de inhoud van zijn verklaringen consistent blijft, de ander diskwalificeert diezelfde getuige omdat in die consistentie een belangrijke aanwijzing zou zijn gelegen voor een ingestudeerde inhoud en daarmee voor zijn leugenachtigheid. Waar verschillende getuigen over één en dezelfde gebeurtenis eensluidend verklaren, is dat de ene keer een aanwijzing dat zij hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd, terwijl de andere keer juist verschillen tussen de verklaringen leiden tot het standpunt dat die verklaringen onbruikbaar zijn. En als de feiten of omstandigheden waarover de getuige verklaart al eerder voor het publiek kenbaar waren door kennisneming van de inhoud van een ander strafdossier of van in de publiciteit gedane mededelingen, dan kan het daarom niet anders zijn dan dat de getuige zijn kennis niet aan eigen waarneming of ervaring ontleent, maar dat door hem slechts is nagepraat wat hij eerder moet hebben gelezen of opgevangen. Vindt de inhoud van de verklaringen van een getuige verankering in het dossier, dan is dit vervolgens een aanwijzing dat hij zijn verklaringen daarop heeft afgestemd; tegelijkertijd leidt het ontbreken van een dergelijke verankering tot de conclusie dat de getuige maar wat verzint.

Het voorgaande illustreert ook de lastige taak waarvoor het Hof zich gesteld ziet. Tegelijkertijd dient niet uit het oog te worden verloren dat, anders dan voor de procespartijen, er vanzelfsprekend voor het Hof geen belang op het spel staat. Het Hof zal, zoals het in elke strafzaak doet, het door het openbaar ministerie gepresenteerde bewijs op zijn bruikbaarheid hebben te beoordelen, niet meer en ook niet minder.

Volgens bestendige rechtspraak van de Hoge Raad is het bij uitstek aan het Hof als feitenrechter voorbehouden om van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat het uit het oogpunt van betrouwbaarheid dienstig voorkomt, en terzijde te stellen wat het voor het bewijs van geen waarde acht.

Deze formule sluit in dat aan het Hof op het terrein van bewijsbeslissingen een grote vrijheid toekomt, waarbij de verantwoording die ter zake door het Hof wordt afgelegd door de Hoge Raad als cassatierechter doorgaans slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst. Immers, in iedere strafzaak waar de beantwoording van bewijsvragen voorligt zal de feitenrechter zijn bewijsoordeel dienen te motiveren, waarmee - het zij herhaald - in zoverre de onderhavige zaak zich niet van andere strafzaken onderscheidt. In het algemeen geldt, dat waar de bruikbaarheid van gepresenteerd bewijs min of meer indringend voorwerp van debat is geweest de rechterlijke verantwoording van het bewijsgebruik met een zekere diepgang zal plaatsvinden.

In de onderhavige zaak is de waardering van de betrouwbaarheid van de door een aantal getuigen afgelegde verklaringen een kernpunt. De pijlen van de verdediging zijn gericht geweest op die betrouwbaarheid. Waar aan getuigen op grond van met hen gemaakte afspraken voordelen toevallen heeft het Hof ook ambtshalve de plicht zich ervan te vergewissen of hun verklaringen voor bewijsgebruik in aanmerking komen en is het in het voorkomende geval gehouden in het bijzonder te verantwoorden op welke gronden het tot bewijsgebruik van door hen afgelegde verklaringen is overgegaan.

Het Hof zal in dit vonnis onderzoeken of de voor het bewijs relevante (onderdelen van) verklaringen van de getuigen de door het Hof te verrichten betrouwbaarheidstoets kunnen doorstaan. Dit geschiedt zowel ambtshalve door het Hof als naar aanleiding van de gevoerde verweren en uitdrukkelijk onderbouwde standpunten. Het Hof tekent daarbij aan, dat de feitelijke breedte en detaillering waarvan de verdediging de onderbouwing van haar standpunten in sommige gevallen heeft voorzien in het geval van niet-aanvaarding van dat standpunt niet meebrengt dat het Hof zijn motivering op ieder onderdeel van die onderbouwing zal hebben toe te spitsen.

5.2

Wat uit het dossier blijkt

Het Hof stelt voorop dat uit de inhoud van de voorhanden bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte 2] op zondag 5 mei 2013 omstreeks 16.50 uur [slachtoffer] nabij het strand van Marie Pampoen van het leven heeft beroofd. [medeverdachte 1] was de zogenaamde “moordmakelaar”. Hij heeft de opdracht voor de moord aangenomen en vervolgens [medeverdachte 3] aangestuurd die op zijn beurt belast werd met het zoeken van de uitvoerders van die moord. De uitvoerders waren [medeverdachte 4], die de vluchtauto bestuurde en, zoals gezegd, [medeverdachte 2], die de dodelijke schoten heeft gelost.

De vraag die ter beantwoording voorligt is of het de verdachte is geweest die [medeverdachte 1] de opdracht voor de moord heeft gegeven.

Uit de stukken in het dossier blijkt van de volgende gang van zaken.

De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij van [medeverdachte 3] heeft gehoord dat [medeverdachte 1] en de verdachte in onderhandeling waren over een werkopdracht die ze moesten uitvoeren. Die opdracht was de moord op [slachtoffer]. De onderhandeling ging over het bedrag dat de verdachte zou betalen voor het werk.

De getuige [getuige 3], de broer van [medeverdachte 3], heeft verklaard dat hij van [medeverdachte 3] heeft gehoord dat hij – [medeverdachte 3] - een klusje moest doen voor onder andere een persoon bij [bedrijfsnaam 2] die heel veel geld had en dat, als hij het werk zou doen, hij dan die persoon in zijn handen zou hebben.

De verdachte heeft verklaard dat hij in 2013 een bedrijf had, genaamd [bedrijfsnaam 2], en toen een vermogend man was3.

De getuigen [getuige 5] en [getuige 4] hebben verklaard dat zij hebben gezien dat [medeverdachte 1] in de periode van een tot anderhalve maand voor de moord op [slachtoffer] regelmatig de verdachte op zijn kantoor (hierna ook te noemen: [bedrijfsnaam 2]) bezocht en dat [medeverdachte 1] het kantoor van de verdachte meermalen verliet met enveloppen, waarvan zij zeer sterke aanwijzingen hadden dat deze enveloppen waren gevuld met geld. [getuige 5] heeft verklaard dat hij ook heeft gezien dat [medeverdachte 1] met een stapel bankbiljetten in zijn broekzak het kantoor van de verdachte verliet.

De getuige [medeverdachte 2] heeft verklaard dat [medeverdachte 3] hem voor 5 mei 2013 heeft gevraagd om [slachtoffer] te vermoorden en hem op 5 mei 2013 heeft verteld dat [slachtoffer] nog diezelfde dag, in ieder geval voor maandagochtend 6 mei 2013 vroeg, moest worden vermoord. Voorts heeft hij verklaard te hebben gezien dat [medeverdachte 1] een week of misschien anderhalve week voor 5 mei 2013 een sporttas bij zich had en dat hij na het uitvoeren van de huurmoord uit deze tas, door [medeverdachte 3] werd betaald.

Uit de inhoud van onderschept SMS-verkeer volgt, dat in de periode van 25 april 2013 tot en met 4 mei 2013 [medeverdachte 1] en de verdachte berichten hebben gewisseld:

  • -

    over werk dat de verdachte voor [medeverdachte 1] heeft (25 april 2013);

  • -

    over het door [medeverdachte 1] zien van de verdachte zodat [medeverdachte 1] kan
    beginnen met het werken (30 april 2013);

  • -

    over een vriend die er deze dagen niet is om hem, [medeverdachte 1], bij het werk te helpen (3 mei 2013);

  • -

    over het doorgeven van een boodschap van die vriend door de verdachte aan [medeverdachte 1] en het daartoe maken van een afspraak bij de verdachte thuis (4 mei 2013).

Uit telecomgegevens volgt, dat [medeverdachte 1] na zijn laatste sms-bericht aan de verdachte driemaal telefonisch contact met [medeverdachte 3] heeft gezocht (op 4 mei 2013 om 20.32 uur en 20.35 uur en op 5 mei 2013 te 00.03 uur).

De getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij na de moord op [slachtoffer] van [medeverdachte 1] heeft gehoord dat de verdachte hem – [medeverdachte 1] – had gevraagd de moord op [slachtoffer] te regelen.

Uit de verslagen van heimelijk afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken volgt dat de vader van [medeverdachte 1], tijdens de detentie van [medeverdachte 1], met hem spreekt over het door de broer van [medeverdachte 1], [broer medeverdachte 1], langsgaan bij de man waarvoor [medeverdachte 1] heeft gewerkt.

De getuigen [getuige 5] en [getuige 4] hebben verklaard te hebben gezien dat [broer medeverdachte 1] de verdachte op diens kantoor heeft bezocht. [getuige 4] heeft verklaard te hebben gezien dat de verdachte met een broekzak vol met bankbiljetten een kantoor inging waarin zich [broer medeverdachte 1] bevond en daar met een lege broekzak uitkwam. Ook [getuige 5] heeft dat gezien.

Het Hof zal hierna de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5] nader beoordelen, alsmede duiding geven aan de inhoud van die sms-berichten tussen [medeverdachte 1] en de verdachte, en de kwestie van het bezoek van [broer medeverdachte 1] aan de verdachte op diens kantoor.

5.3

De betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige [getuige 1]

5.3.1

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft op gronden als uiteengezet in de pleitaantekeningen uitvoerig en gedetailleerd uiteengezet dat en waarom (alle) door [getuige 1] afgelegde verklaringen op zichzelf innerlijk en/of onderling tegenstrijdig dan wel aantoonbaar in strijd met de waarheid zijn, daarmee onbetrouwbaar en derhalve niet bruikbaar voor het bewijs. Ook is betoogd dat in het geval van het bewijsgebruik door het Hof van verklaringen van [getuige 1], dat gebruik in strijd komt met verdachtes recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM.

5.3.2

Standpunt van de procureur-generaal

De procureur-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van [getuige 1] tot het bewijs kunnen worden gebezigd.

5.3.3

Beoordeling door het Hof

5.3.3.1 Algemeen

Met betrekking tot de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige [getuige 1] verwijst het Hof eerst naar de in deze paragraaf inleidend gegeven overwegingen.

5.3.3.2 Gestelde verschillen tussen de verklaringen uit 2015 en 2017
Anders dan de raadsman heeft gesteld kan het Hof niet vaststellen dat er een gapend gat bestaat tussen de verklaringen van [getuige 1] van 20154 enerzijds en zijn verklaringen van 2017 anderzijds.

Het Hof stelt daarbij eerstens vast dat [getuige 1] in 2015 met name heeft verklaard over wat hij van [getuige 6] ([bijnaam getuige 6]) heeft gehoord. Feitelijke onjuistheden in wat [getuige 6] hem heeft verteld kunnen de betrouwbaarheid van [getuige 1] echter niet raken. Bij nauwkeurige lezing van de verklaringen in 2015 blijkt, waar [getuige 1] verklaarde dat [bijnaam medeverdachte 3] en niet [bijnaam medeverdachte 1] de beslissingen neemt binnen de groep New York Yankees, dat hij dat van [getuige 6] heeft vernomen en niet, zoals de raadsman heeft gesteld, dat een mededeling van [getuige 1] zelf is die door niemand wordt gedeeld. Datzelfde geldt voor de kwestie van het door de verdachte leveren van het wapen, hetgeen volgens de raadsman aantoonbaar onjuist is. Ook dat is aan [getuige 1] door [getuige 6] verteld.

Voorts kan worden vastgesteld dat [getuige 1] in zijn eerste verhoor in 2015 is gevraagd of hij bekend was met de zaak [slachtoffer] en wat hij daarover kon verklaren. Hij heeft geantwoord dat hij kon verklaren over wat hij had gehoord van de jongens in Koraal Specht en van [bijnaam getuige 6]. Aan het einde van dat verhoor heeft [getuige 1] verklaard dat hij van [getuige 9] had gehoord dat [bijnaam medeverdachte 3] en zijn groep de moord op [slachtoffer] hadden gepleegd. Met die groep bedoelde hij [bijnaam medeverdachte 1], [bijnaam getuige 6], [bijnaam medeverdachte 2] en [bijnaam medeverdachte 4]. De vraagstelling wordt dan vervolgd met de vraag of er nog meer mensen zijn van wie hij heeft gehoord wie de moord hebben gepleegd (cursivering Hof). Hij heeft op deze vraag ontkennend geantwoord. Het Hof stelt vast dat hieruit niet volgt, zoals de raadsman stelt, dat [getuige 1] ontkennend heeft geantwoord op de vraag of hij nog van andere mensen heeft gehoord over de moord op [slachtoffer] (cursivering Hof). Dat laatste is immers een veel ruimer onderwerp.

5.3.3.3 Verklaringen uit 2017, 2018 en 2021

De kern van de verklaringen van [getuige 1] in 2017 is, dat hij van [medeverdachte 3] heeft gehoord dat er een werkopdracht was om [slachtoffer] te vermoorden en dat er een onderhandeling gaande was tussen [medeverdachte 1] en de verdachte over het door laatstgenoemde daarvoor te betalen bedrag. [getuige 1] heeft het gesprek tussen hen in de tijd geplaatst en heeft verklaard waar dat gesprek plaatsvond, in de garage van [medeverdachte 3]. Anders dan de raadsman stelt, volgt uit aan Border Management System ontleende gegevens niet, dat uitgesloten is dat dat gesprek op een zaterdag in maart 2013 heeft plaatsgevonden, zoals [getuige 1] heeft verklaard. Hij is immers in de ochtend van zaterdag 9 maart 2013 naar Curaçao teruggekeerd.

[getuige 1] is bij de inhoud van die verklaringen van 2017 gebleven, zowel in zijn verhoor als getuige ten overstaan van de rechter-commissaris in de strafzaak tegen [medeverdachte 1] in maart 2018 als in zijn verhoor als getuige ter terechtzitting van het Hof op 21 januari 2021. Hij heeft bij laatstgenoemde gelegenheid, toen hem indringend is gevraagd of hij er zeker van was dat zijn verklaringen op dit punt juist waren, herhaaldelijk geantwoord dat hij de waarheid sprak.

Ook is [getuige 1] tijdens zijn verhoor als getuige ter terechtzitting van het Hof bij zijn verklaring gebleven dat [medeverdachte 3] tijdens dat gesprek heeft gezegd dat de verdachte voor het wapen zou zorgen. [getuige 1] heeft op authentieke wijze tegenover het Hof verklaard dat hij naar aanleiding van deze mededeling van [medeverdachte 3] tegen hem heeft gezegd dat hij blij mocht zijn dat zulke belangrijke mensen hem met het werk konden helpen. Door het Hof gevraagd naar dat werken en of daarmee op criminele activiteiten is gedoeld, heeft hij ironisch lachend bevestigend geantwoord. Dit een en ander draagt bij aan de geloofwaardigheid van de verklaring van [getuige 1] dat het bewuste gesprek daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Het Hof onderkent, dat het bij de moord gebruikte vuurwapen een aantal maanden eerder door [medeverdachte 2] is gebruikt, doch dat enkele feit impliceert geen falsificatie van wat door [getuige 1] over (de herkomst van) het wapen is verklaard. Het Hof kan niet vaststellen of het bij de moord gebruikte wapen al dan niet van de verdachte afkomstig was. De stelling van de raadsman dat [medeverdachte 2] dat wapen al in januari 2013 in zijn bezit had en daaruit logischerwijs zou volgen dat dat wapen dus niet van de verdachte afkomstig was, volgt het Hof daarom niet.

Ook als veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat het wapen niet van de verdachte afkomstig was, verbindt het Hof daaraan niet de door de raadsman bepleite gevolgtrekking. Het is immers wat [medeverdachte 3] tegen hem heeft gezegd, en niet uit te sluiten is, dat het aanvankelijk de bedoeling dan wel de gedachte was dat de verdachte voor het wapen zou zorgen. Vanzelfsprekend is dit laatste een veronderstelling van het Hof.

De raadsman heeft nog aangevoerd dat [getuige 1] tijdens het verhoor van 13 juni 2017 is gedirigeerd naar de positie die het openbaar ministerie en het onderzoeksteam voor ogen hadden: die van een getuige die belastend over de verdachte kan verklaren. Van [getuige 1] was bekend dat hij bereid is met politie en openbaar ministerie samen te werken. Daarvoor was hij in zijn eigen strafzaak ruimschoots beloond, door een forse strafkorting, aldus de raadsman.

Het Hof stelt vast dat [getuige 1] inderdaad gevraagd is naar wat hij kan vertellen over de betrokkenheid van de verdachte bij de moord op [slachtoffer]. Dat dat ertoe zou hebben geleid dat hij dan maar een verhaal zou hebben opgedist om de politie en het openbaar ministerie tevreden te stellen, zoals de raadsman kennelijk bedoelt, kan daaruit evenwel niet volgen. Naar het oordeel van het Hof heeft [getuige 1] afdoende duidelijk gemaakt waarom hij eerst in 2017 bereid was te verklaren over de verdachte: eerder had hij angst voor zijn leven, hij wilde een schoon geweten hebben, niemand meer beschermen en op deze manier wellicht ook de familie van [slachtoffer] helpen. Ook zijn uitleg waarom hij in 2015 wel over de zaak sprak ondanks de angst voor zijn leven acht het Hof aannemelijk: hij heeft verklaard dat hij niet bang was om te vertellen over wat hij van derden had gehoord, nu dat hem niet kon worden tegengeworpen. Hij durfde toen niet te verklaren wat hij zélf had gehoord, uit angst voor zijn leven.

5.3.3.4 Ontkenning [getuige 6]

De raadsman heeft aangevoerd dat bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 1] waarde dient te worden gehecht aan het gegeven dat [getuige 6] in zijn verhoor ten overstaan van de rechter-commissaris op 6 maart 2018 (in de strafzaak tegen [medeverdachte 1]) onder meer heeft ontkend dat hij tijdens zijn detentie in 2014 met [getuige 1] heeft gesproken over de moord op [slachtoffer]. Hieruit zou volgen, zo begrijpt het Hof de raadsman, dat de verklaringen van [getuige 1] in 2015 door hem geheel uit de duim zijn gezogen en derhalve om die reden ook aan diens verklaringen in 2017, 2018 en zijn verklaring ter terechtzitting van het Hof op 21 januari 2021 geen geloof dient te worden gehecht.

Het Hof gaat hieraan voorbij. De enkele ontkenning van [getuige 6] dat bedoeld gesprek heeft plaatsgevonden kan niet de conclusie dragen dat [getuige 1] daarover dus niet de waarheid spreekt. Daarbij hecht het Hof nog waarde aan het gegeven dat [getuige 1] in 2014 daadwerkelijk 5 dagen heeft doorgebracht in een cel die was gelegen naast de cel van [getuige 6]. Daarmee is feitelijk de mogelijkheid gegeven dat [getuige 6] met [getuige 1] heeft gesproken over de kwestie. Voorts stelt het Hof vast dat [getuige 6] in voornoemd verhoor ten overstaan van de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij zich niet kan herinneren wat hij bij de politie over de moord op [slachtoffer] heeft verklaard, terwijl uit het dossier Marie Pampoen volgt dat hij maar liefst 27 keer door de politie is gehoord, zodat het moeilijk voorstelbaar is dat hij zich daarvan in het geheel niets meer herinnert. Dit draagt niet bij aan de geloofwaardigheid van wat door [getuige 6] is verklaard.

5.3.3.5 Adamco vs. Slowakije

De raadsman heeft onder verwijzing naar een uitspraak van het EHRM in de zaak van Adamco tegen Slowakije betoogd, dat verdachtes recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM wordt geschonden indien de verklaringen van [getuige 1] door het Hof voor het bewijs worden gebruikt. Het Hof verwerpt dit verweer. Bedoelde uitspraak zag immers op verklaringen die een getuige had afgelegd in relatie tot het in ruil voor het afleggen van die verklaringen verkrijgen van immuniteit of andere voordelen. Het Hof stelt vast dat [getuige 1] in een andere strafzaak die ziet op de zogenaamde Hato-shooting, belastende verklaringen heeft afgelegd, zowel over hemzelf als over zijn medeverdachten. Uit het ten laste van hem gewezen en inmiddels onherroepelijk geworden vonnis van 18 juni 2015 blijkt, dat het Hof rekening heeft gehouden met deze proceshouding van [getuige 1] en hem een lagere gevangenisstraf heeft opgelegd. Dat deze omstandigheid enige rol zou hebben gespeeld in het door [getuige 1] op een later tijdstip in onderhavige strafzaak afleggen van de verklaringen, te weten in 2017 ten overstaan van het RST, in 2018 ten overstaan van de rechter-commissaris en/of ter terechtzitting van het Hof, is weliswaar gesteld maar door de verdediging niet nader onderbouwd, terwijl aan het Hof daarvan evenmin is gebleken. Anders dan in de op die Hato-shooting betrekkelijke strafzaak is [getuige 1] in onderhavige strafzaak geen verdachte. [getuige 1] heeft overigens ter terechtzitting in hoger beroep op 21 januari 2021 desgevraagd ontkend dat hem iets beloofd zou zijn door de officier van justitie in ruil voor het afleggen van zijn verklaringen in onderhavige strafzaak.

5.3.3.6 Overigens

De overige door de raadsman aangehaalde discrepanties – voor zover al kan worden vastgesteld dat het daartoe aangevoerde de conclusies dat er sprake is van discrepanties kan dragen - acht het Hof bij de waardering van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 1] van ondergeschikte betekenis, zodat deze geen bespreking behoeven. Ook de vraagtekens die de raadsman heeft geplaatst bij de redenen van politie en justitie om [getuige 1] in 2017 te benaderen om verklaringen in onderhavige strafzaak af te leggen en bij de aanwezigheid van de officier van justitie bij een van deze verhoren (en bij een van de verhoren in 2015) laat het Hof onbesproken, nu op geen enkele wijze is gebleken dat een van deze kwesties de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 1] zou hebben beïnvloed.

5.3.3.7 Conclusie

Het Hof acht de verklaringen van [getuige 1] betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs, te meer nu deze verklaringen bevestiging vinden in de andere bewijsmiddelen. Het andersluidende verweer wordt verworpen.

5.4

De betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige [getuige 2]

5.4.1

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat [getuige 2] bij (zijn bereidwilligheid tot het afleggen van) zijn verklaringen en bij het geven van een interview aan een journalist van een krant slechts werd gedreven door zijn wens om daar beter van te worden. Dit zou tevens blijken uit zijn toenaderingen tot [medeverdachte 1] in 2014. Er zijn voorts geen inhoudelijke argumenten te vinden die duidelijk maken waarom [getuige 2] in 2014, nadat hij tegenover het RST had verklaard dat [medeverdachte 1] hem had verteld dat hij niets met de moord op [slachtoffer] te maken had, niet naar waarheid verklaarde en later tegenover een journalist wél. De raadsman verwijst daarbij naar 5 pijlers waaruit dat zou blijken. Om die redenen zijn de verklaringen van [getuige 2] onbetrouwbaar, en komen die daarom niet voor bewijsgebruik in aanmerking, aldus de verdediging.

5.4.2

Beoordeling door het Hof

5.4.2.1 Algemeen
Met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige [getuige 2] verwijst het Hof eerst naar de in deze paragraaf inleidend gegeven overwegingen.

5.4.2.2 Verklaringen [getuige 2]: een journalist, de politie en de rechter-commissaris

[getuige 2] heeft in een interview met een journalist van de Volkskrant verklaard dat hij van [medeverdachte 1] heeft gehoord dat de verdachte aan hem, [medeverdachte 1], heeft gevraagd om de moord op [slachtoffer] te regelen, waarna [medeverdachte 1] - via zijn lijfwacht – [voornaam en eerste letter achternaam medeverdachte 2] inschakelde. Het artikel waarin die verklaring is opgenomen is op 8 september 2016 gepubliceerd. [getuige 2] is naar aanleiding van dat artikel op 12 september 2016 gehoord door leden van het RST. Hij heeft toen aandachtig het artikel doorgelezen. Vervolgens heeft hij, gevraagd naar wat [medeverdachte 1] aan hem had verteld voor wat betreft zijn rol in de moord op [slachtoffer], geantwoord dat hij achter de inhoud van het krantenartikel staat. Als getuige gehoord ten overstaan van de rechter-commissaris in de strafzaak tegen [medeverdachte 1] (hierna: de rc-verklaring) heeft [getuige 2] bevestigd dat hij met [medeverdachte 1] heeft gesproken over de moord op [slachtoffer] en dat hij met de lijfwacht van [medeverdachte 1], [bijnaam medeverdachte 3], bedoelde. Nadere vragen over de inhoud van het krantenartikel wilde hij niet beantwoorden omdat hij volgens zijn verklaring niet helder kon denken, ziek was en bang om daarover te spreken omdat hij vreesde voor zijn leven, waarna hij concreet door de raadsvrouw van [medeverdachte 1] bevraagd is over hetgeen in het krantenartikel is opgenomen. Hij antwoordt dan dat hij het zich niet kan herinneren.

Het Hof stelt vast dat [getuige 2] derhalve niet is teruggekomen op zijn voor de verdachte belastende verklaring. Anders dan de raadsman heeft betoogd volgt naar het oordeel van het Hof uit de rc-verklaring van [getuige 2] niet dat hij “terugkrabbelt” en evenmin dat [getuige 2] duidelijk zou hebben gemaakt dat hij niet van [medeverdachte 1] maar van anderen iets heeft gehoord over opdrachtgevers. Naar het oordeel van het Hof volgt uit die verklaring dat hij simpelweg niet wíl verklaren.

[getuige 2] heeft verklaard wanneer [medeverdachte 1] hem het vorenstaande over de verdachte heeft verteld. Dat was toen hij naar [medeverdachte 1] ging om een boodschap van de criminele groepering No Limit Soldiers (NLS) over te brengen, omdat de NLS er zogezegd niet blij mee was dat hun mensen waren ingezet als huurmoordenaars van [slachtoffer]. In zijn verklaring tegenover de politie van 12 september 2016 preciseert [getuige 2] dit. Niet alleen [getuige 8] (Hof: lid van de NLS5), benaderde hem maar ook diens broer [bijnaam getuige 7]. Dat dit gesprek heeft plaatsgevonden vindt bevestiging in een OVC-gesprek tussen [getuige 8] en een NN-man op 9 september 2016, de dag na het verschijnen van het artikel in de krant. Er wordt over dat artikel gesproken. [getuige 8] vertelt de NN-man dat het [bijnaam getuige 7] was die [bijnaam getuige 2] (Hof: [getuige 2]) naar [bijnaam medeverdachte 1] ([medeverdachte 1]) heeft gestuurd, waarop de NN-man zegt dat het nu uitgekomen is in een krant van Nederland en dat [bijnaam getuige 2] de eerste getuige is die ze hebben.
Voorts acht het Hof van belang dat vaststaat dat [medeverdachte 1] de opdracht tot de moord van een derde heeft aangenomen, derhalve wist wie die opdrachtgever was en hierover uit eigen wetenschap kon verklaren tegenover [getuige 2] alsook dat vaststaat dat het [bijnaam medeverdachte 3] is geweest die [medeverdachte 2] heeft ingeschakeld. Hierin vindt het Hof verankering voor de verklaring van [getuige 2]. Ook overigens vindt de verklaring van [getuige 2] bevestiging in de andere bewijsmiddelen.

Tussenconclusie

Gelet op vorenstaande is het Hof van oordeel dat de verklaring van [getuige 2] betrouwbaar is en bruikbaar voor het bewijs.

De raadsman heeft betoogd dat de verklaringen van [getuige 2] zijn ingegeven door eigenbelang. Hij zou op zoek zijn geweest naar voordeel voor hemzelf in de vorm van een tegenprestatie. De raadsman miskent daarbij dat een onderscheid gemaakt moet worden tussen de bereidheid tot het afleggen van verklaringen als zodanig, en het inhoudelijk op een bepaalde wijze verklaren. Aanwijzingen dat [getuige 2] op zoek zou zijn geweest naar een (concrete) tegenprestatie door tegen beter weten in de naam van de verdachte te noemen heeft het Hof niet aangetroffen en deze zijn niet door de raadsman benoemd.

Het Hof stelt vast dat de tegenprestatie waar [getuige 2] naar op zoek was, heeft bestaan in zijn wens tot bescherming voor hemzelf, omdat hij wilde verklaren over wat hij wist over de personen die betrokken waren bij de moord op [slachtoffer]. Gelet op de aard van de zaak, een huurmoord, was dat van de zijde van [getuige 2] bepaald niet een onredelijke wens. Zijn eerste contact leidde niet tot die bescherming omdat hij werd aangehouden als verdachte van de afpersing van [medeverdachte 1] en mede om die reden weigerde te verklaren.

Voorts heeft de raadsman erop gewezen dat [getuige 2] tegenover de journalist niet de waarheid heeft gesproken waar hij stelde dat het openbaar ministerie hem in levensgevaar heeft gebracht door zijn naam op een zitting te noemen als iemand die over de opdrachtgever(s) heeft gepraat.

Het Hof ziet zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet in waarom dat in strijd met de waarheid zou zijn. In het bewuste krantenartikel heeft de journalist de reactie van de officier van justitie op dit punt weergegeven, inhoudende dat op de openbare zitting in de zaak tegen de uitvoerders van de moord op [slachtoffer] in augustus 2014 drie door [getuige 2] afgelegde verklaringen aan de orde zijn geweest. Dat was voor [getuige 2] vervolgens de reden om te spreken met de journalist, omdat hij het noemen van zijn naam in die strafzaken als zijn doodvonnis zag en spreken hem geen kwaad meer kon doen. Voorts zou de hele wereld weten wie erachter zou zitten in het geval [X] dan wel [medeverdachte 1] hem iets aan zou doen. Dat [getuige 2] niet tot overeenstemming is gekomen met het openbaar ministerie onder welke voorwaarden door hem afgelegde kluisverklaringen mochten worden gebruikt en hij derhalve op die wijze zou worden beschermd, zal – zo veronderstelt het Hof - tevens wel een rol hebben gespeeld bij zijn reden om het interview te geven.

Verdiepingsvragen over de kwestie heeft hij na het interview bij de politie en bij het rc-verhoor in de strafzaak tegen [medeverdachte 1] niet willen beantwoorden. De reden daarvan was angst voor zijn leven zonder afdoende bescherming. Zo heeft [getuige 2] op 12 september 2016 bij politie verklaard dat hij wil helpen met het oplossen van de zaak, maar niet vermoord wil worden als hij vrijkomt. Op 20 maart 2018, door de rechter-commissaris gehoord als getuige in de strafzaak tegen [medeverdachte 1], heeft hij te kennen gegeven, dat hij bang is om te spreken en hij voor zijn leven vreest.

Het Hof ziet in deze gehele gang van zaken, anders dan door de raadsman is betoogd, geen reden om te twijfelen aan het waarheidsgehalte van de verklaring van [getuige 2].

De verdediging heeft nog gewezen op de omstandigheid dat [getuige 2] in 2014 heeft verklaard dat [bijnaam medeverdachte 1] in het gesprek zei dat hij niets met de moord te maken had, terwijl hij in 2016 tegen de journalist heeft verklaard dat [bijnaam medeverdachte 1] hem heeft verteld dat het de verdachte is die hem heeft gevraagd de moord op [slachtoffer] te regelen. Dit is een koerswijziging waarvoor geen inhoudelijk argument te vinden is en het tast de betrouwbaarheid van de verklaring aan, aldus de raadsman bij pleidooi.

Het Hof volgt de raadsman niet in zijn betoog. Het is evident dat [getuige 2] in 2014 uit veiligheidsoverwegingen geen namen wilde noemen van mensen die betrokken waren bij de moord op [slachtoffer] en zelfs toenadering tot (de vader van) [medeverdachte 1] zocht om zich zogezegd “in te dekken”.

Eindconclusie

Ook hetgeen overigens door de raadsman is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Het andersluidende verweer wordt verworpen.

5.5

De betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige [getuige 3]

5.5.1

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van [getuige 3] tegenstrijdig en (deels) aantoonbaar in strijd met de waarheid zijn. Voorts behelzen de verklaringen met name eigen conclusies van [getuige 3], en zijn mede gebaseerd op informatie die hij uit de media had. Indien daarbij in aanmerking wordt genomen dat de verklaringen door het openbaar ministerie zijn "gekocht" en hem sturende vragen zijn gesteld, kan de conclusie geen andere zijn dan dat de verklaringen van [getuige 3] onbetrouwbaar zijn en derhalve niet bruikbaar voor het bewijs.

5.5.2

Standpunt van de procureur-generaal

De procureur-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van [getuige 3] tot het bewijs kunnen worden gebezigd.

5.5.3

Beoordeling door het Hof

Met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 3] verwijst het Hof eerst naar de in deze paragraaf inleidend gegeven overwegingen.

Voorts heeft het Hof onder ogen gezien dat [getuige 3] en [medeverdachte 3] broers zijn en op het gegeven dat [getuige 3] (en zijn moeder) zich schuldig hebben gemaakt aan het witwassen van criminele gelden van [medeverdachte 3]. Het is zeer voorstelbaar dat al deze feiten en omstandigheden de inhoud van diverse van de verklaringen van [getuige 3] hebben beïnvloed.

[getuige 3] heeft in juni 2013 een drietal verklaringen afgelegd. Hij is toen gehoord over twee auto’s die op zijn naam stonden, ook in relatie tot zijn broer [medeverdachte 3]. Voorts heeft hij verklaard dat hij heeft gehoord dat [medeverdachte 3] lid van de NLS is en dat hij van collega’s heeft gehoord dat de mannen van de NLS [medeverdachte 3] aan het zoeken zijn om hem te vermoorden. Hij heeft dat aan zijn moeder doorgegeven die het op haar beurt aan [medeverdachte 3] heeft doorgegeven. Deze zei haar dat hij daarvan op de hoogte was6.

Gelet op de inhoud van die verklaringen roept het - anders dan de raadsman stelt - geen verbazing op dat het openbaar ministerie deze verklaringen niet aan het procesdossier Maximus heeft toegevoegd. Dat [getuige 3], zoals later blijkt, in deze verklaringen in ieder geval voor wat betreft de auto’s in strijd met de waarheid heeft verklaard, heeft hij uitgelegd: hij wilde daarmee zijn broer beschermen. Het Hof acht deze uitleg aannemelijk, waarbij het opmerkt dat de wens van de getuige om zijn eigen criminele handelen (en dat van zijn moeder) te verbergen daarbij zeker ook een rol zal hebben gespeeld. Het Hof is dan ook van oordeel dat het door [getuige 3] in 2013 in zoverre niet naar waarheid verklaren zijn in 2017 afgelegde verklaringen niet diskwalificeert.

Na het overlijden van [medeverdachte 3] is [getuige 3] andermaal gehoord. In zijn verhoor van 26 september 2014 heeft hij verklaard dat hij niet kan zeggen of zijn broer wel of niet iets met de moord op [slachtoffer] te maken heeft. Wanneer hem gevraagd wordt naar de betrokkenheid van [medeverdachte 1] bij die moord antwoordt hij dat hij niet bang is om er iets over te zeggen en dat hij niet precies weet wat er gebeurd is.

Vervolgens zijn [getuige 3] en zijn moeder in 2017 door de officier van justitie benaderd met een schikkingsvoorstel. Volgens dat voorstel zullen zij niet worden vervolgd voor het witwassen van criminele gelden van [medeverdachte 1] (de aanbetaling van een jetski van NAf 31.000,- en de vestiging van een recht van erfpacht op een stuk grond) indien afstand wordt gedaan van de helft van voornoemde aanbetaling. Het schikkingsvoorstel is door [getuige 3] en zijn moeder op 4 oktober 2017 aanvaard. [getuige 3] heeft daarna op dezelfde dag een verklaring afgelegd. Hierin heeft hij verklaard dat [medeverdachte 3] hem vlak voor de moord op [slachtoffer] heeft verteld dat hij een klusje moest doen voor een persoon bij [bedrijfsnaam 2] die heel veel geld had en een hooggeplaatste persoon bij [bedrijfsnaam 3] en dat, als hij het werk zou doen, hij dan die twee personen in zijn handen zou hebben. [medeverdachte 3] was er 100% zeker van dat hij, [getuige 3], een baan bij een van die twee bedrijven zou krijgen als hij het klusje zou hebben gedaan. In zijn verklaring van 26 oktober 2017 is [getuige 3] bij die verklaring gebleven.

Het Hof stelt vast, dat de verklaring van [getuige 3] in 2014 niet noodzakelijkerwijs inhoudelijk strijdig is zijn met zijn verklaringen die in 2017 door hem zijn afgelegd. In 2014 is hem naar zijn wetenschap omtrent de directe betrokkenheid van zijn broer en [medeverdachte 1] bij de moord op [slachtoffer] gevraagd, terwijl hem in 2017 is gevraagd naar wat hij kan vertellen over de verdachte die ervan wordt verdacht een van de personen te zijn, die voor de moord op [slachtoffer] heeft betaald. In 2014 is hem daar eenvoudigweg niet naar gevraagd.

[getuige 3] is op 20 januari 2021 door het Hof als getuige gehoord. Het kan niet anders dan dat verhoor een overweldigende indruk op hem heeft gemaakt, gelet op de locatie van de zittingszaal (in een zwaarbeveiligde ruimte van een beveiligde kazerne), gevoegd bij de enorme impact van de onderhavige strafzaak op de samenleving van Curaçao, met alle daarbij behorende media-aandacht. Hij heeft dat ook te kennen gegeven: dat hij zich ongemakkelijk voelde tijdens het verhoor en dat het hem zwaar viel “hier” te verklaren. Bij een groot gedeelte van het verhoor door de raadsman heeft hij bovendien de verdachte steeds in het oog gehad, nu deze was gezeten tussen de raadsman en de getuige. Ondanks al het vorenstaande heeft de getuige getracht op alle gestelde vragen antwoord te geven of die nu werden gesteld door het Hof, de raadsman, of de procureur-generaal. In het geval waarin hij een aan hem gestelde vraag niet (goed) begreep heeft hij dat kenbaar gemaakt. Hij is bij de inhoud van zijn verklaringen in 2017 gebleven en heeft die genuanceerd. Het Hof hecht er waarde aan dat [getuige 3] onder voornoemde omstandigheden bij de inhoud van zijn verklaringen, afgelegd in 2017 is gebleven.

Door de raadsman is met nadruk betoogd dat de verklaringen van [getuige 3] door het openbaar ministerie zijn “gekocht”, waarna de nieuwe, door [getuige 3], te varen koers hem op een presenteerblaadje is aangeboden door hem sturende vragen te stellen.

Het Hof ziet onder ogen dat het door de officier van justitie benaderen van een getuige, deze (en diens moeder) een schikkingsvoorstel in hun eigen strafzaak doet, waarna het tot een de verdachte mogelijk belastende verklaring door die getuige komt, vragen van uiteenlopende aard kan oproepen. De enige vraag die het Hof evenwel dient te beantwoorden is of de getuige door die schikking (en het behoud van - de opbrengst van - twee auto’s) is bewogen tot het als getuige afleggen van een verklaring die in strijd met de waarheid is.

[getuige 3] heeft, gehoord als getuige ter terechtzitting van het Hof op 20 januari 2021, verklaard dat hij inderdaad voelde dat hij na het ondertekenen van het schikkingsvoorstel een verklaring moest afleggen over de zaak [slachtoffer] maar dat daarbij voor hem ook een rol heeft gespeeld dat zijn broer niet meer in leven was en derhalve hij hem niet meer hoefde te beschermen. Voorts heeft hij verklaard dat hij in oktober 2017 na het ondertekenen van het schikkingsvoorstel de waarheid heeft gesproken omdat de politie duidelijk had gezegd dat, indien hij niet de waarheid zou spreken, hij dan in de problemen zou komen. Voorts is [getuige 3] gevraagd of iemand hem heeft ingefluisterd welke namen hij moest noemen, waaronder [bedrijfsnaam 2]. Die vraag heeft hij nadrukkelijk en met een ondubbelzinnig “nee” beantwoord. Het Hof hecht geloof aan deze verklaring van [getuige 3] gelet op de wijze waarop hij die heeft afgelegd en de omstandigheden waaronder, zoals hiervoor is weergegeven. Aan de stelling van de raadsman dat (de omvang van) het voordeel voor de verdachte en diens moeder een rol heeft gespeeld bij de inhoud van de verklaringen van [getuige 3] gaat het Hof dan ook voorbij. Dat geldt ook voor zijn stelling dat -kort gezegd- [getuige 3] door een sturende vraagstelling in strijd met de waarheid de verdachte (mogelijk) heeft belast. Overigens en daarop voortbordurend zou het in dat laatste geval meer voor de hand hebben gelegen dat [getuige 3] zou hebben verklaard dat hij van zijn broer had gehoord dat de verdachte de opdrachtgever van de moord was. Dat is niet gebeurd. Dat [getuige 3] na bedoelde vraag in 2017, ter plaatse een verhaal zou hebben verzonnen, is voorts slecht voorstelbaar.

Door de raadsman is nog erop gewezen dat de verklaringen van [getuige 3] niet juist kúnnen zijn. Dat is het geval omdat hij zijn verklaring heeft “opgehangen” aan het beëindigen van zijn arbeidscontract bij de Curaçaose militie, terwijl hij in zijn verklaring van 5 juni 2013 heeft verklaard dat zijn dienstverband verlengd was tot en met september 2014.

Het Hof gaat hieraan voorbij, nu [getuige 3] heeft verklaard dat het bewuste gesprek kort voor de moord op [slachtoffer] heeft plaatsgevonden en hij toen (derhalve kort voor 5 mei 2013) niet wist of zijn dienstverband zou worden verlengd. Dat het openbaar ministerie hier geen onderzoek naar heeft ingesteld roept dan ook geen verbazing op, waarbij het Hof opmerkt dat de verdediging in eerste aanleg noch in hoger beroep om een dergelijk onderzoek heeft verzocht. Dat in 2013 het aantal arbeidsplaatsen bij defensie, marine en militie zou zijn gestegen, zoals de raadsman nog heeft betoogd, maakt dat niet anders.

Door de raadsman is tot slot nog aangevoerd dat in de communicatie tussen [medeverdachte 3] en [getuige 3], toen eerstgenoemde gedetineerd was, niet is gerefereerd aan het gesprek tussen beide broers over personen bij [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 3]/[bedrijfsnaam 4]. Dat is volgens de verdediging een belangrijke constatering omdat het een contra-indicatie oplevert voor de juistheid van de verklaringen van [getuige 3]. Indien het gesprek zou hebben plaatsgevonden dan zou [medeverdachte 3] zijn broer hierover wel instructies hebben gegeven, zou hij zijn broer wel hebben geïnstrueerd om op zoek te gaan naar die personen en zou [medeverdachte 3] tegenover zijn broer niet hebben ontkend dat hij iets met de moord op [slachtoffer] te maken had.

Het Hof ziet niet in dat en waarom het niet-spreken over het gesprek en/of de personen van [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 3]/[bedrijfsnaam 4] tot de conclusie moet leiden dat de verklaringen van [getuige 3] niet juist zijn.

De conclusies die [getuige 3] heeft getrokken naar aanleiding van het gesprek met zijn broer, inhoudende dat zijn broer betrokken is geweest bij de moord op [slachtoffer], dat het klusje/het werk waarover zijn broer sprak de moord op [slachtoffer] moet zijn geweest en dat [medeverdachte 3] op de verdachte doelde toen hij sprak over een persoon bij [bedrijfsnaam 2] die veel geld had, gebruikt het Hof niet voor het bewijs, zodat het daarop betrekking hebbende verweer onbesproken kan blijven.

Van de twee deelnemers aan het gesprek over het doen van een klusje c.q. een werk voor de persoon bij [bedrijfsnaam 2] die veel geld had, is alleen de getuige nog in leven. Er is derhalve geen derde die de inhoud van dit gesprek kan bevestigen of betwisten. Een bevestiging voor de verklaringen van de getuige over dit gesprek kan echter wel worden gevonden in de verklaring van [getuige 1] met wie [medeverdachte 3] ook heeft gesproken over een werkopdracht voor de verdachte. Dat [getuige 3], na instructie daarvoor door zijn broer, zijn CV aan [medeverdachte 1] heeft gegeven opdat deze dat CV in handen van onder meer de hooggeplaatste persoon bij [bedrijfsnaam 2] kon geven, draagt ook bij aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige 3], reeds nu uit de verklaringen van zowel [getuige 1] als [getuige 2] rechtstreeks volgt dat [medeverdachte 1] de persoon was die de contacten met de verdachte onderhield. Tot slot acht het Hof van belang dat het niet bijzonder was dat [medeverdachte 3] dit soort (criminele) zaken met zijn broer [getuige 3] besprak. Zo sprak [medeverdachte 3] ook met hem over zijn betrokkenheid bij de overval op het Renaissance hotel. Dat [medeverdachte 3] daarbij betrokken was volgt uit diverse verklaringen van andere getuigen7.


De verdediging heeft ook met betrekking tot de verklaringen van [getuige 3], onder verwijzing naar de uitspraak van het EHRM in de zaak van Adamco tegen Slowakije, ten verwere aangevoerd dat verdachtes recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM wordt geschonden, indien deze verklaringen door het Hof worden gebruikt voor het bewijs.

Het Hof verwerpt ook dit onderdeel van het verweer. Uit de verklaringen van [getuige 3] volgt, dat hij mede als gevolg van de tot stand gekomen schikking wel voelde dat hij moest verklaren over zijn broer [medeverdachte 3], maar niet dat hij in ruil voor die schikking gehouden was belastend over de verdachte te verklaren. Voorts acht het Hof bij zijn oordeel van belang dat het openbaar ministerie opening van zaken over de schikking in kwestie heeft gegeven, door deze ambtshalve aan het procesdossier toe te voegen, terwijl de verdediging de gelegenheid heeft gehad [getuige 3] ter terechtzitting op dit punt als getuige te horen, welke gelegenheid ook serieus is benut.

Gelet op al het vorenstaande acht het Hof de verklaringen van [getuige 3] betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.

5.6

De betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuigen [getuige 4] en [getuige 5]

5.6.1

Beoordeling door het Hof

[getuige 4] en [getuige 5] hebben - kort gezegd - verklaard dat [medeverdachte 1] in de periode voor de moord op [slachtoffer] vaak op bezoek kwam bij de verdachte op het kantoor van zijn onderneming [bedrijfsnaam 2], en dat [medeverdachte 1] op verschillende momenten het kantoor verliet met gevulde enveloppen dan wel met een stapel bankbiljetten in zijn broekzak ([getuige 5]).

Het Hof overweegt ambtshalve als volgt.

Het Hof ziet geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 4] en [getuige 5] te twijfelen. Het Hof constateert dat de getuigen op hoofdlijnen en essentiële onderdelen consistent en gelijkluidend hebben verklaard en dat hun verklaringen elkaar onderling versterken. [getuige 4] en [getuige 5] zijn meerdere keren gehoord en de verklaringen zowel afgelegd bij de politie als ten overstaan van de rechter-commissaris zijn op hooflijnen gelijkluidend gebleven.

[getuige 4] en [getuige 5] waren toentertijd werkzaam voor de verdachte op zijn kantoor. [getuige 5] werkte daar bijna vijf jaar en kende de verdachte al langer dan vijfentwintig jaar. Hij beschouwde zichzelf als een vertrouwenspersoon van de verdachte. [getuige 4] en [getuige 5] hebben, ieder voor zich, verklaard over de verschillende bezoeken van [medeverdachte 1] aan de verdachte op het kantoor, en over de verschillende keren dat zij hebben waargenomen dat [medeverdachte 1] met geld/enveloppen het kantoor van de verdachte verliet. De verklaringen van [getuige 4] en [getuige 5] vinden niet alleen over en weer steun, maar bovendien in verklaringen van anderen, werkzaam bij [bedrijfsnaam 2]. Zo blijkt uit de verklaring van 17 augustus 2016 van [getuige 13], directrice van [bedrijfsnaam 2] en voormalige vriendin van de verdachte, dat het haar ook was opgevallen dat [medeverdachte 1] vaak bij de verdachte op het kantoor langskwam, en dat de verdachte [medeverdachte 1] ook een aantal keer buiten het kantoor ontmoette. Zij heeft de verdachte hiermee geconfronteerd, omdat zij de band tussen de verdachte en [medeverdachte 1], over wie werd verteld dat hij in de drugswereld zat, niet begreep. Op de vraag waarom de verdachte omging met [medeverdachte 1], heeft de verdachte haar medegedeeld dat [medeverdachte 1] geld kwam vragen8. Verder blijkt uit de verklaring van 18 september 2014 van [getuige 12], werknemer van de verdachte, dat [medeverdachte 1] bij het verlaten van het kantoor aan de verdachte vroeg of dit het eerste gedeelte was. Volgens [getuige 12] snoerde de verdachte op dat moment [medeverdachte 1] de mond, omdat hij kennelijk niet wilde dat [getuige 12] dit zou horen. [getuige 12] heeft achteraf de conclusie getrokken dat dit gesprek over geld ging9. De verdachte10 heeft verklaard dat hij in die periode beschikking had over veel cash geld en dat hij op het kantoor aan [medeverdachte 1] en aan zijn broer geld heeft gegeven. Aan zijn verklaring dat het zou gaan om slechts een paar honderd gulden wordt, gelet op de gebezigde bewijsmiddelen, geen geloof gehecht.

5.6.2

Bespreking van verweren

De raadsman heeft bepleit dat de verklaringen van [getuige 4] en [getuige 5] als onbetrouwbaar zullen worden aangemerkt en derhalve moeten worden uitgesloten van het bewijs voor het ten laste gelegde. Dit verweer is op de volgende pijlers gestoeld.

Allereerst heeft de raadsman geopperd dat de jegens de verdachte belastende verklaringen van [getuige 4] en [getuige 5] niet berusten op eigen waarnemingen, maar zouden zijn ingegeven door de geruchtenstroom die op gang is gekomen na de arrestatie van de verdachte.

Het Hof gaat aan deze suggestie voorbij, nu zowel [getuige 4] als [getuige 5] in mei 2014, derhalve voordat de verdachte op 24 juli 2014 werd gearresteerd, belastend over hem hebben verklaard. Ook de suggestie dat [getuige 4] en [getuige 5] voordeel zouden hebben bij hun voor de verdachte belastend verklaren, snijdt geen hout. Zowel [getuige 4] als [getuige 5] hebben negatieve gevolgen ondervonden van hun verklaren over de verdachte. Beiden, toentertijd werkzaam op het kantoor van de verdachte, zijn twee dagen na het afleggen van hun verklaringen op non-actief gesteld, vanwege vermeende schending van hun geheimhoudingsplicht en zijn niet meer wedergekeerd op het werk. Tevens hebben zij gevreesd voor hun veiligheid en de veiligheid van hun familie.

Voorts is door de raadsman aangevoerd dat [getuige 4] en [getuige 5] zo sterk wisselend hebben verklaard, dat daardoor de betrouwbaarheid van hun verklaringen in de kern is aangetast.

Verklaringen [getuige 4]

Ten aanzien van de verklaring van [getuige 4] heeft de raadsman - in de kern genomen - betoogd dat [getuige 4] sterk wisselend heeft verklaard over de frequentie van de bezoeken van [medeverdachte 1] aan de verdachte, uiteenlopend van in totaal vijf of zes bezoeken (eerste verklaring) tot een veelvoud daarvan (latere verklaringen). Het Hof volgt dit betoog niet. De conclusie van de raadsman dat [getuige 4] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] in totaal vijf of zes keer bij de verdachte op kantoor op bezoek is geweest, berust kennelijk op een onjuiste lezing van de verklaring van 1 mei 2014 van [getuige 4]. [getuige 4] heeft bij die gelegenheid verklaard dat [medeverdachte 1] vóór de moord op [slachtoffer] vaker langskwam dan na de moord. Hij heeft niet een totaalaantal genoemd, maar heeft aangegeven dat [medeverdachte 1] in de periode voor de moord op [slachtoffer] in een week tijd ongeveer vier of vijf keer langskwam. Deze verklaring sluit aan bij zijn latere verklaringen dat [medeverdachte 1] in april 2013 vaak langskwam bij de verdachte op het kantoor, niet elke dag, maar wel vaak, elke werkdag. Daarbij komt, dat dit bovendien steun vindt in de verklaring van [getuige 5], inhoudend dat [medeverdachte 1] in de periode rond de moord op [slachtoffer] heel vaak bij de verdachte op kantoor langskwam, soms elke dag, soms om de twee dagen, uitgaande van de werkdagen van [getuige 5] waarop hij dat heeft kunnen waarnemen.

Voorts heeft de raadsman betoogd dat de verklaring van [getuige 4] onbetrouwbaar moet worden geacht, nu [getuige 4] in 2016 opeens met een uitgebreide verklaring is gekomen over zijn waarnemingen dat [medeverdachte 1] in de periode voor de moord op [slachtoffer] verschillende keren het kantoor van de verdachte heeft verlaten met enveloppen met geld, terwijl hij daar eerder niet over heeft verklaard.

Het Hof stelt vast dat [getuige 4] tijdens zijn vierde verhoor op 22 maart 2016 voor het eerst specifiek en gedetailleerd heeft verklaard dat hij heeft waargenomen dat [medeverdachte 1] het kantoor van de verdachte verliet met enveloppen. Hij heeft uitgebreid en gedetailleerd verklaard over zijn wetenschap dat de door hem genoemde bruine enveloppe, waarmee [medeverdachte 1] het kantoor van de verdachte verliet, was gevuld met geld. Het Hof stelt vast dat [getuige 4] deze verklaring in 2016 heeft afgelegd, nadat de verhorende verbalisanten [getuige 4] hadden geconfronteerd met een verklaring van [getuige 5]. [getuige 4] meende dat [getuige 5] over een gebeurtenis had verklaard, die [getuige 4] had waargenomen en niet [getuige 5]. Dit was voor [getuige 4] aanleiding om te verklaren over zijn eigen waarnemingen, die afweken van de waarnemingen van [getuige 5]. In een later verhoor heeft [getuige 4] aangegeven dat het kan zijn dat hij en [getuige 5] hebben verklaard over verschillende gebeurtenissen. De aanleiding om eerst in 2016 over zijn waarnemingen met betrekking tot de enveloppen te verklaren was er voor [getuige 4] derhalve in gelegen dat hij werd geconfronteerd met de verklaring van een andere getuige, waarvan hij meende dat die niet klopte. Hierop heeft hij zijn eigen specifieke en gedetailleerde waarnemingen verteld over de gebeurtenissen die hij zelf had meegemaakt. Gelet op de aanleiding om te verklaren als ook de inhoudelijke gedetailleerdheid van de verklaring, en gelet op het feit dat deze verklaring steun vindt in de verklaringen van [getuige 5], [getuige 13] en [getuige 12], is het Hof van oordeel dat de enkele omstandigheid dat [getuige 4] eerst in 2016 op dit punt een verklaring heeft afgelegd, niet maakt dat deze verklaring als onbetrouwbaar moet worden geoordeeld. Het Hof verwijst op deze plaats nog eens naar wat in dit vonnis inleidend ten aanzien van getuigenbewijs is overwogen.

Ook het feit dat uit de door de raadsman bij pleidooi overgelegde bankafschriften van [naam bank] blijkt dat [getuige 4] in de periode van 1 april 2013 tot en met 5 mei 2013 geen contant geld van die betreffende bankrekening heeft opgehaald, dwingt niet tot deze conclusie, reeds nu vaststaat dat het bedrijf van de verdachte beschikte over meerdere bankrekeningen en ook dat de verdachte kon beschikken over meerdere en andere bankrekeningen dan die van het bedrijf (waaronder de niet aan het bedrijf gelieerde bankrekening van de stichting [naam stichting 1], waarop het subsidiegeld werd gestort).

Verklaringen [getuige 5]

Ten aanzien van de verklaring van [getuige 5] heeft de raadsman - in de kern genomen – allereerst gesteld dat [getuige 5] sterk wisselend en tegenstrijdig heeft verklaard over het aantal keren dat hij heeft waargenomen dat [medeverdachte 1] het kantoor van de verdachte verliet met gevulde enveloppen met geld of met een stapel cash geld in zijn broekzak. Anders dan de raadsman, is het Hof van oordeel dat [getuige 5] hieromtrent niet wisselend noch tegenstrijdig heeft verklaard. Het Hof stelt vast dat [getuige 5] tijdens zijn eerste verhoor heeft verklaard dat [medeverdachte 1] heel vaak naar het kantoor van de verdachte kwam om geld te halen, dat hij, [getuige 5], dat meerdere keren heeft gezien. Twee voorbeelden staan [getuige 5] nog helder voor de geest. Namelijk die ene keer dat hij voor de verdachte cash geld in een enveloppe bij de bank had opgehaald en hij vervolgens zag dat [medeverdachte 1] met diezelfde enveloppe het kantoor van de verdachte verliet en een andere keer dat hij zag dat [medeverdachte 1] met niets binnenkwam en met een stapel geld in zijn broekzak het kantoor van de verdachte weer verliet. Tijdens zijn tweede verhoor heeft [getuige 5] zijn verklaring dat hij meerdere keren heeft gezien dat [medeverdachte 1] met geld wegging, nader gespecificeerd, te weten dat er weken waren dat hij heeft gezien dat [medeverdachte 1] een- of tweemaal per week met geld wegging en dat er ook wel eens een week was waarin hij dat niet heeft gezien. De conclusie van de raadsman dat [getuige 5] eerst heeft verklaard in totaal tweemaal te hebben waargenomen dat [medeverdachte 1] met geld het kantoor van de verdachte verliet, en dat hij dit aantal in zijn latere verklaringen explosief heeft verhoogd, is derhalve een onjuiste. Evenmin volgt het Hof de raadsman in de stelling dat er strijdigheid bestaat tussen de verklaring van [getuige 5] dat hij nooit een daadwerkelijke overdracht van geld heeft gezien tussen de verdachte en [medeverdachte 1] enerzijds en zijn verklaring dat hij meerdere keren heeft waargenomen dat [medeverdachte 1] met lege zakken het kantoor van de verdachte binnenkwam en met gevulde enveloppen met geld dan wel met een stapel cash geld in zijn broekzak het kantoor van de verdachte weer verliet anderzijds.

Verder heeft de raadsman gesteld dat [getuige 5] op 1 en 5 mei 2014 tegenstrijdig heeft verklaard over het bezoek van de broer van [medeverdachte 1] op het kantoor van de verdachte. Volgens de raadsman is [getuige 5] een getuige die op 1 mei 2014 heeft gezegd dat hij niet heeft gezien dat de broer van [medeverdachte 1] vertrok en op 5 mei 2014, nota bene vier dagen later, heeft verteld dat hij heeft gezien dat de broer van [medeverdachte 1] het pand verliet en dat de verdachte zonder geld in de broekzak achterbleef. Het Hof stelt vast dat [getuige 5] tijdens zijn eerste verhoor op 1 mei 2014 heeft verklaard dat hij niet heeft gezien dat de broer van [medeverdachte 1] naar buiten is gegaan om weg te gaan, omdat [getuige 5] toen al was weggegaan. Tijdens zijn tweede verhoor op 5 mei 2014 heeft [getuige 5] verklaard dat hij heeft gezien dat de broer van [medeverdachte 1] en de verdachte de achterste kantoorruimte ingingen en dat ze vervolgens deze kantoorruimte uitgingen en naar de kantoorruimte van de verdachte gingen. [getuige 5] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat de broer van [medeverdachte 1] en de verdachte de kantoorruimte uitgingen, niet dat hij heeft gezien dat de broer van [medeverdachte 1] naar buiten ging en het bedrijfspand verliet. De conclusie van de raadsman dat [getuige 5] tegenstrijdig heeft verklaard, deelt het Hof dan ook niet.

Prikklokgegevens

Tot slot heeft de raadsman gesteld dat de verklaringen van [getuige 4] en [getuige 5] omtrent de bezoeken van [medeverdachte 1] in hun geheel aantoonbaar onjuist zijn, gelet op de door de raadsman bij pleidooi gereproduceerde prikklokgegevens van het kantoor van de verdachte, met name de urenregistratie van [getuige 4] en [getuige 5] in de periode van 30 maart 2013 tot en met 5 mei 2013. De verklaringen van [getuige 4] en [getuige 5] omtrent hun werktijden en omtrent de tijdstippen van de bezoeken van [medeverdachte 1] komen niet overeen met de prikklokgegevens, aldus de raadsman.

Vastgesteld wordt dat [getuige 4] en [getuige 5] in mei 2014 hebben verklaard dat de bezoeken van [medeverdachte 1] aan de verdachte op het kantoor rond sluitingstijd plaatsvonden, te weten rond 17.00 uur. [getuige 4] heeft hierover verklaard dat [medeverdachte 1] na vijven langskwam, maar ook wel eens aan het einde van de middag als er nog andere collega’s aanwezig waren. [getuige 5] heeft verklaard dat hij op dinsdag en donderdag tot 17.00 uur werkte en dat hij op maandag, woensdag en vrijdag ook na 17.00 uur werkte. [medeverdachte 1] kwam op die dagen rond 17.15 of 17.30 uur op het kantoor langs, waarbij [getuige 5] [medeverdachte 1] soms ook buiten trof. Uitgaande van de juistheid van het in de pleitnota neergelegde overzicht van de prikklokgegevens, dwingt nadere bestudering van deze prikklokgegevens, anders dan de raadsman heeft betoogd niet tot de conclusie dat de verklaringen van [getuige 4] en [getuige 5] aantoonbaar onjuist zijn.

De raadsman heeft erop gewezen dat [getuige 5] op 15 maart 2016 heeft verklaard dat hij zich een dag kan herinneren dat hij [medeverdachte 1] een maand of anderhalve maand voor de moord op [slachtoffer], derhalve in maart/april 2013, een keer rond 19.30 uur op het kantoor van de verdachte heeft gezien, terwijl uit de prikklokgegevens blijkt dat [getuige 5] in die periode niet later dan 18.37 uur het kantoor heeft verlaten. Het Hof stelt vast dat uit de prikklokgegevens eveneens blijkt [getuige 5] in die periode – kennelijk – ook niet heeft uitgeklokt, hetgeen overeenkomt met zijn verklaring dat hij de prikklok niet (altijd) gebruikte11. Gelet hierop kan, anders dan de raadsman heeft betoogd, niet met zekerheid worden gesteld dat [getuige 5] in die periode nimmer om 19.30 uur op het kantoor aanwezig was. Daarnaast is sprake van fors tijdsverloop tussen het afleggen van de verklaring in maart 2016 en de betreffende gebeurtenis in maart/april 2013 en is het verschil tussen 18.09 dan wel 18.37 uur (wel geregistreerde tijdstippen van [getuige 5] op de prikklok) en 19.30 uur (het door [getuige 5] in 2016 genoemde tijdstip) in dat licht verwaarloosbaar te achten. De door [getuige 5] in 2016 afgelegde verklaring sluit qua tijdstip in hoofdlijnen aan bij eerdere verklaringen van [getuige 5] - als ook van [getuige 4] - dat [medeverdachte 1] rond dan wel na sluitingstijd van het kantoor bij de verdachte langskwam. Het Hof stelt vast dat wat ten aanzien van deze getuigen ten verwere is aangevoerd een treffend voorbeeld vormt van wat in dit vonnis inleidend over getuigenbewijs is overwogen.

5.6.3

Conclusie

Het Hof verwerpt de ten aanzien van deze getuigen gevoerde verweren in al zijn onderdelen en waardeert hun verklaringen als betrouwbaar en mitsdien bruikbaar voor het bewijs.

5.7

De getuige [medeverdachte 2]

De raadsman heeft ook ten aanzien van de verklaringen van [medeverdachte 2], onder verwijzing naar een uitspraak van het EHRM in de zaak van Adamco tegen Slowakije, ten verwere aangevoerd dat verdachtes recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM wordt geschonden, indien deze verklaringen door het Hof gebruikt worden voor het bewijs. Het Hof verwerpt het verweer, reeds omdat [medeverdachte 2] geen de verdachte belastende verklaringen heeft afgelegd in ruil voor – kort gezegd - voordelen in zijn eigen strafzaak.

5.8

De duiding van de sms-berichten en het bezoek van [broer medeverdachte 1] aan de verdachte

5.8.1

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat aan de inhoud van de sms-berichten tussen de verdachte en [medeverdachte 1] een geheel andere betekenis dient te worden toegekend dan het openbaar ministerie en het Gerecht hebben gedaan. De berichten hebben niets te maken met (voorbereidingen van) de moord op [slachtoffer]. De woorden ‘werk/werken’, genoemd in de sms-berichten van 25 en 30 april 2013 zien niet op dat delict of wat daarmee samenhangt, en het woord ‘uniform’ in het bericht van 30 april 2013 is geen codewoord voor degenen die de moord hebben uitgevoerd. Bovendien staat die interpretatie haaks op verklaringen die getuigen hebben afgelegd. Voorts is het niet vreemd dat de verdachte en [medeverdachte 1] elkaar vanaf de dag van de moord op [slachtoffer] tot en met 5 juli 2013 geen sms-berichten meer hebben gestuurd. Die stilte valt ook in een patroon: de verdachte en [medeverdachte 1] stuurden elkaar onregelmatig berichten, soms maandenlang niet.

De raadsman heeft ter ondersteuning van dit onderdeel van het verweer gewezen op drie valkuilen die hij ziet bij de interpretatie van de inhoud van de sms-berichten, zoals die zijn gewisseld tussen de verdachte en [medeverdachte 1]. Waar de verdachte zélf een uitleg heeft gegeven over de inhoud van de sms-berichten moet onder ogen worden gezien dat die niet is gebaseerd op zijn daadwerkelijke herinnering, maar op verbanden die hem zijn verteld. Ook ter terechtzitting in eerste aanleg voelde de verdachte zich geroepen tekst en uitleg te geven over de sms-berichten. Zijn verklaring op die terechtzitting is evenmin gebaseerd op een daadwerkelijke herinnering van de verdachte, maar is slechts afgelegd vanuit zijn wens om duidelijk te maken dat de aan hem voorgehouden suggesties niet juist waren.

Ten aanzien van het bezoek van [broer medeverdachte 1] aan de verdachte heeft de raadsman betoogd dat uit de e-mail van [getuige 17], de receptioniste van [bedrijfsnaam 2], aan de verdachte weliswaar blijkt dat [broer medeverdachte 1] op 11 februari 2014 langs is geweest op het kantoor van de verdachte, maar dat uit de daaropvolgende mails kan worden afgeleid dat de broer van [medeverdachte 1] niet dezelfde middag is teruggekomen. De raadsman heeft voorts aangevoerd dat uit het dossier geenszins volgt dat [broer medeverdachte 1] geld heeft gekregen van de verdachte voor de advocaatkosten van [medeverdachte 1].

5.8.2

Standpunt van de procureur-generaal

De procureur-generaal heeft betoogd dat het sms-verkeer qua context en tijd aansluit op de overige bewijsmiddelen, en betrekking heeft op de voorbereidingen van de moord op [slachtoffer]. Voorts heeft de procureur-generaal zich op het standpunt gesteld dat uit heimelijk afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken van [medeverdachte 1] c.s. in de periode vanaf 30 januari 2014 tot en met 13 februari 2014, volgt dat de broer van [medeverdachte 1] geld van de verdachte heeft gekregen, vermoedelijk voor [medeverdachte 1].

5.8.3

Beoordeling door het Hof

Vaststaat dat de verdachte en [medeverdachte 1] in de periode van 25 april 2013 tot en met 4 mei 2013 een aantal sms-berichten (hierna: de sms-berichten) naar elkaar hebben verzonden. Voor het begrip van de inhoud van die berichten heeft als uitgangspunt te gelden dat de letterlijke tekst daarvan die inhoud weergeeft. Anders gezegd: er staat wat er staat. Dat kan echter anders zijn indien die lezing niet logisch is, in strijd is met hetgeen de gespreksdeelnemers daarover hebben verklaard en/of in strijd is met de inhoud van het dossier.

Op 25 april 2013 om 10.38 uur heeft de verdachte aan [medeverdachte 1] het volgende sms-bericht gestuurd:

“ma han un trabow di 4 ora kizaz pa abo ora bo tin chens pasa”

(Ik heb werk voor vier uren, misschien iets voor jou. Kom langs wanneer je tijd hebt)

Dit bericht gaat over ‘werk (…), misschien iets voor jou’. Daaruit volgt dat het gaat om werk voor [medeverdachte 1] zelf, en niet om werk voor anderen met wie [medeverdachte 1] volgens de verdachte weleens op zijn werk verscheen en voor wie [medeverdachte 1] werk zocht12. De verdachte en [medeverdachte 1] hebben echter ieder voor zich verklaard dat [medeverdachte 1] nooit heeft gewerkt voor de verdachte en dat [medeverdachte 1] ook geen beveiligingswerk voor de verdachte wilde doen.13 Ook [getuige 13], directrice bij [bedrijfsnaam 2], en [getuige 11], goede vriend van [medeverdachte 1], hebben als getuigen verklaard dat [medeverdachte 1] nooit voor [bedrijfsnaam 2] heeft gewerkt14. Het werk waarover in voornoemd sms-bericht wordt gesproken kan daarom dan ook niet gaan over beveiligingswerk bij [bedrijfsnaam 2].

De andersluidende verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg van 10 juni 2019 (ik had parttime werk voor vier uren in de beveiliging) maakt die conclusie niet anders. Het Hof hecht gelet op het voorgaande geen geloof aan deze verklaring, te meer nu door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd dat de verdachte aan het sms-bericht zelf geen specifieke herinnering heeft, maar die verklaring was gebaseerd op een reconstructie die was ontleend aan de kennis over zijn bedrijf.

Aan dit sms-bericht over het werk wordt blijkens de daaropvolgende sms-berichten een vervolg gegeven. Zo blijkt uit het bericht van 30 april 2013 om 15.28 uur dat [medeverdachte 1] aan de verdachte vraagt wanneer hij hem (de verdachte) kan zien, zodat hij kan beginnen met werken en zegt hij dat hij reeds zijn uniformen heeft. Daarop nodigt de verdachte [medeverdachte 1] uit om bij hem thuis langs te komen, zodat hij ze kan zien (sms-bericht van 30 april 2013 om 15.42 uur) en is [medeverdachte 1] daar volgens zijn sms-bericht op 30 april 16.01 uur (sms-bericht van die datum en dat tijdstip). Een paar dagen later, op 3 mei 2013 om 14.33 uur, sms’t [medeverdachte 1] naar de verdachte dat de vriend er deze dagen niet is om hem te helpen bij het werk, omdat hij in het buitenland is (cursivering en onderstreping door het Hof).

Nu het werk waarover in de sms-berichten wordt gesproken geen beveiligingswerk voor [bedrijfsnaam 2] kan zijn rijst de vraag welk werk dan wél wordt bedoeld. Voor de uitleg die de verdachte en [medeverdachte 1] aan de sms-berichten hebben gegeven biedt het dossier geen enkele steun. Daaraan voegt het Hof nog toe dat ook voor de uitleg die de verdachte en [medeverdachte 1] aan het woord “uniformen” geven, te weten dat het zou gaan om baseball uniformen, het dossier geen enkele steun biedt. Ook de persoon voor wie die uniformen zouden zijn bedoeld, ondersteunt deze verklaringen niet15.

Uit de te bezigen bewijsmiddelen volgt echter wel dat [medeverdachte 1] een organiserende rol in de uitvoering van de moord op [slachtoffer] heeft gehad en dat hij daarover met de verdachte in onderhandeling was. Bij gebreke van een redelijke uitleg over de inhoud van de sms-berichten zullen deze met die vaststelling in het achterhoofd worden gelezen.

Het Hof stelt vast dat de berichten naar hun letterlijke tekst niet te begrijpen zijn en dat er onmiskenbaar gebruik is gemaakt van versluierend taalgebruik. Het Hof is van oordeel dat mede gelet op de inhoud van de overige bewijsmiddelen het niet anders kan zijn dat met het woord ‘werk’ de moord op [slachtoffer] is bedoeld.

Deze vaststelling wordt door het navolgende ondersteund.

Tijdens de detentie van [medeverdachte 1] is een aantal telefoongesprekken tussen hem en zijn vriendin en tussen hem en zijn vader heimelijk afgeluisterd en opgenomen. Uit de telefoongesprekken van 30 januari 2014 en 4 februari 2014, gevoerd tussen [medeverdachte 1] en zijn vriendin volgt, dat de advocaat van [medeverdachte 1] moest worden betaald en dat zijn moeder daarvoor de helft opzij had gezet. Uit het tapgesprek van 3 februari 2014 tussen de vader van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] blijkt dat het bedrag dat aan de advocaat moest worden betaald twee keer zoveel was als de vorige keer en dat [medeverdachte 1] tegen zijn vader heeft gezegd dat hij tegen [voornaam broer medeverdachte 1] (het Hof begrijpt: de broer van [medeverdachte 1]) moest zeggen ‘om te kijken hoe en wat’. In het telefoongesprek van 8 februari 2014 tussen [medeverdachte 1] en zijn vader vertelt zijn vader hem dat er voor dat ding geen probleem is, omdat ‘mama’ het zou regelen totdat zij één van de mensen die moesten betalen hadden bereikt. Voorts zegt de vader van [medeverdachte 1] dat hij [broer medeverdachte 1] had gevraagd om bij de man voor wie hij ([medeverdachte 1]) had gewerkt (onderstreping Hof) langs te rijden, om te kijken of de auto er staat en dat [broer medeverdachte 1] heeft gezegd dat hij tegen de werknemers had gezegd om de man te melden dat [broer medeverdachte 1] langs was geweest. Uit het tapgesprek van 13 februari 2014, gevoerd tussen [medeverdachte 1] en zijn vader, blijkt vervolgens dat het [broer medeverdachte 1] is gelukt met dat ding.

Uit de verklaringen van [getuige 5] en [getuige 4] volgt dat [broer medeverdachte 1] inderdaad begin 2014 naar het kantoor van [bedrijfsnaam 2] is gegaan en tegen de receptioniste heeft gezegd dat hij met de verdachte wilde praten. Zowel [getuige 5] als [getuige 4] hebben verklaard dat de broer van [medeverdachte 1] (een paar dagen) later terugkwam. Uit een e-mail van die receptioniste gericht aan de verdachte blijkt dat [broer medeverdachte 1] op 11 februari 2014 langs is geweest en een afspraak met de verdachte wilde maken16. Die afspraak is kennelijk gemaakt want zowel [getuige 5] als [getuige 4] hebben gezien dat de verdachte met de broer van [medeverdachte 1] de achterste kantoorruimte van het kantoor van [bedrijfsnaam 2] is binnengegaan en dat de broekzakken van de verdachte vol met papiergeld zaten. [getuige 4] heeft hierover verklaard dat hij zag dat de broekzak van de verdachte vol met briefjes van NAf 100,- zat, zodanig vol dat zijn hand er niet meer in paste. Beiden hebben verklaard dat toen de verdachte en de broer van [medeverdachte 1] deze achterste kantoorruimte weer verlieten, de broekzakken van de verdachte leeg waren. Uit het afgeluisterde en opgenomen telefoongesprek van 13 februari 2014 blijkt vervolgens dat de vader van [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 1] meldt dat het de broer van [medeverdachte 1] is gelukt. Gelet op de verklaringen van [getuige 4] en [getuige 5], gelezen in samenhang met de inhoud van de bovengenoemde opgenomen telefoongesprekken tussen [medeverdachte 1] enerzijds en zijn vader dan wel zijn vriendin anderzijds, is er geen andere redelijke conclusie mogelijk dan dat de verdachte bij gelegenheid van hun ontmoeting in de achterste kantoorruimte aan de broer van [medeverdachte 1] een (grote) hoeveelheid cash geld heeft gegeven, waarmee de advocaat van [medeverdachte 1] kon worden betaald.

Zonder nadere uitleg aan de zijde van de verdachte, welke uitleg ontbreekt, valt niet in te zien waarom de verdachte zou moeten betalen voor de advocaat van [medeverdachte 1], zeker nu de verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte 1] een kennis van hem was en zeker geen vriend17.

Uit de in de bewijsmiddelen opgenomen sms-berichten van 25 april 2013 tot en met 4 mei 2013, gelezen in samenhang met de overige bewijsmiddelen, volgt dat de verdachte en [medeverdachte 1] over de opdracht tot moord contact onderhielden en tweemaal afspraken om elkaar bij de verdachte thuis te ontmoeten. Kennelijk kon of mocht over die moordopdracht niet nader per telecom worden gecommuniceerd. Voorts volgt uit die berichten dat een niet bij naam genoemd persoon die in het buitenland was, bij ‘het werk’ zou moeten helpen.

Ook het sms-bericht van 4 mei 2013 om 18.54 uur van [medeverdachte 1] aan de verdachte

“Mi ta wak drechi di e peki aja pami basila kune”
(ik zal dat meisje opzoeken zodat ik met haar kan stoeien)
past binnen de lezing dat de verdachte de opdracht tot de moord op [slachtoffer] aan [medeverdachte 1] heeft verstrekt. Opvallend is overigens dat uit het dossier naar voren komt dat het woord “stoeien” wordt gebruikt als het gaat om een gewelddadige handeling18.

Met dit bericht heeft [medeverdachte 1] kennelijk de verdachte een dag voor de moord kenbaar gemaakt dat alle seinen daarvoor op groen stonden en hij tot uitvoering van de opdracht over zou gaan. Deze interpretatie van het sms-bericht wordt ondersteund door de verklaring van de verdachte dat hij geen gemeenschappelijke dingen met [medeverdachte 1] had, zoals sport, vuurwapens, auto’s en vriendinnen19. Een bericht uit het niets van [medeverdachte 1] aan de verdachte over “het opzoeken van een meisje, zodat hij met haar kan stoeien” kan dan ook niet anders dan versluierend taalgebruik zijn. Voorts vindt deze interpretatie ondersteuning in hetgeen daarna plaatsvindt. [medeverdachte 1] neemt driemaal telefonisch contact met [medeverdachte 3] op, zijnde de persoon die de uitvoerders aanstuurde, en wel op 4 mei 2013 om 20.32 uur, 20.35 uur en op 5 mei 2013 te 0.03 uur, waarna [medeverdachte 3] de volgende dag onder meer [medeverdachte 2] (de schutter) benaderde, die de moordopdracht met enige spoed moest uitvoeren. [slachtoffer] is op 5 mei 2013 omstreeks 16.50 uur door [medeverdachte 2] vermoord.

Betekenisvol is ten slotte, dat de verdachte en [medeverdachte 1] sinds dat sms-bericht tot in ieder geval 5 juli 2013 geen sms-contact meer hebben gehad. Dat [medeverdachte 1] en de verdachte wel vaker elkaar maandenlang geen sms-berichten zouden wisselen, zoals door de raadsman is aangevoerd, maakt dat niet anders.

5.9

Conclusie

5.9.1

Ten aanzien van de betrokkenheid van de verdachte bij de moord op [slachtoffer]

Uit de verklaringen van [medeverdachte 2] en [getuige 1] volgt dat de opdracht tot de moord op [slachtoffer] enige tijd voor 5 mei 2013 is gegeven. Dat vindt bevestiging in de verklaring van [getuige 6]20.

Voorts volgt uit de verklaring van [getuige 1] dat die opdracht door de verdachte is gegeven. Dat vindt bevestiging in de verklaring van [getuige 2]. Ook is daarvoor ondersteuning te vinden in de verklaring van [getuige 3]. Dat een ander dan de verdachte de persoon bij [bedrijfsnaam 2] was die heel veel geld had, waarover [medeverdachte 3] sprak, is in het geheel niet aannemelijk geworden, terwijl het doen van een klusje/een werk voor iemand met tot gevolg dat je “die iemand” in je macht hebt, heel goed past bij het uitvoeren van een moordopdracht die “die iemand” heeft gegeven. Het Hof markeert het gegeven dat de verklaringen van [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] berusten op 2 bronnen van wetenschap. In het geval van [getuige 1] en [getuige 3] is [medeverdachte 3] de bron en in het geval van [getuige 2] is dat [medeverdachte 1].

Ook in de inhoud van de sms-berichten tussen [medeverdachte 1] en de verdachte en in de inhoud van de telefoongesprekken tussen [medeverdachte 1] en zijn vader kan verankering worden gevonden voor het feit dat het de verdachte is geweest die [medeverdachte 1] de opdracht voor de moord heeft gegeven. Dit vindt voorts nog ondersteuning in de verklaringen van de verdachte en [medeverdachte 1] zelf, waaruit volgt dat laatstgenoemde nooit werkzaamheden voor het bedrijf van eerstgenoemde heeft gedaan. In onderling (tijds)verband en samenhang met de overige bewijsmiddelen bezien, kan het daarom niet anders zijn dan dat met het werk waarover in voornoemde sms-berichten en telefoongesprekken wordt gesproken, de opdracht tot de moord op [slachtoffer] wordt bedoeld, waarbij het Hof verwijst naar hetgeen hierboven in paragraaf 5.8 is overwogen.

Dat op 4 mei 2013 door de verdachte de concrete opdracht tot uitvoering daarvan is gegeven aan [medeverdachte 1] vindt bevestiging in de telefonische contacten tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] op de avond van 4 mei 2013 en kort na middernacht, gevolgd door het benaderen van [medeverdachte 2] door [medeverdachte 3] op 5 mei 2013. Uit de verklaring van [medeverdachte 2] volgt, dat [medeverdachte 3] hem de opdracht gaf om [slachtoffer] nog diezelfde dag te vermoorden, maar in ieder geval voor maandagochtend 6 mei 2013. Uit de verklaring van [medeverdachte 2] volgt, dat er sprake was van een haastklus, hetgeen bevestiging vindt in de omstandigheid dat [medeverdachte 2] ter plaatse nog kleding van een derde moest lenen (een shirt met lange mouwen om zijn tatoeages te verbergen) en dat gebruik werd gemaakt van een door [medeverdachte 4] gehuurde auto (een “beroepsfout” zo begrijpt het Hof uit de op dit punt enigszins smalende verklaring van de door het Hof als getuige ter terechtzitting gehoorde [getuige 1]), en niet van - zoals het plan was - een tweetal gestolen auto’s21.

Dat de verdachte ook degene is geweest die voor de huurmoord heeft betaald volgt uit de verklaringen van [getuige 1], [getuige 4] en [getuige 5].

Voorts heeft het Hof acht geslagen op het gegeven dat de verdachte heeft bijgedragen aan de betaling van de advocaatkosten van [medeverdachte 1], toen deze zich als verdachte van het medeplegen van de moord op [slachtoffer] in voorlopige hechtenis bevond. Dit volgt onder meer uit de inhoud van telefoongesprekken die zijn gevoerd tussen [medeverdachte 1] enerzijds en zijn vader dan wel zijn vriendin anderzijds, en uit de verklaringen van [getuige 4] en [getuige 5], waarbij het Hof verwijst naar hetgeen eerder in de paragrafen 5.6 en 5.8 is overwogen. Het feit van die betaling past volledig bij de verdachte als opdrachtgever van [medeverdachte 1], terwijl de verdachte hiervoor geen aannemelijke verklaring heeft gegeven. Integendeel, hij heeft het doen van die betaling ontkend, naar het oordeel van het Hof tegen beter weten.

Dat laatste ziet het Hof terug in meer verklaringen van de verdachte. Zo heeft hij (aanvankelijk) verklaard:

- dat hij zich niet kon herinneren hoe hij hoorde van de moord op [slachtoffer] en dat hij kort na de moord niet nabij de pier van Marie Pampoen was geweest22 (dit terwijl meerdere mensen hem daar hebben gezien en hem ter plaatse is verteld van die moord23);

- dat hij zich niet kan herinneren of hij die dag contact heeft gehad met [getuige 15], de persoon die na het lossen van de schoten heeft gecontroleerd of [slachtoffer] nog in leven was24 (dit terwijl hij [getuige 15] in de avond van 5 mei 2013 gedurende bijna 14 minuten heeft gebeld en deze herhaaldelijk heeft gevraagd of [slachtoffer] nog iets had gezegd en ook vragen over de schutter heeft gesteld25);

- dat hij geen telefoonnummer van [medeverdachte 1] had en niet weet of hij contact met hem had via sms26 (dit terwijl hij herhaaldelijk via sms-berichten contact met hem had);

- dat [medeverdachte 1] ongeveer eens per maand met anderen bij [bedrijfsnaam 2] kwam voor werk en misschien ook wel eens alleen27 (dit terwijl uit de verklaringen van [getuige 4] en [getuige 5] het tegendeel blijkt) en

- dat hij niets weet van een broer van [medeverdachte 1] die hem bij [bedrijfsnaam 2] bezocht zou hebben28 (dit terwijl deze broer daar wel is geweest).

Dit een en ander past naadloos bij pogingen van de verdachte om te verhullen dat hij de opdrachtgever van de moord op [slachtoffer] was. Dat geldt evenzeer voor de wisselende verklaringen van de verdachte over de inhoud van de sms-berichten tussen hem en [medeverdachte 1] alsook voor het herhaaldelijke verzoek van de verdachte aan [getuige 4] in december 2013 om “voor het geval dat” een rapport op te maken, een rapport inhoudende dat [medeverdachte 1] twee keer op het kantoor van [bedrijfsnaam 2] was langs geweest met een man op zoek naar een baan voor laatstgenoemde.

Uit al het voorgaande volgt, dat het de verdachte is geweest die de opdracht tot de moord op [slachtoffer] aan [medeverdachte 1] heeft gegeven, en hem daarvoor heeft betaald.

Het Hof grondt het bewijs derhalve niet ook op wat door B5 en door [getuige 10] als getuigen is verklaard. Strikt genomen behoeft het afzien door het Hof van dat bewijsgebruik geen motivering. Zoals eerder in dit vonnis is vastgesteld is het immers bij uitstek aan het Hof als feitenrechter voorbehouden om van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat het uit het oogpunt van betrouwbaarheid dienstig voorkomt, en terzijde te stellen wat het voor het bewijs van geen waarde acht. Tegelijkertijd onderkent het Hof dat ook met betrekking tot deze potentiële bronnen van bewijs een min of meer indringend debat is gevoerd, reden waarom het Hof niettemin het volgende overweegt. Het door het Hof verrichte onderzoek heeft uitgewezen dat de hierboven besproken bewijsmiddelen toereikend zijn om de bewezenverklaring te kunnen dragen, terwijl het Hof aan de inhoud van die bewijsmiddelen de voor bewezenverklaring noodzakelijke overtuiging ontleent. Bij die stand van zaken ontbreekt de noodzaak tot bewijsgebruik van wat door de getuigen B5 en [getuige 10] is verklaard, waarbij komt dat aan elk van deze potentiële bewijsmiddelen manco’s van uiteenlopende aard kleven, die het Hof nopen tot het betrachten van bijzondere behoedzaamheid in het geval van dat gebruik. Immers, de getuige B5 is door zijn status van anonieme bedreigde getuige niet door het Hof als zittingsrechter gehoord kunnen worden, terwijl voor [getuige 10] heeft te gelden dat nadere identificatie van de door hem genoemde bron van informatie nagenoeg onmogelijk is gebleken.

5.9.2

Medeplegen of uitlokking

Voor een bewezenverklaring van medeplegen is vereist dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. Dit is het geval indien de intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de beoordeling of daarvan sprake is kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Het Hof is van oordeel dat uit de inhoud van de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte geen andere rol heeft gehad dan dat hij de opdracht heeft gegeven voor de moord, daarvoor geld in het vooruitzicht heeft gesteld en dat hij heeft betaald voor de moord. Niet is gebleken dat de verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de organisatie en/of de feitelijke uitvoering van de moord. De ontmoetingen tussen [medeverdachte 1] en de verdachte zijn van onvoldoende gewicht om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking. Het Hof komt dan ook tot een vrijspraak van het onder 4 primair ten laste gelegde, te weten het medeplegen van moord, en tot een bewezenverklaring van het onder 4 subsidiair ten laste gelegde, te weten uitlokking van moord.

6 Het bewijs ten aanzien van feit 5 (onderzoek Passaat)

Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte:

  • -

    in zijn hoedanigheid van minister van Financiën van het land Curaçao gebruik heeft gemaakt van een in artikel 39, lid 1, sub a, van de Algemene Landsverordening Landsbelastingen (vaststelling en gebruik formulieren vrijwillige verbetering) aan de minister toekomende bevoegdheid, in de vorm van het (op 11 april 2011) vaststellen van een schriftelijke “Aanschrijving (Vaststelling en gebruik formulieren vrijwillige verbetering)”;

  • -

    die schriftelijke Aanschrijving op 11 april 2011 heeft ondertekend en willens en wetens onjuist heeft gedateerd op 7 april 2011;

  • -

    daarmee het oogmerk heeft gehad dat één of meer anderen (te weten belastingplichtige derden, meer in het bijzonder potentiële inkeerders) overeenkomstig die Aanschrijving en derhalve vanaf de dagtekening daarvan alsnog een juiste of volledige aangifte kunnen doen bij, dan wel juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen kunnen verstrekken aan de Inspectie der Belastingen, en aldus die even bedoelde Aanschrijving kunnen gebruiken, vanaf die datum van dagtekening, te weten 7 april 2011.

Daarmee is voor het bewijs genoegzaam komen vast te staan dat de verdachte opzettelijk een geschrift (de Aanschrijving, waarvan de formulieren waarnaar in de Aanschrijving als Bijlagen A en B wordt verwezen onderdeel uit maken) valselijk heeft opgemaakt, terwijl dat geschrift bij uitstek bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen (waaronder de aanvangsdatum van de periode waarin en de voorwaarden waaronder kon worden ingekeerd). Nu de Aanschrijving is vastgesteld voor belastingplichtige derden, meer in het bijzonder potentiële inkeerders, is daarmee voor het bewijs bovendien gegeven dat het oogmerk van de verdachte gericht is geweest op het gebruik daarvan door anderen. De mogelijkheid van nadeel door gebruik ligt besloten in de (valse) ingangsdatum van 7 april 2011.

Nu de bevoegdheid tot het geven van nadere regels (zoals het vaststellen van de onderhavige Aanschrijving) bij wet aan de minister van Financiën is toebedeeld is daarmee gegeven dat de verdachte als ambtenaar bij het begaan van het strafbare feit (het misdrijf van artikel 2:184, eerste lid, Sr) gebruik heeft gemaakt van macht, hem door zijn ambt geschonken, zodat ook de tenlastegelegde strafverhogingsgrond voor bewezenverklaring in aanmerking komt.

Het Hof merkt nog het volgende op.

In het verlengde van wat tijdens het voorbereidend onderzoek is onderzocht en is vastgesteld heeft het openbaar ministerie in het bijzonder aandacht gevraagd voor het motief dat bij de verdachte moet hebben voorgezeten toen hij de Aanschrijving op 11 april 2011 ondertekende en antedateerde op 7 april 2011. Aan het openbaar ministerie moet worden toegegeven dat het onderzoek zeer sterke aanwijzingen heeft opgeleverd dat (de timing van) het stellen van nadere regels door middel van de Aanschrijving (mede) is ingegeven door de wens van de verdachte zijn broer in de gelegenheid te stellen met gebruikmaking van deze Aanschrijving zo spoedig mogelijk te kunnen inkeren voor zeer aanzienlijke bedragen ten aanzien waarvan over het legale karakter van de herkomst daarvan serieuze vraagtekens kunnen worden geplaatst, terwijl door het antedateren daarvan de suggestie van samenhang tussen het één (het geven van de Aanschrijving) en het ander (de datum van 11 april 2011, zijnde de datum waarop die broer met een beroep op die Aanschrijving zijn voornemen tot inkeer vorm en inhoud geeft) voor de belastinginspecteur moest worden gemaskeerd.

Anders dan het openbaar ministerie en het Gerecht is het Hof van oordeel dat de vraag naar het motief en de verwezenlijking daarvan bij de bewijsvraag geen beantwoording behoeft.

7 Bewezenverklaring

Het Hof acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2, 4 subsidiair en 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 2:

hij in of omstreeks de periode van 28 september 2012 tot en met 6 juni 2014 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk gebruik heeft/hebben gemaakt van één of meer valse of vervalste geschriften, te weten facturen en offertes en aanmaningen op naam van [bedrijfsnaam 1] (Hierna [bedrijfsnaam 1]),

(elk) zijnde (een) geschrift(en) dat die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, als waren die/dat geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst en/of opzettelijk zodanig(e) geschrift(en) heeft laten afleveren en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededaders (telkens) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die/dat geschrift(en) bestemd was/waren voor zodanig gebruik,

bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) deze facturen en/of offertes en/of aanmaningen telkens heeft/hebben opgenomen in de administratie van [naam stichting 1] en/of heeft verspreid/laten verspreiden aan de (SOAB)

en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat in die facturen en offertes en aanmaningen (telkens) een fictief en/of een te hoog bedrag voor werkzaamheden van bovengenoemde bedrijf was vermeld en/of was opgenomen terwijl deze werkzaamheden niet en/of gedeeltelijk en/of tegen een lager bedrag zijn uitgevoerd,

terwijl hij bij het begaan van dit strafbare feit een bijzondere ambtsplicht als Minister van Financiën schond danwel bij het begaan van dit strafbare feit gebruik maakte van macht en gelegenheid hem door zijn ambt geschonken;

Feit 4, subsidiair:

medeverdachte [medeverdachte 2] en/of medeverdachte [medeverdachte 4] en/of één of meer anderen op of omstreeks 5 mei 2013 te Curaçao, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft/hebben voornoemde [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 4] en/of één of meer anderen opzettelijk en/of na kalm beraad en rustig overleg met gebruikmaking van een vuurwapen, meerdere kogels op (het lichaam van) en/of in de richting van (het lichaam van) voornoemde [slachtoffer] afgevuurd, tengevolge waarvan die [slachtoffer] meerdere verwondingen en/of letsels heeft bekomen en die [slachtoffer] aan die letsels en/of verwondingen is overleden,

welk misdrijf verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in of omstreeks de periode 1 januari 2013 tot en met 5 mei 2013 te Curaçao opzettelijk heeft uitgelokt door giften en/of beloften en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen door

- [medeverdachte 1] en/of één of meer anderen te vragen en/of op te dragen om [slachtoffer] te vermoorden en/of

- die [medeverdachte 1] en/of één of meer anderen als vergoeding voor de moord op [slachtoffer] een aanzienlijk geldbedrag, in het vooruitzicht te stellen en/of te betalen voor het (mede)plegen van de moord op [slachtoffer] en/of

- die [medeverdachte 1] en/of één of meer anderen instructies te geven over de moord op [slachtoffer].

Feit 5:

dat hij op of omstreeks 11 april 2011 te Curaçao, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een document genaamd “Aanschrijving ter uitvoering van artikel 39, lid 1 sub a, van de Algemene landsverordening Landsbelastingen (Vaststelling en gebruik formulieren vrijwillige verbetering)”, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, indien/terwijl uit dat gebruik e(e))nig nadeel kan ontstaan, door opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid dit geschrift te (laten) antedateren door dit document te (laten) voorzien van de datum 7 april 2011 (APR 07 2011) en/of door dit document te ondertekenen, terwijl dit document op een latere datum werd opgemaakt en/of ondertekend,

terwijl hij door het begaan van dit strafbaar feit een bijzondere ambtsplicht (als Minister van Financiën van het land Curaçao) schond en/of bij het begaan van dit strafbaar feit gebruik maakte van macht en/of gelegenheid en/of middel hem door zijn ambt geschonken.

Het Hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Het Hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. De bewijsmiddelen zijn opgenomen in bijlage 2 dat bij dit vonnis is gevoegd en daarvan deel uitmaakt.

8 Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het onder 2 bewezenverklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:184, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in art. 2:184, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

Het onder 4 subsidiair bewezenverklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:262 juncto 1:123 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

uitlokking van moord.

Het onder 5 bewezenverklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:184 juncto 1:116 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

valsheid in geschrift, terwijl bij het begaan van het feit gebruik is gemaakt van macht, gelegenheid en middel hem door zijn ambt geschonken.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

9 Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

10 Oplegging van straf

Bij de vraag naar strafoplegging voor de in dit vonnis als drie misdrijven gekwalificeerde feiten springt vanzelfsprekend de uitlokking van moord op [slachtoffer] als het meest ernstige feit in het oog.

Het handelen van de verdachte heeft aan de wieg gestaan van de moordaanslag op [slachtoffer], op 5 mei 2013. Enigszins op de achtergrond opererend heeft hij geïnitieerd dat een ander die moord heeft laten plegen. Vast staat dat het om een liquidatie gaat: een in georganiseerd verband en op bestelling gepleegde moord, naar is gebleken tegen betaling.

Een moord is reeds naar zijn aard een buitengewoon ingrijpend misdrijf waardoor de samenleving ernstig wordt geschokt, dat is zonneklaar. Een moord in de vorm van een liquidatie geeft aan die ernst bovendien een weerzinwekkende kleur. Door zijn handelen heeft de verdachte blijk gegeven van een volkomen gebrek aan respect voor het leven van een ander. De ernst van dit feit is ook in hoger beroep geïllustreerd door nabestaanden van [slachtoffer]. Uit door ieder van hen afgelegde verklaringen blijkt van een groot leed, dat ook na aanzienlijk verloop van tijd nog diep wordt gevoeld. Naast dit door de verdachte met zijn handelen aan de naasten van [slachtoffer] toegebrachte leed, heeft de verdachte ook het land Curaçao geschokt. Immers, [slachtoffer] was bij leven een onmiskenbaar populair politicus in een zeer jonge democratie, en de gedachte aan een “politieke moord” heeft bij velen in het land postgevat. Van [slachtoffer] is immers bekend dat hij zijn politieke pijlen nadrukkelijk en onverholen richtte op de bestrijding van corruptie in het land. In zoverre roept die speculatie geen verbazing op. Het in deze zaak gehouden strafrechtelijk onderzoek heeft evenwel over het waarom van de moordaanslag geen ondubbelzinnig antwoord opgeleverd.

De verdachte heeft ervoor gekozen om zijn betrokkenheid bij de moord hardnekkig te ontkennen. In het verlengde daarvan heeft hij ter zitting ook met enige compassie over de nabestaanden van [slachtoffer] gesproken. Nu zijn schuld echter door het Hof is vastgesteld, is het moeilijk de waarachtigheid van zijn woorden over de nabestaanden aan te nemen en lijken die woorden in retrospectief vooral gericht te zijn geweest op louter behartiging van eigen belang.

Gelet op de aard en ernst van dit misdrijf kent het Hof aan het strafdoel van vergelding groot gewicht toe. Het Hof heeft daarbij de door de verdachte vervulde rol – uitlokkend en op de achtergrond opererend – betrokken. Reeds op grond van zijn met betrekking tot dit misdrijf ontkennende proceshouding is het voor het Hof niet mogelijk om inzichten van de verdachte over de ernst van zijn gedragingen bij de vraag naar passende bestraffing te betrekken. Daarnaast beoogt het Hof met bestraffing van de verdachte eraan bij te dragen dat ook anderen ervan worden weerhouden om dergelijke misdrijven te begaan. Heeft het Hof in deze zaak een moord in de vorm van een liquidatie te beoordelen die is begaan in 2013, de actualiteit leert dat ook heden ten dage met bestraffing dit strafdoel moet worden gediend.

De bestraffing geschiedt ook voor zijn ernstige misdraging als minister van Financiën. Zo heeft hij in zijn hoedanigheid van minister de kans gezien en benut een ministeriële Aanschrijving opzettelijk te antedateren. En daarnaast heeft hij niet geschroomd om valse geschriften te gebruiken (met het oog op het kunnen verduisteren van geld tot een totaalbedrag van maar liefst bijna een half miljoen gulden), waarmee hij andermaal heeft laten zien zijn hand voor het plegen van bedrog en misleiding niet om te draaien.

Het behoeft echter geen nader betoog dat het soortelijk gewicht van deze laatstbedoelde misdrijven in het licht van de bewezen geachte uitlokking van moord bij de straftoemeting nagenoeg is verdampt. In het onderhavige geval, waarin de verdachte meent te kunnen beschikken over leven en dood van een ander, doet alleen de oplegging van gevangenisstraf van zeer aanzienlijke duur recht aan de strafdoelen van vergelding en generale preventie, zoals hierboven is uiteengezet. Bij de bepaling van de duur van de aan de verdachte op te leggen gevangenisstraf heeft het Hof bovendien de eerder aan medeverdachten van de moord op [slachtoffer] opgelegde straffen betrokken. Aan het Hof is niet gebleken van aan de persoon van de verdachte te verbinden feiten of omstandigheden, die nopen tot matiging van de aan de verdachte op te leggen straf.

Al het voorgaande voert het Hof tot de slotsom dat het geen ruimte aanwezig acht voor de oplegging van een andere straf aan de verdachte dan de tijdelijke gevangenisstraf van maximale duur, ofwel 30 jaren.

Het Hof gaat niet mee in de vordering van de procureur-generaal, voor zover deze ertoe strekt de door de verdachte in uitleveringsdetentie doorgebrachte tijd niet geheel in mindering te brengen op de aan de verdachte op te leggen gevangenisstraf. Wat op dit punt door hem ter onderbouwing daarvan naar voren is gebracht acht het Hof voor toewijzing ongenoegzaam.

Het Hof heeft zich rekenschap gegeven van de vraag of verdachtes berechting heeft plaatsgehad binnen de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM. Waar het de gedingfase in eerste aanleg betreft sluit het Hof aan bij wat daarover door het Gerecht in het vonnis waarvan beroep is overwogen en neemt die overweging op deze plaats over. De berechting in hoger beroep heeft meer tijd gevergd dan de volgens vaste jurisprudentie gestelde maximumtermijn van zestien maanden, immers een overschrijding van die termijn met nagenoeg drie maanden. Gelet op het tijdens de gedingfase van het hoger beroep verrichte onderzoek – ter terechtzitting van het Hof en daarbuiten – acht het Hof de overschrijding van de met verdachtes berechting in hoger beroep gemoeide tijd in het licht van die verdragsbepaling en de van complexiteit van deze strafzaak niet onredelijk. Het geheel van deze twee gedingfases maakt dat oordeel niet anders.

Het Hof zal aan de verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 30 jaren.

11 Schadevergoeding

11.1

Vordering van de benadeelde partijen

[naam zoon slachtoffer] en [naam dochter slachtoffer], respectievelijk de zoon en dochter van het slachtoffer, hebben ieder voor zich door tussenkomst van de door hen gemachtigde [naam gemachtigde benadeelde partijen] zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt NAf 50.000,-, bestaande uit een bedrag van NAf 4.815,- aan materiële schade en een bedrag van NAf 45.185,- aan immateriële schade.

De vordering van de benadeelde partijen is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van NAf 4.815,- aan materiële schade. De benadeelde partijen zijn in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partijen hebben zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

11.2

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de vordering niet betwist.

11.3

Beoordeling door het Hof

11.3.1

Ten aanzien van de materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het Hof genoegzaam gebleken dat de benadeelde partijen als gevolg van verdachtes onder 4 subsidiair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks materiële schade hebben geleden tot een bedrag van NAf 4.815,-. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het Hof ziet aanleiding daarbij een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 1:78 Sr aan de verdachte op te leggen. Voor het geval volledige betaling of volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet volgt, zal vervangende hechtenis worden opgelegd. In ogenschouw nemend dat de verdachte zal worden veroordeeld tot de maximale tijdelijke gevangenisstraf van 30 jaren, zal het Hof de duur van de vervangende hechtenis bepalen op één dag.

11.3.2

Ten aanzien van de immateriële schade

De benadeelde partijen hebben bij schrijven van 26 oktober 2020 uiteengezet dat de gevorderde immateriële schade betrekking heeft op de pijn en het verdriet van de benadeelde partijen als gevolg van de moord op hun vader. Ter onderbouwing daarvan hebben de benadeelde partijen verwezen naar jurisprudentie, naar de brief van 6 juni 2019 van [naam psycholoog], inhoudende de bevindingen van de psycholoog naar aanleiding van een intake en evaluatie van [naam zoon slachtoffer], en naar de ongedateerde brieven van [naam zoon slachtoffer] en [naam dochter slachtoffer] over – kort gezegd – hun leven sinds de moord op hun vader. Ten slotte hebben de benadeelde partijen ter onderbouwing van de immateriële schade een twintigtal brieven overgelegd waaruit volgt dat zij een groot aantal schulden hadden.

Ten aanzien van dat laatste overweegt het Hof dat die brieven zien op niet gevorderde materiële schade en deze niet kunnen dienen ter onderbouwing van de immateriële schade.

Het Hof begrijpt de toelichting van de benadeelde partijen aldus dat zij hebben bedoeld de zogenaamde ‘affectieschade’ te vorderen. Affectieschade is de schade die bestaat uit het verdriet en de pijn die zijn veroorzaakt door het overlijden of ernstig letsel van iemand tot wie men in een nauwe en affectieve relatie stond. Die vordering kan niet worden toegewezen, omdat affectieschade in het Curaçaose rechtssysteem niet voor vergoeding in aanmerking komt.

Voor het geval de benadeelde partijen bedoeld hebben om shockschade te vorderen, overweegt het Hof dat ook deze schade niet voor vergoeding in aanmerking komt, omdat de vordering op dat punt onvoldoende is onderbouwd. Nog afgezien van de vraag of voldaan is aan het confrontatievereiste kan uit de brief 6 juni 2019 van de psycholoog niet worden afgeleid dat bij [naam zoon slachtoffer] sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

De benadeelde partijen zullen daarom in dit onderdeel van de vordering van niet-ontvankelijk worden verklaard.

11.3.3

Ten aanzien van de proceskosten

Het Hof beslist over de proceskosten als hierna te melden.

12 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op het artikel 1:136 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

13 BESLISSINGEN

Het Hof:

vernietigt het vonnis van het Gerecht en doet opnieuw recht;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en 4 primair ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 2, 4 subsidiair en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 30 (dertig) jaren;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in uitleveringsdetentie, verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partijen geleden schade toe tot een bedrag van NAf 4.815,- (zegge: vierduizend achthonderdvijftien gulden), en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partijen;

verklaart de benadeelde partijen in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partijen de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van NAf 4.815,- (zegge: vierduizend achthonderdvijftien gulden), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 1 (één) dag hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan het Land, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen, daarmee zijn verplichting tot betaling aan het Land in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mrs. A.J.M. van Gink, S. Verheijen en R. Veldhuisen, leden van het Hof, bijgestaan door mr. A.F. van der Heide, (zittings)griffier, en op 5 maart 2021 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao.

mr. A.J.M. van Gink is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

uitspraakgriffier:

1 Karaman vs. Duitsland, EHRM 27 februari 2014

2 Paulikas vs. Litouwen, EHRM 24 januari 2017

3 Verklaring verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 18 januari 2021

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 8 juli 2015, pagina’s G-321 t/m 324 en proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 10 juli 2015, pagina’s G-325 t/m 329 van het zaaksdossier Maximus

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 16] van 9 december 2014, pagina G-149 t/m 158 van het zaaksdossier Maximus

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] van 21 juni 2013, ter terechtzitting in eerste aanleg van 12 juni 2019 overgelegd door mr. E.F. Sulvaran.

7 Zie bijvoorbeeld het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 13 juni 2017, pagina’s G-423 t/m 427 en het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 11] van 3 oktober 2018, pagina’s G-691 t/m 693 van het zaaksdossier Maximus

8 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 13] van 17 augustus 2016, pagina’s G-403 t/m 408 van het zaaksdossier Maximus

9 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 12] van 18 september 2014, pagina’s G-271 t/m 276 van het zaaksdossier Maximus

10 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 18 januari 2021

11 Proces-verbaal van verhoor getuige G.M.A. [getuige 5] ten overstaan van de rechter-commissaris van 18 november 2020

12 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte als getuige van 16 december 2013 pagina’s G-332 t/m 336 van het zaaksdossier Maximus

13 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte als getuige van 16 december 2013 pagina’s G-332 t/m G-336 van het zaaksdossier Maximus en de verklaring van [medeverdachte 1] zoals weergegeven in het proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg van 19 en 21 april 2017 in zijn eigen strafzaak

14 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 13] van 17 augustus 2016, pagina’s G-403 t/m 408 en het proces-verbaal van verhoor [getuige 11] van 2 oktober 2018, pagina’s G-688 t/m 690 van het zaaksdossier Maximus

15 Proces-verbaal van bevinding telefonisch gesprek [getuige 18] van 26 oktober 2018, pagina’s B-1685 t/m 1686 van het zaaksdossier Maximus

16 Proces-verbaal van bevindingen e-mailgesprek tussen [getuige 17] en [de verdachte] van 21 maart 2017 pagina’s B-1156 t/m 1158 van het zaaksdossier Maximus

17 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 24 juli 2014 pagina’s V-220 t/m 238 van het zaaksdossier Maximus

18 Proces-verbaal van bevindingen betreffende veiliggestelde data na uitlezing van de telefoon 660-1915 in gebruik bij [getuige 19] , inhoud voicenote nr. f2572032, pagina’s 1072 t/m 1078 van het zaaksdossier Marie Pampoen

19 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte als getuige van 16 december 2013 pagina’s G-332 t/m 336 van het zaaksdossier Maximus

20 Proces-verbaal van verhoor [getuige 6] van 2 november 2013, pagina’s 1729 t/m 1732 van het zaaksdossier Marie Pampoen

21 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] 10 maart 2014, pagina’s V-0001 t/m 0007, proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 20] van 11 februari 2014, pagina’s G-37 t/m 47 van het zaaksdossier Maximus en proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 14] van 11 mei 2013, pagina’s 18 t/m 23 van het zaaksdossier Marie Pampoen

22 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 24 juli 2014, pagina’s V-220 t/m 238, van het zaaksdossier Maximus

23 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] van 1 mei 2014, pagina’s G-183 t/m 189 en proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 21] van 3 juni 2013, pagina’s G-694-696 van het zaaksdossier Maximus

24 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 24 juli 2014, pagina’s V-220 t/m 238, van het zaaksdossier Maximus

25 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 15] van 30 oktober 2013, pagina’s G-697-701 en proces-verbaal van bevindingen telecomcontacten nummer 5139843 [de verdachte] avond 5 mei d.d. 4 november 2013, pagina’s 1022 t/m 1025 van het zaaksdossier Maximus

26 Proces-verbaal van verhoor verdachte als getuige d.d. 16 december 2013, pagina’s G-332 t/m 3336, van het zaaksdossier Maximus

27 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 24 juli 2014, pagina’s V-220 t/m 238, van het zaaksdossier Maximus

28 Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 23 juli 2014, pagina’s V-213 t/m 219, van het zaaksdossier Maximus