Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2021:56

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
23-02-2021
Datum publicatie
03-03-2021
Zaaknummer
AUA2019H00081
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwikkeling schadeclaims, bindende eindbeslissing, onrechtmatige daad, smaad en laster, landsverordening Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen Verrekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2021 Vonnis no.:

Registratienummers: AUA201900361 – AUA2019H00081

Uitspraak: 23 februari 2021

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in het kort geding van:

de naamloze vennootschap

MASSIMO CONSULTANT AND FINANCIAL SERVICES N.V.,

gevestigd te Aruba,

oorspronkelijk eiseres,

thans appellante,

procederend in persoon,

tegen

de naamloze vennootschap

NEW INDIA ASSURANCE REPRESENTATIVE N.V.,

gevestigd te Aruba,

oorspronkelijk gedaagde,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. A.F. Kuster.

De partijen worden hierna Massimo en New India genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Bij tussenvonnis van 22 september 2020 heeft het Hof de zaak naar de rol verwezen voor akte aan de zijde van New India. Bij e-mailbericht van 19 oktober 2020 heeft New India een akte (met producties) verstuurd naar het Hof. Op 17 november 2020 heeft Massimo een antwoordakte (met producties) ingediend, zowel afgegeven aan de balie bij het Gerechtsgebouw in Aruba als verstuurd per mail aan het Hof.

1.2.

Vonnis is gevraagd en nader bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling

2.1

In geschil is de vraag of New India een nadere verklaring kan vorderen van de cedenten (de benadeelden) alvorens zij met Massimo tot afwikkeling en uitbetaling van de schadeclaims overgaat. Daarnaast gaat het om enkele andere verwijten die Massimo New India maakt, in het bijzonder de klacht van Massimo dat New India ook bij het behandelen en uitbetalen van de claims ongerechtvaardigde eisen stelt, daarmee de afwikkeling vertraagt en Massimo en de benadeelden op onrechtmatige wijze benadeeld.

2.2

Het Hof heeft bij tussenvonnis van 22 september 2020 overwogen dat partijen er beide vanuit lijken te gaan dat Massimo zich de vorderingen met een cessie ter incasso in (al dan niet fiduciaire) eigendom laat overdragen met een privatieve last aan Massimo om deze geldend te maken en dat het Hof hen hierin zal volgen. Verder heeft het Hof overwogen:

“4.16. Het Hof is al met al dan ook van oordeel dat Massimo in dit kort geding afdoende heeft onderbouwd en aannemelijk gemaakt dat de volmachten (“durable power of attorney”) zijn geverifieerd en dat New India geen redelijke grond had om te betwijfelen dat de voorafgaand aan het pleidooi overgelegde producties 1a (de akten van cessie, “lien and assignment of insurance proceeds”) geldig zijn opgemaakt en ondertekend door de betreffende cedent. New India was dan ook gehouden om meteen na ontvangst van de haar toekomende informatie Massimo als wederpartij te accepteren en de claims voortvarend en volgens de wettelijke regels, de polis van haar verzekerde en andere relevante regels af te wikkelen, zonder daarbij meer of andere eisen te stellen dan zij bij andere wederpartijen zou doen. De grieven slagen in zoverre.”

2.3

Het Hof heeft de zaak naar de rol verwezen voor akte uitlating zijdens New India om New India de mogelijkheid te geven te reageren op de door Massimo in haar pleitnota geformuleerde nieuwe stellingen, waaraan Massimo tevens nadere grieven en een eisvermeerdering had gekoppeld. Die nieuwe stellingen en vorderingen hadden vooral betrekking op de onder 2.1 bedoelde andere verwijten. Voorts wenste het Hof te worden geïnformeerd over de stand en de inhoud van de inmiddels lopende bodemprocedure. Naar het Hof ook ambtshalve bekend is, staat die zaak voor vonnis. De gedingstukken (zonder producties) uit die procedure zijn door New India bij haar akte overgelegd. De conclusie van antwoord heeft overigens voor het overgrote deel geen betrekking op New India, maar op een andere door Massimo aangesproken partij, te weten Boogaard.

2.4

New India heeft bij akte allereerst gesteld dat het Hof bij tussenvonnis van bepaalde verkeerde en onjuiste feiten is uitgegaan. Het Hof gaat hieraan voorbij nu New India enkel in de gelegenheid is gesteld om zich uit te laten over de nieuwe stellingen, de nadere grieven en de eisvermeerdering van Massimo en niet om bindende eindbeslissingen in een tussenvonnis inhoudelijk ter discussie te stellen, tenzij blijkt dat sprake is van een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. Voorop wordt daarbij gesteld dat de rechter die in een tussenuitspraak een of meer geschilpunten uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist hieraan, in beginsel, in het verdere verloop van het geding is gebonden. Deze gebondenheid heeft een - uit een oogpunt van goede procesorde positief te waarderen - op beperking van het debat gerichte functie (HR 4 mei 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4805). Zij geldt evenwel niet onverkort. De eisen van een goede procesorde brengen immers tevens mee dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen (HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2800). Een bindende eindbeslissing berust onder meer op een onjuiste feitelijke grondslag indien de rechter, na een dergelijke heroverweging, inziet dat zijn uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordeel was gegrond op een onhoudbare feitelijke lezing van een of meer gedingstukken, welke lezing, bij handhaving, zou leiden tot een einduitspraak waarvan de rechter overtuigd is dat die ondeugdelijk zou zijn. De rechter dient - ook - in een dergelijk geval te motiveren waarom het terugkomen van de eerder gegeven bindende eindbeslissing in dit opzicht geboden is.

2.5

Uit de stellingen van New India blijkt niet, anders dan waar New India van uit lijkt te gaan, dat het tussenvonnis berust op een feitelijke of juridische misslag, zodat er geen aanleiding is om terug te komen op de gegeven bindende eindbeslissingen. Het Hof heeft immers in rechtsoverweging 4.11 geoordeeld dat de stelling van Massimo dat de check (telefonisch of per e-mail) bij de betrokken personen steeds heeft plaatsgevonden, door New India niet dan wel onvoldoende is weersproken. Dat New India dat nu alsnog doet, maakt niet dat die eerdere beslissing als misslag kan worden beschouwd. De stelling van New India dat niet juist is hetgeen in rechtsoverweging 4.15 is overwogen faalt om dezelfde reden. Deze kwestie is overigens voor de in dit kort geding te geven voorzieningen van weinig tot geen belang. Een en ander kan, zo nodig, in de bodemprocedure worden rechtgezet.

2.6

In aanvulling op het tussenvonnis wordt nog overwogen dat, voor zover (anders dan in de rechtsoverwegingen van het tussenvonnis werd aangenomen) Massimo ook klanten (verzekerden) van New India vertegenwoordigt (en dus niet uitsluitend derde partijen met een vordering uit hoofde van artikel 6 Landsverordening Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen; LAM), New India wel een zekere zorgplicht heeft, al werkt zij dat zelf in de gedingstukken niet uit. In dat geval lijkt voorshands gerechtvaardigd dat New India na ontvangst van de volmacht, de “lien” en de kopie identiteitsbewijs nog eens - telefonisch, schriftelijk of per e-mail - bij de cedent verifieert of deze zijn claim daadwerkelijk aan Massimo heeft overgedragen. Omdat Massimo hiertegen op zichzelf geen bezwaar heeft (zie ook het tussenvonnis) verandert dat aan de uitkomst niets. Ook in het geval van een contractuele relatie geldt dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat New India verdergaande eisen mag stellen zoals het ontbieden van de cedent op haar kantoor en het doorvragen of deze werkelijk met Massimo in zee wil en zich de gevolgen realiseert. New India heeft in dit kort geding onvoldoende redenen gegeven waarom een dergelijk wantrouwen op zijn plaats zou zijn, buiten wellicht de stelling dat Massimo de reparatie in haar eigen vaste garage goedkoop laat uitvoeren en de schadevergoeding die op hogere tarieven is gebaseerd “in eigen zak” steekt. Die stelling ontbeert echter iedere onderbouwing en staat New India in zoverre slecht, dat zij de gelaedeerden/Massimo lijkt op te dringen om de schade te laten herstellen met door haar gekochte onderdelen in een garage van haar keuze. Tot slot zij nog herhaald dat New India niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar verificaties voorbeelden heeft opgeleverd van valse of afgedwongen cessies.

2.7

Aannemelijk is dat de in dit kort geding genoemde personen inmiddels afdoende zijn geverifieerd. Gelet op de wijze waarop dat is gegaan, alsmede op de standpunten van New India in dit kort geding en in de bodemprocedure is er voldoende aanleiding om, met het oog op andere (toekomstige) gevallen, New India te bevelen de machtigingen en documenten - de getekende volmacht, de cessie en de kopie van het identiteitsbewijs - van Massimo te accepteren en te beoordelen en deze desgewenst binnen een week eenmalig bij de cedent te verifiëren, en deze vervolgens te gebruiken om per direct de schadeclaims met Massimo af te wikkelen. In zoverre zullende de vorderingen onder 1 en 2 (zie hieronder, rov. 2.10) worden toegewezen, met uitzondering van het gevorderde tijdbestek van 48 uur. Dat tijdbestek zal op een week worden gesteld.

2.8

Massimo heeft bij antwoordakte meerdere producties overgelegd. Het Hof gaat hieraan voorbij nu New India niet in de gelegenheid is geweest om hierop te reageren en het Hof vanwege de eisen van een voortvarende procedure, de ophanden zijnde uitspraak in de bodemprocedure en de wenselijkheid dat in dit kort geding na al die tijd een eindvonnis wordt gewezen geen aanleiding ziet om nogmaals een akte door New India te laten nemen.

2.9

New India heeft in haar akte niet of nauwelijks nader inhoudelijk gereageerd op de bij pleidooi door Massimo aangevoerde stellingen en eisvermeerdering. Wel heeft zij verwezen naar de stukken uit de bodemprocedure. Het Hof zal met inachtneming van dit nadere verweer thans beslissen op de vermeerderde eis.

2.10

Na eisvermeerdering vordert Massimo, samengevat, dat New India wordt:

1. veroordeeld de volmachten en de aktes van cessie van Massimo te accepteren en te honoreren en deze te gebruiken om per direct de schadeclaims met Massimo af te wikkelen;

2. veroordeeld tot een tijdsbestek van 48 uur voor het verifiëren van de volmacht en de cessie akte;

3. veroordeeld de uit te keren dagen “time loss” te vergoeden per schadeclaim, vanaf de dag van het ongeval;

4. veroordeeld de vooruitbetaalde “quotations” te vergoeden om tot een schadeloosstelling te komen;

5. veroordeeld de redelijke motorvoertuig reparatiekosten te vergoeden per schadeclaim ad NAf 90,00 per uur en dat haar wordt verboden om zelf de reparatietarieven (uurloon) te bepalen;

6. veroordeeld de uit te keren bedragen van de manuren ad NAf 90,00 per uur (voor het reparatiewerk) uit te keren en wordt verboden dit in mindering te brengen op de schadeclaims;

7. verboden om door te gaan met het verspreiden van leugens, op straffe van verbeurte van een redelijke dwangsom;

8. bevolen om de toegangsontzegging van vertegenwoordigers van Massimo ongedaan te maken;

9. bevolen publiekelijk in de media excuses te maken voor de behandeling van Massimo, haar medewerkers en haar cliënten;

10. veroordeeld voor het zich schuldig maken aan smaad en laster jegens Massimo;

11. veroordeeld tot betaling van een boete om schulden van Massimo te verrekenen met schadeclaims zonder toestemming van Massimo;

12. veroordeeld tot betaling van alle materiële en immateriële schade;

13. veroordeeld tot betaling van wettelijke rente over de overgedragen vorderingen vanaf de datum van het ongeval;

14. verboden om Massimo en haar werknemers een ongelijke behandeling te geven ten opzichte van andere schuldeisers en Massimo ongelijkwaardig te behandelen;

15. bevolen Massimo en haar werknemers niet vernederend en discriminerend te behandelen;

16. veroordeeld tot betaling van de proceskosten;

17. veroordeeld ten onrechte te hebben gehandeld;

18. veroordeeld tot betaling van alle schade veroorzaakt door het onrecht dat Massimo is aangedaan.

Onrechtmatige daad

2.11

Naar aanleiding van het standpunt van Massimo dat New India door haar handelwijze onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door het niet aanvaarden van de cessies, overweegt het Hof het niet geheel onbegrijpelijk te achten dat New India de lat (wat) hoger heeft liggen voor Massimo dan voor reguliere verzekerden/schuldeisers; dit gezien de onorthodoxe werkwijze om verkeersslachtoffers zelf en meteen na het ongeval te benaderen en daar financieel gewin mee te behalen. New India heeft er zeker van willen zijn dat haar verzekerden, dan wel de “third parties” die zij ingevolge de LAM schadeloos dient te stellen, ook daadwerkelijk hebben gewild dat hun vordering op New India zou worden overgedragen aan Massimo. Dit kwalificeert niet als in het maatschappelijk verkeer onbetamelijk handelen. New India lijkt echter (veel) verder te zijn gegaan door steeds andere, irrelevante eisen te stellen en ook door te pogen cliënten te bewegen bij Massimo weg te gaan en door het aanbieden van geld rechtstreeks aan de cliënten en buiten Massimo om . Bij het vaststellen en verklaren voor recht in kort geding dat sprake is van onrechtmatig handelen geldt dat het in kort geding niet mogelijk is een verklaring voor recht te geven en wat betreft de op onrechtmatige daad gestoelde vorderingen ontbreekt naar het oordeel van het Hof de spoedeisend van deze voorzieningen, althans is het spoedeisend belang, naast de voorzieningen zoals die in casu wel zullen worden gegeven, onvoldoende. In de bodemprocedure kan zo nodig meer gericht worden beoordeeld of en zo ja, welke handelingen, onrechtmatig zijn geweest en welke gevolgen daaraan moeten worden verbonden.

2.12

Waar het gaat om de afwikkeling van de claims na acceptatie heeft Massimo in haar pleitnota in eerste aanleg en meer uitgebreid in haar pleitnotities in hoger beroep een aantal goed uitgewerkte, en van verwijzingen naar de producties voorziene voorbeelden gegeven van dossiers waarin New India de afwikkeling tegenhoudt door het hanteren van eisen en condities waarvan New India vooralsnog niet steeds voldoende heeft kunnen uitleggen dat deze rechtens relevant en gerechtvaardigd waren. Daarbij gaat het om de vraag naar de diploma’s van de op de website van Massimo genoemde advocaten en naar de inschrijving van Massimo als verzekeringsadviseur. Voorts wijst Massimo er op dat het indemniteitsbeginsel meebrengt dat New India een bedrag dient uit te keren waarmee de benadeelde zijn voertuig tegen marktconforme tarieven kan laten repareren, en dat het daarom niet aan New India is om dit tarief te verlagen omdat de reparatie (mogelijk) plaatsvindt in de vaste garage van Massimo die lagere tarieven hanteert of volgens New India zou moeten hanteren, gelet op de kostenstructuur en de geboden kwaliteit. New India heeft op deze concrete voorbeelden vooralsnog niet voldoende specifiek en overtuigend gereageerd. Evenmin heeft zij het Hof er in dit geding van kunnen overtuigen dat zij de gelaedeerden (via Massimo) kan voorschrijven om door haar gekochte onderdelen te gebruiken. Verder blijft onvoldoende verantwoord de eis van New India dat Massimo de kosten van de “quotations” voldoet, met (kennelijk) als gevolg dat deze op de schade-uitkering in mindering komen.

2.13

Ook hier geldt dat de beoordeling in hoeverre dit handelen van New India, mede gelet op haar wettelijke (LAM) verplichtingen, jegens Massimo onrechtmatig is geweest en welke gevolgen daaraan moeten worden verbonden, dient te worden gereserveerd voor de bodemrechter. Er is echter, mede gelet op het standpunt en de houding van Massimo in deze procedure, wel voldoende aanleiding om – in afwachting van het bodemvonnis – New India in algemene zin te gebieden de claims van de door Massimo vertegenwoordigde benadeelden, gelijk aan die van anderen , voortvarend af te handelen, zonder het stellen van ongerechtvaardigde voorwaarden.

2.14

Daarop stuiten de vorderingen 12, 14 en 15 af.

Smaad en laster

2.15

Van onrechtmatig handelen vanwege smaad of laster is geen sprake. Voorop wordt gesteld dat op grond van artikel 10 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) aan een ieder het recht op vrijheid van meningsuiting toekomt. Tegenover het recht op vrijheid van meningsuiting, staat in dit geval het recht van Massimo op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, zoals vastgelegd in artikel 8 van het EVRM, waaronder begrepen is de bescherming van de eer en goede naam. Het antwoord op de vraag welk van deze, in beginsel gelijkwaardige, rechten in het onderhavige geval zwaarder weegt moet worden gevonden met inachtneming van alle ter zake dienende omstandigheden van het geval. Massimo heeft niet voldoende onderbouwd dat New India zich in het openbaar kritisch, beledigend en waarschuwend heeft uitgelaten over de werkwijze van Massimo althans dit geprobeerd heeft en dat Massimo dientengevolge schade heeft geleden. Dat New India wellicht de cliënten van Massimo een negatief beeld van het handelen van Massimo heeft voorgespiegeld, is onvoldoende om te spreken van smaad en laster. De vorderingen 7, 9 en 10 stranden hierop.

Vorderingen 3 tot en met 6 en 8

2.16

Hetgeen onder 4.12 is overwogen impliceert dat de gevorderde veroordeling om de uit te keren dagen “time loss” te vergoeden per schadeclaim, de vooruitbetaalde “quotations” te vergoeden om tot een schadeloosstelling te komen, veroordeling de redelijke motorvoertuig reparatiekosten te vergoeden per schadeclaim ad NAf 90,00 per uur alsmede een verbod om zelf de reparatietarieven (uurloon) te bepalen, veroordeling de bedragen van de manuren ad NAf 90,00 per uur (voor het reparatiewerk) uit te keren, een verbod dit in mindering te brengen op de schadeclaims niet als zodanig – afzonderlijk - zullen worden toegewezen.

De vordering tot het geven van een bevel tot ongedaanmaking van de toegangsontzegging van de vertegenwoordigers van Massimo zal worden afgewezen omdat Massimo geen feiten en omstandigheden of een rechtsgrond heeft aangevoerd die toewijzing rechtvaardigen. Het verbod om de door New India uit te keren bedragen in mindering te brengen op de schadeclaims is niet toewijsbaar omdat verrekening is toegestaan indien aan de daarvoor geldende wettelijke eisen is voldaan (zie ook hierna rov 2.17).

Vordering 11

2.17

De vordering om een boete op te leggen bij verrekening van de uitkering van de schadeclaims met de schulden van Massimo - nog daargelaten dat de wettelijke mogelijkheid om als rechter een boete op te leggen indien een partij overgaat tot verrekening ontbreekt – is verrekening op grond van artikel 6:127 BW toegestaan wanneer hij een prestatie te vorderen heeft die beantwoordt aan zijn schuld jegens dezelfde wederpartij en hij bevoegd is zowel tot betaling van de schuld als tot het afdwingen van de betaling van de vordering. Niet gesteld of gebleken is dat niet aan deze vereisten is voldaan. Indien Massimo bedoelt dat van verrekenbare tegenvorderingen geen sprake is, kan dat – mede gelet op wat onder 2.16 is overwogen – evenmin tot de gevorderde voorziening leiden. De vordering stuit op dit alles af.

Vordering 13

2.18

Massimo vordert veroordeling van New India tot betaling van de wettelijke rente over de overgedragen vorderingen. Deze vordering is onvoldoende toegelicht en zal daarom en bij gebrek aan voldoende (spoedeisend) belang niet worden toegewezen. Op grond van artikel 6:83 sub b BW treedt het verzuim vanaf de datum van het ongeval in en vanaf die datum gaat dus ook de wettelijke rente lopen. Welke gevolgen dat heeft voor de door New India te verrichten uitkeringen zal per individueel dossier moeten worden beoordeeld.

Vorderingen 17 en 18

2.19

De vordering om New India te veroordelen ten onrechte te hebben gehandeld en de vordering tot betaling van alle schade veroorzaakt door het onrecht dat Massimo is aangedaan zijn te vaag om te kunnen worden toegewezen, zeker in kort geding, met een beslissing in de bodemprocedure op komst; zie verder hiervoor onder rov. 2.11 en 2.13. Voor zover Massimo het oog heeft op de eerder gestelde leugens, smaad en laster dan stranden de vorderingen op de eerder in rov. 2.15 genoemde gronden.

2.20

Resteren nog de niet in het tussenvonnis besproken grieven 6 en 7. Massimo stelt in grief 6 dat de op voorhand, ten behoeve van de mondelinge behandeling in eerste aanleg, verstuurde producties niet conform de wettelijke richtlijnen waren ingediend. Zij heeft daarbij aangevoerd dat zij de producties niet had ontvangen en daardoor geen verweer kon voeren tegen de stellingen van New India. Het Hof is van oordeel dat uit de door New India overgelegde exploot van betekening genoegzaam blijkt dat de producties voor 14:00 uur de dag voor de zitting door de deurwaarder aan Massimo zijn betekend. In zoverre is New India niet in haar belangen geschaad en is er geen sprake van strijd met de eisen van de goede procesorde. Daarbij komt dat zij in hoger beroep ampel gelegenheid heeft gehad om op de stukken in te gaan. Grief 6 treft geen doel. Grief 7 faalt ook, nu Massimo niet heeft uitgelegd wat voor consequenties daaraan verbonden dienen te worden, terwijl voorts geldt dat het feit dat de zitting niet in de taal Papiamento is gevoerd niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis.

2.21

Voor bewijslevering is in beginsel geen plaats in een kort geding procedure, maar het aanbod van Massimo om getuigen te horen is ook te algemeen om te kunnen voldoen aan de daaraan in hoger beroep te stellen eisen.

2.22

De slotsom is dat het bestreden vonnis dient te worden vernietigd om de onder 2.6 en 2.13 bedoelde voorlopige voorzieningen te geven. De proceskosten in eerste aanleg zijn voor rekening van New India als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij. Ook in hoger beroep zal New India als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Vordering 16 zal in zoverre worden toegewezen.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

vernietigt het bestreden vonnis van 9 april 2019;

en opnieuw rechtdoende:

gebiedt New India de machtigingen en documenten – de getekende volmacht (“durable power of attorney”), de cessie (“lien and assignment)” en de kopie van het identiteitsbewijs – van Massimo te accepteren en te beoordelen en deze desgewenst binnen een week eenmalig telefonisch, schriftelijk of per e-mail bij de cedent te verifiëren, en deze vervolgens te gebruiken om per direct de schadeclaims met Massimo af te wikkelen;

gebiedt New India om deze claims voortvarend en volgens de gangbare procedures af te wikkelen en volledig uit te betalen, zonder het stellen van alleen voor Massimo geldende, of anderszins ongerechtvaardigde, voorwaarden;

veroordeelt New India in de kosten van de procedure in eerste aanleg, aan de zijde van Massimo vastgesteld op een bedrag van Afl. 450,00 griffierecht als ook in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van Massimo vastgesteld op een bedrag van Afl. 900,00 aan griffierecht en Afl. 192,14 aan betekeningskosten.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mrs. F.W.J. Meijer, Th.G. Lautenbach en O. Nijhuis, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 23 februari 2021, in tegenwoordigheid van de griffier.