Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2021:452

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
11-10-2021
Datum publicatie
22-09-2022
Zaaknummer
H67/19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling politieagent verduistering portofoon. Gevangenisstraf 2 maanden + taakstraf 120 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: H67/19

Parketnummer : 300.00316/19

Uitspraak : 11 oktober 2021 Tegenspraak

Vonnis

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) van 15 juli 2019 in de strafzaak tegen de verdachte:

[Verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1965 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats].

Hoger beroep

Het Gerecht heeft de verdachte bij zijn vonnis van het ten laste gelegde – kort gezegd verduistering van een portofoon door de verdachte in zijn hoedanigheid van (politie)ambtenaar – veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal,

mr. F. van Deutekom, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman,

mr. D. Illes, naar voren is gebracht.

De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, met uitzondering van de bewezenverklaring, de kwalificatiebeslissing en de strafoplegging. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd, met dien verstande dat het Hof tevens de gronden zal overnemen en verbeteren waarop de bewezenverklaring stoelt en de wettelijke voorschriften waarop de strafoplegging is gegrond.

Het bewijs

Bewezenverklaring

Het Hof acht - op grond van de hierna vermelde redengevende feiten en omstandigheden, de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op een of meer momenten in of omstreeks de periode van 1 januari 3 december 2015 tot en met 1 november januari 2018 te Aruba (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een portofoon (met kenmerk [kenmerk portofoon]), geheel of ten dele toebehorende aan het Korps Politie Aruba, in elk geval aan een of meer anderen dan aan hem en/of zijn mededaders en welke portofoon hij en/of zijn mededaders en/of zijn mededaders uit hoofde van zijn/hun persoonlijke dienstbetrekking en in elk geval anders dan door misdrijf onder zich hadden, namelijk als politieagent en/of medewerker van het Bureau Integriteit en Veiligheid van het Korps Politie Aruba, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend, terwijl hij als ambtenaar bij het begaan van dit strafbaar feit gebruik maakte van gelegenheid en/of middel hem door zijn ambt geschonken, namelijk werd voormelde portofoon aan hem ter beschikking gesteld en/of beschikte hij over deze portofoon in het kader van zijn werkzaamheden als en/of in zijn hoedanigheid van politieagent en/of medewerker van het Bureau Integriteit en Veiligheid van het Korps Politie Aruba.

Het Hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverwegingen

Het Hof acht op grond van de bewijsmiddelen als vervat in het vonnis van het Gerecht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in zijn hoedanigheid van politieambtenaar samen met (een) ander(en) een portofoon heeft verduisterd. Uit die bewijsmiddelen blijkt aan het Hof van de volgende gang van zaken.

De verdachte werkte binnen de politie bij het Bureau Integriteit en Veiligheid (“het BIV”). Aan elk personeelslid van het BIV werd één specifieke portofoon toegewezen. Bij de politie is geregistreerd dat aan de verdachte de portofoon met het nummer [kenmerk portofoon] (“[kenmerk portofoon]”) is toebedeeld.

Vast staat dat de [kenmerk portofoon] wederrechtelijk in gebruik is geweest bij (onder meer) verdachte [medeverdachte]. [Naam 1] heeft hierover bij de politie verklaard dat hij de [kenmerk portofoon] en bijbehorende oplader van zijn baas [naam baas, hierna: baas] heeft gekregen ergens in 2015 of 2016. Toen hij de politieportofoon kreeg, woonde hij bij zijn ouders te [adres 1]. Dit verklaart ook, hetgeen wordt bevestigd door [naam 1], dat uit historische gps-gegevens de portofoon in 2016 en 2017 regelmatig en gedurende langere periodes heeft aangestraald op de [adres 1]. [naam 1] heeft verder verklaard dat hij in januari 2018 de [kenmerk portofoon] naar het adres te [wijk] heeft gebracht. Het was [verdachte], die toen naar buiten kwam om de portofoon in ontvangst te nemen, aldus [naam 1].

Het Hof acht de verklaringen van de ter terechtzitting door het Hof als getuige gehoorde [naam 1] betrouwbaar. Zo worden deze verklaringen ondersteund door objectieve historische gps-gegevens, terwijl [naam 1] met zijn verklaringen bovendien zichzelf heeft belast, hetgeen voor hem een strafrechtelijke vervolging en veroordeling tot gevolg heeft gehad. Er is niet gebleken van enige reden op grond waarvan moet worden aangenomen dat of waarom [naam 1] in zijn verklaringen zou hebben gelogen.

Bovenstaande feiten en omstandigheden rechtvaardigen de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat het [verdachte] is geweest die de [kenmerk portofoon] die aan hem was toegewezen heeft verstrekt aan een ander, vermoedelijk [baas], die op zijn beurt de [kenmerk portofoon] aan [naam 1] heeft gegeven. Zonder redengevende alternatieve verklaring valt immers niet in te zien hoe de [kenmerk portofoon] die aan [verdachte] was toebedeeld bij [naam 1] is terechtgekomen. Deze conclusie wordt versterkt doordat [naam 1] op zijn beurt de [kenmerk portofoon] weer heeft teruggeven aan [verdachte], hetgeen onlogisch zou zijn als de [kenmerk portofoon] niet van [verdachte] afkomstig was geweest.

De verdachte heeft in zoverre een alternatieve verklaring gegeven dat hij eerst ter zitting in hoger beroep heeft aangevoerd dat er sprake was van een verwisseling van portofoons eind 2017/begin 2018. Daardoor was de [kenmerk portofoon] in die periode niet in zijn bezit en kan hij dus ook niet degene zijn geweest die de [kenmerk portofoon] (indirect) aan [naam 1] heeft gegeven. Het Hof hecht aan deze verklaring geen geloof. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat de leidinggevende van de verdachte, de heer [leidinggevende], op de terechtzitting van 21 september 2021 door het Hof als getuige is gehoord. Deze getuige heeft verklaard dat er geen verwisseling van portofoons is geweest in deze periode. Bovendien heeft de verdachte bij het Gerecht juist verklaard dat hij de [kenmerk portofoon] gedurende de tenlastegelegde periode steeds voorhanden heeft gehad, terwijl het (tegenstrijdige) verweer dat hij de [kenmerk portofoon] niet heeft gehad in de relevante periode nu pas voor het eerst ter zitting in hoger beroep wordt gevoerd. Tot slot heeft de verdachte tevens ontkend dat [naam 1] hem de [kenmerk portofoon] heeft gegeven, hetgeen het Hof gelet op de betrouwbare verklaringen van [naam 1], ook ongeloofwaardig acht.

Dit alles maakt dat het Hof voorbij gaat aan het verweer dat de verdachte door een verwisseling van portofoons de [kenmerk portofoon] vanaf het begin af aan niet in zijn bezit zou hebben gehad en het daarom een ander dan de verdachte moet zijn geweest die de [kenmerk portofoon] in onbevoegde handen heeft gesteld of doen stellen.

Het Hof acht dan ook bewezen dat de verdachte de portofoon [kenmerk portofoon] tezamen en in vereniging met (een) ander(en) heeft verduisterd, door deze aan (een) ander(en) te verstrekken.

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 1:123 juncto 2:298 juncto artikel 1:116 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

medeplegen van verduistering, terwijl hij als ambtenaar bij het begaan van een strafbaar feit gebruik maakt van gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Oplegging van straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft gedurende een periode van enkele jaren een aan hem als politieambtenaar gegeven portofoon aan anderen gegeven, waarmee deze anderen gedurende enkele jaren direct toegang hadden tot vertrouwelijke politie-informatie. Deze anderen werkten ook nog eens bij de pers hetgeen heeft betekend dat vertrouwelijke politie-informatie open en bloot op straat kwam te liggen.

De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij misbruik heeft gemaakt van zijn positie en het in hem gestelde vertrouwen op grove wijze heeft geschonden. Een politieambtenaar neemt, gelet op zijn taak en functie, een bijzondere plaats in de samenleving in. Van een politieagent wordt daarom integriteit en onkreukbaarheid verwacht. Dit geldt in het bijzonder voor de verdachte die nota bene bij het Bureau Integriteit en Veiligheid werkte. De verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op het vertrouwen dat de maatschappij in de politie mag hebben. Daarbij heeft de verdachte met zijn handelwijze schade toegebracht aan het imago van het politiekorps en het vertrouwen van zijn mede politieambtenaren beschaamd. De (destijds) leidinggevende van de verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat de hele affaire een enorme invloed heeft gehad en dat hij zich nog immer schaamt voor wat er destijds is gebeurd.

Persoonlijke omstandigheden die in het voordeel van de verdachte zouden moeten meewegen bij het bepalen van de hoogte van de straf ziet het Hof niet. Het feit dat het Korps Politie Aruba de verdachte oneervol heeft ontslagen was een voorzienbaar gevolg van zijn handelen en zal het Hof ook niet in matigende zin meewegen bij het bepalen van de straf.

Het Hof stelt overigens vast dat er sprake is van een schending van het recht van de verdachte op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. In dat verband wijst het Hof erop dat de verdachte op 19 juli 2019 hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis waarvan beroep en dat de behandeling in hoger beroep eerst vandaag – aldus niet binnen twee jaren – met een eindvonnis is afgerond. Daarvoor zijn geen bijzondere omstandigheden aan te wijzen, anders dan de Covid-19 pandemie waardoor een vertraging in de behandeling van veel strafzaken -waaronder de onderhavige- is ontstaan. Het Hof is echter van oordeel dat gelet hierop, alsmede gezien de (relatief) beperkte mate van de overschrijding en/of de voortvarende behandeling in hoger beroep, kan worden volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is geschonden.

De aard en ernst van het bewezen geachte feit maken dat een gevangenisstraf een passende straf is, niet alleen om de verdachte voor zijn handelen af te straffen, maar ook als krachtig signaal naar elke andere (politie)ambtenaar die meent of denkt zijn positie te moeten misbruiken. Het Hof, is na dit een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking komt in de door het Gerecht opgelegde en de procureur-generaal gevorderde straf.

Het Hof ziet echter onder ogen dat het feit inmiddels dateert van enkele jaren geleden. Om die reden acht het Hof het in dit geval niet passend de verdachte alsnog een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Het Hof zal de verdachte daarom een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen in combinatie met een taakstraf. Het Hof zal de duur van de voorwaardelijke gevangenisstraf bepalen op 2 maanden. De daaraan te verbinden proeftijd zal gelet op het tijdsverloop worden beperkt tot één jaar. De taakstraf zal in de vorm van een werkstraf worden opgelegd voor de duur van 120 uren.

BESLISSING

Het Hof:

vernietigt het vonnis van het Gerecht ten aanzien van de beslissing ten aanzien van de bewezenverklaring, de kwalificatiebeslissing en de strafoplegging, en doet in zoverre opnieuw recht;

verklaart zoals hiervoor overwogen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 2 (twee) maanden;

bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, naar de maatstaf van 2 (twee) uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag;

bevestigt het vonnis van het Gerecht voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit vonnis is gewezen door mrs. R. Veldhuisen, W.J. Geurts-de Veld en

R.L.M. van Opstal, leden van het Hof, bijgestaan door mr. I.M. Sinon, zittingsgriffier, en op 11 oktober 2021 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba.

uitspraakgriffier: