Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2021:326

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
06-08-2021
Datum publicatie
03-09-2021
Zaaknummer
AUA2019H00186
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is een Naamloze Vennootschap die naar Arubaans recht is opgericht en op Aruba hotels exploiteert. Voor de jaren 1991 tot en met 2001 is op belanghebbende het tax-holiday regime van toepassing. Vanaf 2002 is belanghebbende belast volgens het normale winstbelastingregime. In hoger beroep is in geschil of de verliezen geleden gedurende de tax-holiday dienen te worden verrekend met winsten genoten gedurende de tax-holiday. De conclusie is niet anders dan dat de wetgever ook op de resultaten behaald tijdens de tax-holidayperiode bij de hoofdregel van de verliescompensatie heeft willen aansluiten. Vervolgens is nog in geschil of belanghebbende ervoor kan kiezen om de beperkt verrekenbare verliezen uit de latere jaren 2000 en 2006 te verrekenen alvorens zij de onbeperkt verrekenbare verliezen uit de eerste vier jaren gaat verrekenen. Met het Gerecht is het Hof van oordeel dat uit de tekst van de wet in combinatie met de toelichting op artikel 10, lid 1 LWB volgt dat de regel dat het oudste verlies eerst voor verrekening komt, onverkort geldt voor aanloopverliezen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt niet van de bedoeling van de wetgever om op dit punt van de hoofdregel af te willen wijken zodat ook hier de conclusie niet anders kan zijn dan dat de wetgever met betrekking tot de volgorde van verrekening van verliezen geen onderscheid heeft willen maken tussen beperkt verrekenbare en onbeperkt verrekenbare verliezen. Het hoger beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2021/2310
V-N 2021/45.1.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

AUA2019H00186

Datum uitspraak: 6 augustus 2021

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

[Belanghebbende], gevestigd in Aruba

appellant in hoger beroep (hierna: de belanghebbende),

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (het Gerecht) van 10 juli 2019 in de zaak BBZ nr. AUA201803117, in het geding tussen de belanghebbende

en

de inspecteur der Belastingen in Aruba

verweerder in hoger beroep (hierna: de Inspecteur)

1.Procesverloop

1.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 31 maart 2017 voor het jaar 2011 een navorderingsaanslag winstbelasting (hierna: WB 2011) opgelegd van Afl. 1.822.212.

1.2. Belanghebbende heeft op 3 mei 2017 bezwaar gemaakt tegen de opgelegde navorderingsaanslag WB 2011.

1.3. Aan belanghebbende is met dagtekening 30 juni 2017 voor het jaar 2012 een navorderingsaanslag winstbelasting (hierna: WB 2012) opgelegd van Afl. 2.030.252.

1.4. Belanghebbende heeft op 17 juli 2017 bezwaar gemaakt tegen de opgelegde navorderingsaanslag WB 2012.

1.5. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 16 augustus 2018 de bezwaren tegen de navorderingsaanslag WB 2012 afgewezen.

1.6. Belanghebbende heeft op 3 oktober 2018 bij het Gerecht beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar tegen de navorderingsaanslag WB 2012.

1.7. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 31 oktober 2018 de navorderingsaanslag voor het jaar 2011 verminderd naar een bedrag van Afl. 902.188 en de opgelegde boete gehandhaafd.

1.8. Belanghebbende heeft op 4 december 2018 bij het Gerecht beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar tegen de navorderingsaanslag WB 2011.

1.9. Bij uitspraak van 10 juli 2019 heeft het Gerecht de beroepen van belanghebbende ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft op 5 september 2019 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van het Gerecht. De Inspecteur heeft een verweerschrift in hoger beroep ingediend. Belanghebbende heeft op 25 februari 2020 een schriftelijke reactie op het verweerschrift ingediend.

1.10. Tot de stukken van het geding behoort, naast de hiervoor vermelde stukken, het van het Gerecht ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.11. Het Hof heeft de zaak ter zitting te Willemstad/Oranjestad met behulp van een beeldverbinding behandeld op 24 februari 2021. De rechters en de griffier waren aanwezig op het Hof in Curaçao. Bij het Gerecht in Aruba zijn verschenen en gehoord [A] als gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door [B] en [C], alsmede [D] namens de Inspecteur.

1.12. Belanghebbende en de Inspecteur hebben ieder een pleitnota ingediend.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende is een Naamloze Vennootschap die op 23 april 1991 naar Arubaans recht is opgericht en op Aruba de hotels bekend als ‘[Q]’ en ‘[Z]’ exploiteert.

2.2.

Belanghebbende is bij landsbesluit van 8 november 1993 voor het beheren en exploiteren van een hotelonderneming aangemerkt als een bedrijf in de zin van de Landsverordening bevordering industrievestiging en hotelbouw (hierna: LBIH). In voormeld landsbesluit is bepaald dat aan belanghebbende deswege voor de duur van tien jaar vrijstelling wordt verleend van grond-, gebruiks- en winstbelasting als vermeld in artikel 2, eerste lid, onder b, c en d van de LBIH en voor de duur van elf jaar vrijstelling van invoerrechten op materialen en goederen ten behoeve van de bouw en eerste inrichting (hierna: tax-holiday regime).

2.3.

Op de jaren 1991 tot en met 2001 is op belanghebbende het tax-holiday regime van toepassing. Vanaf 2002 is belanghebbende belast volgens het normale winstbelastingregime.

2.4.

Belanghebbende heeft over de jaren 1991 tot en met 2012 de volgende bedragen aan resultaat (voor verliesverrekening) behaald:

Jaar

Belastbare winst (Afl.)

Jaar

Belastbare winst (Afl.)

1991

-/-6.937.417

2002

747.397

1992

-/-5.396.535

2003

1.147.037

1993

-/-5.690.397

2004

6.596.080

1994

-/-5.503.244

2005

4.162.153

1995

271.437

2006

-/-11.295.184

1996

505.104

2007

7.233.335

1997

60.282

2008

1.507.138

1998

1.209.168

2009

1.596.438

1999

2.565.091

2010

1.674.291

2000

-/-1.204.462

2011

6.565.412

2001

2.325.806

2012

7.314.113

2.5.

Aan belanghebbende zijn over de jaren 2011 en 2012 aangiftebiljetten uitgereikt. Wegens het uitblijven van de indiening van de aangiften door belanghebbende heeft de Inspecteur aan belanghebbende op 31 januari 2015 een ambtshalve aanslag WB 2011 opgelegd van Afl. 16.905. Tevens werd daarbij een verzuimboete opgelegd van Afl. 805. Op 31 maart 2015 is aan belanghebbende een ambtshalve aanslag WB 2012 opgelegd van Afl. 18.580. Tevens werd daarbij een verzuimboete opgelegd van Afl. 884.

2.6.

Belanghebbende heeft hierna op 22 april 2016 (WB 2011) en 31 maart 2017 (WB 2012) voor de onderhavige jaren alsnog aangifte gedaan. Daarbij heeft belanghebbende voor die jaren aan belastbare winst aangegeven:

2011 2012

Winst Afl. 6.565.412 Afl. 7.314.113

Af: verliescompensatie Afl. 6.565.412 Afl. 3.593.496

Belastbare winst Afl. 0 Afl. 3.720.617

Daarbij is in het aangiftebiljet WB 2011 vermeld dat het verlies betreft te compenseren verliezen van ‘voorgaande jaren’. In het aangiftebiljet voor het jaar 2012 is door belanghebbende aangegeven dat het te compenseren verlies een verlies uit 1994 betreft.

2.7.

De Inspecteur heeft navorderingsaanslagen overeenkomstig de aangiften opgelegd maar heeft daarbij geen rekening gehouden met de aangegeven bedragen aan te compenseren verlies. De belastbare winst van belanghebbende voor het jaar 2011 is door de Inspecteur bij de aanslag vastgesteld op Afl. 6.565.412 en de belastbare winst voor het jaar 2012 op Afl. 7.314.113.

2.8.

Na daartegen door belanghebbende gemaakte bezwaren heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar van 31 oktober 2018 bij het vaststellen van de belastbare winst van belanghebbende over het jaar 2011 alsnog rekening gehouden met een restant te compenseren verlies uit 2006 van Afl. 3.222.031.

2.9.

Na uitspraken op de bezwaren van belanghebbende zijn de navorderingsaanslagen over de jaren 2001 en 2012 als volgt samengesteld:

2011 2012

Winst Afl. 6.565.412 Afl. 7.314.113

Af: verliescompensatie Afl. 3.222.031 Afl. 0

Belastbare winst (na afronding) Afl. 3.343.300 Afl. 7.314.100

Bedrag van de aanslag (28%) Afl. 936.124 Afl. 2.047.948

Af: ambtshalve aanslag Afl. 16.905 Afl. 18.580

Afl. 919.219 Afl. 2.039.368

Bij: verzuimboete Afl. 805 Afl. 884

Afl. 920.024 Afl. 2.030.252

2.10.

De door belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar ingestelde beroepen zijn door het Gerecht ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft tegen die uitspraken hoger beroep ingesteld.

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

In hoger beroep is tussen partijen in geschil het antwoord op de vragen:

  1. Dienen verliezen geleden gedurende de tax-holiday te worden verrekend met winsten genoten gedurende de tax-holiday, en

  2. Kan belanghebbende ervoor kiezen om de beperkt verrekenbare verliezen uit latere jaren 2000 en 2006 te verrekenen voor de onbeperkt verrekenbare verliezen uit de eerste vier jaren.

3.2.

Belanghebbende beantwoordt de eerste vraag ontkennend en de tweede vraag bevestigend. De Inspecteur beantwoordt de vragen in tegengestelde zin.

3.3.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, alsmede op wat zij ter zitting hebben bijgebracht.

3.4.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van het Gerecht en tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en primair tot vernietiging van de navorderingsaanslag WB 2011 en tot vermindering van de navorderingsaanslag WB 2012 tot een naar een winst van Afl. 2.516.155. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van het Gerecht.

4 Uitspraak van het Gerecht

Het Gerecht heeft – kort gezegd – geoordeeld dat de stelling van belanghebbende dat zij op basis van de LBIH vrijstelling van winstbelasting geniet, en dat daarom gedurende de periode van de tax-holiday de verliesverrekeningsbepaling van artikel 10 LWB niet van toepassing is, dient te worden verworpen. Over de volgorde van de verliesverrekening overweegt het Gerecht dat uit de tekst van de wet in combinatie met de toelichting op artikel 10, lid 1 van de Landsverordening Winstbelasting (hierna: LWB) volgt dat de regel dat het oudste verlies als eerste voor verrekening komt, onverkort geldt voor aanloopverliezen. Met betrekking tot belanghebbendes beroep op het concordantiebeginsel overweegt het Gerecht dat dit beginsel is opgenomen in artikel 39 van het Statuut en dat dit artikel niet van toepassing op de belastingwetgeving.

5 Beoordeling van het geschil

5.1.

Belanghebbende stelt dat de wetgeving met betrekking tot de aard van de tax-holiday onduidelijk is. Met name is volgens belanghebbende niet duidelijk of daarbij sprake is van een objectvrijstelling. Verder vermeldt de wettekst van artikel 10 LWB noch de toelichting daarop dat verliezen geleden tijdens de periode van de tax-holiday ook binnen die periode dienen te worden verrekend. Bovendien zou – aldus belanghebbende – verliesverrekening tijdens de tax-holiday ook onlogisch zijn nu daarmee geen enkel doel zou worden gediend (de winsten waren immers vrijgesteld) en zou dit leiden tot een gedeeltelijk terugnemen van de vrijstelling.

5.2.

Voor de verliezen van belanghebbende in de jaren 1991 tot en met 1994 zijn onder meer de artikelen 10 en 15 van de LWB van belang. Die artikelen luidden destijds, voor zover hier van belang:

Artikel 10

1. Wanneer bij toepassing der regelen omtrent de bepaling der winst over enig jaar verlies wordt becijferd, komt dit in mindering van de winst over de volgende vijf jaren te beginnen bij het eerste dier jaren.

2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid komen, wanneer bij toepassing van de regelen omtrent de bepaling van de winst over enig boekjaar van een onderneming welke aan de in de Landsverordening bevordering industrievestiging en hotelbouw gestelde bepalingen en voorwaarden voldoet, een verlies wordt becijferd, verliezen, gemaakt in de eerste vier jaren na de inbedrijfstelling van die onderneming, in mindering van de winst, te beginnen bij het eerste jaar waarin winst wordt gemaakt.

Artikel 15

1. Voor de toepassing van het tarief wordt de winst naar beneden afgerond tot honderdtallen van florins.

2. De belasting bedraagt, indien de winst niet meer bedraagt dan f 40.000, 27 ten honderd van de winst.

(…)

5. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid wordt over de winst van naamloze vennootschappen welke voldoen aan de in de Landsverordening bevordering en hotelbouw (…) gestelde bepalingen en voorwaarden, een belasting geheven naar een verminderd tarief en voor de duur van een bepaalde periode welke bij die landsverordeningen vastgesteld worden.

5.3.

De LBIH bepaalde met betrekking tot de te verlenen vrijstelling, voor zover hier van belang:

Artikel 2

1. Krachtens deze landsverordening kan vrijstelling worden verleend van:

a. (…)

(…)

c. de winstbelasting op de voet van artikel 15, tweede lid van de Landsverordening op de Winstbelasting 1940 (P.B. 1965, no. 58), met dien verstande dat ter zake van winstbelasting een verminderd tarief, als bedoeld in het vijfde lid van het genoemde artikel, wordt geheven, welk tarief met inbegrip van opcenten tenminste twee procent over de gerealiseerde winst bedraagt.

Artikel 12:

De vrijstelling van winstbelasting op de wijze bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, wordt toegepast op de winst, door een naamloze vennootschap met een bedrijf behaald in het boekjaar waarin de bedrijfsinrichting in gebruik gesteld is, en ten hoogste de tien daarop volgende boekjaren.

In de Invoeringsverordening Landsverordening dividendbelasting en imputatiebetaling (A.B. 2002 No. 124) is vervolgens met betrekking tot de krachtens de LIBH verleende vrijstellingen onder meer bepaald:

Artikel VIII

1. In artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van de Landsverordening bevordering industrievestiging en hotelbouw (AB 1993 no. GT 25) worden de woorden “twee procent” vervangen door: nul procent.

2. De Landsverordening bevordering industrievestiging en hotel- bouw (AB 1993 no. GT 25) wordt ingetrokken.

Artikel X

1. Op ondernemingen die voor 1 januari 2003 in het bezit waren van een landsbesluit als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Landsverordening bevordering industrievestiging en hotelbouw (…) blijven de op 31 december 2002 geldende bepalingen van die landsverordening, van artikel 10, tweede lid, en artikel 15, vijfde lid, van de Landsverordening winstbelasting, van artikel 9b, tweede lid, van de Landsverordening inkomstenbelasting en van artikel 2, eerste lid, onderdeel h, van de Landsverordening grondbelasting en van artikel 128, eerste lid, ten 6°, onderdeel n, van de Landsverordening in-, uit- en doorvoer van kracht gedurende de tijd waarvoor de aanwijzing danwel de vantoepassingverklaring is geschied danwel de vrijstelling is verleend.

Artikel XI

1. Deze landsverordening treedt in werking met ingang van de dag waarop de Landsverordening dividendbelasting en imputatiebetaling in- werking treedt en werkt, wat artikel VIII, eerste lid, betreft, terug tot en met 1 januari 1986.

5.4.

Uit de bepalingen vermeld onder 5.3 hiervoor, met name artikel 15, vijfde lid van de LWB, en artikel 2, eerste lid, letter c en artikel 12 van de LBIH, volgt dat de onderhavige tax-holiday krachtens de LBIH geen objectvrijstelling betrof, doch daarentegen voorzag in een belastingheffing gedurende een zekere periode van een van de LWB afwijkend, verlaagd, tarief van aanvankelijk 2% welk tarief nadien met terugwerkende kracht tot 1 januari 1986 is verlaagd naar 0%. Van op dit punt onduidelijke wetgeving is, anders dan belanghebbende stelt, geen sprake.

5.5.

Met betrekking tot de vraag over de verliesverrekening tijdens de periode van de tax-holiday overweegt het Hof als volgt.

5.6.

Zoals uit de 5.2. tot en met 5.4. hiervoor weergegeven regelgeving volgt, is belanghebbende gedurende de periode van de tax-holiday belastingplichtig met betrekking tot haar winsten ook voor zover die zijn behaald met activiteiten als bedoeld in de LBIH, zij het dat daarop een verlaagd tarief van 2% werd toegepast, welk tarief in 2002 met terugwerkende kracht tot 1 januari 1986 verder is verlaagd naar 0%. Dit betekent dat de winsten van belanghebbende naar de toen ter tijd geldende bepalingen zouden worden belast naar een tarief van 2%. Anders dan belanghebbende stelt, was het naar de destijds geldende regeling voor daarvoor kwalificerende belastingplichtigen wel van belang dat er tijdens de periode van de tax-holiday een mogelijkheid bestond verliezen met winsten te compenseren en werd daarmee wel degelijk een doel gediend. Dat in 2002 met terugwerkende kracht tot 1 januari 1986 het uit hoofde van de LBIH verlaagde winstbelastingtarief van 2% verder werd verlaagd naar 0% maakt niet dat daarmee met terugwerkende kracht de grond aan de regeling van de verliescompensatie binnen de tax-holidayperiode wordt ontnomen. Dat – zoals belanghebbende nog heeft gesteld – noch de tekst van artikel 10 van de LWB noch de toelichting daarop en evenmin de LBIH expliciet vermelden dat de regels van de verliesverrekening ook binnen de periode van de tax-holiday toepassing vinden leidt evenmin tot de conclusie dat in die periode geen verliesverrekening plaats vindt. Immers is de hoofdregel van de verliescompensatie zoals opgenomen in het eerste lid van artikel 10 van de LWB, dat verliezen van een belastingplichtige op de in dat lid vermelde voorwaarden worden verrekend met latere winsten van die belastingplichtige. Het tweede lid van artikel 10 van de LWB bouwt verder op deze hoofdregel (“onverminderd het bepaalde in het eerste lid”), doch verlengt in de aldaar vermelde gevallen alleen de termijn van de verliesverrekening. Juist voor het geval dat de wetgever bij toepassing van de regeling van de LBIH van deze hoofdregel had willen afwijken had zulks uitdrukkelijk dienen te worden bepaald. De wetgever heeft dat niet gedaan, en ook uit de wetsgeschiedenis blijkt niet van de bedoeling van de wetgever om op dit punt van de hoofdregel af te willen wijken, zodat de conclusie niet anders kan zijn dan dat de wetgever ook op de resultaten behaald tijdens de tax-holidayperiode bij de hoofdregel van de verliescompensatie heeft willen aansluiten.

5.7.

Het gelijk met betrekking tot de eerste vraag is aan de Inspecteur.

5.8.

Vervolgens is nog in geschil of belanghebbende ervoor kan kiezen om de beperkt verrekenbare verliezen uit de latere jaren 2000 en 2006 te verrekenen alvorens zij de onbeperkt verrekenbare verliezen uit de eerste vier jaren gaat verrekenen. Het systeem waarbij het verlies van het oudste jaar het eerst wordt verrekend heeft – aldus belanghebbende – tot doel om ten voordele van de belastingplichtige verliesverdamping zoveel mogelijk te voorkomen dan wel te beperken. Verder heeft de wetgever nergens tot uitdrukking gebracht dat de verrekening van onbeperkt verrekenbare verliezen voorrang zou hebben op de verrekening van beperkt verrekenbare verliezen. Tot slot stelt belanghebbende met een beroep op het concordantiebeginsel, en onder verwijzing naar artikel 20, vierde lid van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb) zoals dat tot dat 30 december 1994 in Nederland gold, dat de Arubaanse wetgever heeft bedoeld de regeling omtrent de verliescompensatie zodanig in te richten dat beperkt compensabele verliezen met voorgang op onbeperkt compensabele verliezen worden verrekend.

5.9.

Artikel 10, eerste lid van de LWB, zoals opgenomen onder 5.2, bepaalde dat wanneer bij toepassing van de regels omtrent de bepaling der winst over enig jaar verlies wordt becijferd, dit in mindering komt van de winst over de volgende vijf jaren te beginnen bij het eerste van die jaren. In de memorie van toelichting (zittingsjaar 1939-1940-39 No.3) is op pagina 12 over de verliesverrekening – indertijd was er sprake van een verliesverrekening van twee jaar – het volgende vermeld:

“Dit artikel opent de mogelijkheid om de winst over het jaar der heffing te compenseren met verliezen van vroegere jaren. Die compensatie is beperkt tot het verlies, dat in de twee voorafgaande jaren is geleden. Zij moet geschieden met inachtneming van de volgorde door het artikel aangegeven. Is over enig jaar een verlies geleden van 4x en over de volgende drie jaren een winst behaald van achtereenvolgens x, 2x en 3x, dan vindt tweemaal compensatie plaats, eerst x, daarna 2x, terwijl over het derde jaar een aanslag wordt vastgesteld berekend naar een winst van 3x.

Is over beide aan het jaar der heffing onmiddellijk voorafgaande jaren een verlies geleden, dan moet het verlies van elk dier jaren afzonderlijk worden beschouwd.

Het verlies over het eerste jaar dier jaren komt voor compensatie in de eerste plaats in aanmerking, zoodat indien het in beide jaren tezamen geleden verlies de winst in het heffingsjaar behaald, overtreft, het verlies in het tweede jaar geleden nog geheel of gedeeltelijk voor compensatie in het volgend heffingsjaar in aanmerking komt. (…)”

5.10.

Zoals uit de hiervoor aangehaalde passage uit de memorie van toelichting volgt, wordt bij de verliesverrekening uit hoofde van het eerste lid van artikel 10 van de LWB het verlies van het oudste jaar het eerst verrekend. Met het Gerecht is het Hof van oordeel dat uit de tekst van de wet in combinatie met de hiervoor vermelde toelichting op artikel 10, lid 1 LWB volgt dat de regel dat het oudste verlies eerst voor verrekening komt, onverkort geldt voor aanloopverliezen.

5.11.

Zoals is overwogen onder 5.6 is de hoofdregel van de verliescompensatie zoals opgenomen in het eerste lid van artikel 10 van de LWB, dat verliezen van een belastingplichtige op de in dat lid vermelde voorwaarden worden verrekend met latere winsten van die belastingplichtige. Het tweede lid van artikel 10 van de LWB bouwt verder op deze hoofdregel (“onverminderd het bepaalde in het eerste lid”), doch verlengt in de aldaar vermelde gevallen alleen de termijn van de verliesverrekening. Het systeem van de wijze van verrekening blijft dus ook bij toepassing van het tweede lid van artikel 10 van de LWB zoals dat destijds luidde, dat het verlies van het oudste jaar het eerst wordt verrekend met winsten van latere jaren.

5.12.

Aan belanghebbende kan worden toegegeven dat blijkens de memorie van toelichting de regel dat het verlies van het oudste jaar het eerst wordt verrekend, werd ingegeven vanuit de gedachte daarmee verliesverdamping zoveel mogelijk te voorkomen. Daarmee zou in overeenstemming zijn, een regeling waarbij de beperkt verrekenbare verliezen worden verrekend alvorens onbeperkt verrekenbare verliezen in aanmerking worden genomen. Echter ook hier heeft te gelden dat voor het geval dat de wetgever bij toepassing van de regeling van de LBIH van de hoofdregel (verlies van het oudste jaar eerst verrekenen) had willen afwijken zulks uitdrukkelijk dienen te worden bepaald. Het tweede lid van artikel 10 van de LWB dient echter te worden toegepast “onverminderd het bepaalde in het eerste lid”. Een bijzondere bepaling met betrekking tot de volgorde van verrekening bij aanwezigheid van onbeperkt verrekenbare verliezen is niet in de wet opgenomen. Ook uit de wetsgeschiedenis blijkt niet van de bedoeling van de wetgever om op dit punt van de hoofdregel af te willen wijken zodat ook hier de conclusie niet anders kan zijn dan dat de wetgever met betrekking tot de volgorde van verrekening van verliezen geen onderscheid heeft willen maken tussen beperkt verrekenbare en onbeperkt verrekenbare verliezen.

5.13.

Het door belanghebbende gedane beroep op het concordantiebeginsel (artikel 39, lid 1 van het Statuut voor het Koninkrijk) slaagt reeds niet omdat Aruba expliciet in eigen regelgeving met betrekking tot de verliesverrekening heeft en daarbij, anders destijds de wetgever in Nederland in artikel 20, vierde lid van de Wet Vpb, geen expliciete regeling heeft getroffen bij de samenloop van verrekening van beperkt verrekenbare en onbeperkt verrekenbare verliezen en dus is een overeenkomstige uitleg van de verliesverrekeningsbepalingen niet aan de orde. Voorts is het belastingrecht niet genoemd in artikel 39, lid 1 van het Statuut voor het Koninkrijk zodat een concordante uitleg op grond van deze bepaling ook niet aan de orde is.

5.14.

Ook het gelijk met betrekking tot de tweede vraag is aan de Inspecteur.

Slotsom

Gelet op al het voorgaande is het hoger beroep ongegrond.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van het Gerecht.

De uitspraak is gedaan door mr. drs. M.G.J.M. van Kempen, voorzitter, mr. J. Snitker en mr. drs. P.J.J. Vonk, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C.M.J. Bucx, als griffier. De beslissing is op 6 augustus 2021 in het openbaar uitgesproken. Wegens ontstentenis van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door de oudste raadsheer.

Afschriften zijn per post/per e-mail op (datum-stempel) aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na dagtekening van het afschrift van de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Partijen hebben ook de mogelijkheid hun beroepschrift in te dienen bij de griffie van het Gerecht in Eerste aanleg dat de zaak in eerste aanleg heeft behandeld. De datum van binnenkomst bij de griffie van het lokale Gerecht in Eerste aanleg is in dat geval bepalend voor de vraag of het beroep tijdig is ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. waartegen u in beroep komt;

d. waarom u het daar niet mee eens bent (de gronden van het beroep).

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

Toelichting op de rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld en in veel gevallen verplicht (zie daarover www.hogeraad.nl). Daarvoor is echter een geschikt inlogmiddel nodig. Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het betreffende webportaal. Zij kunnen, zolang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken per post procederen, zoals hiervoor vermeld.