Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2021:281

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
24-08-2021
Datum publicatie
30-08-2021
Zaaknummer
CUR2020H00406, CUR2020H00407 en CUR2020H00408
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vastgestelde zorgbudgetten ter dekking van de te verlenen zorg van een ziekenhuis in de jaren 2016-2019. Uit de systematiek van de Landsverordening basisverzekering ziektekosten volgt niet dat de minister bij de vaststelling uit moet gaan van de werkelijke kosten van het ziekenhuis. De minister is in redelijkheid uitgegaan van de pro forma declaraties die zijn gecorrigeerd aan de hand van foutenlijsten, en heeft die zonder nadere indexering mogen vermenigvuldigen met de tarieven in het Landsbesluit Medisch Tarief Sociale Verzekeringen 2001. Echter heeft de minister voor de jaren 2016 en 2017 ten onrechte geen rekening gehouden met de transitiekosten die het ziekenhuis in die jaren heeft moeten maken. De zorgbudgetten voor die jaren moeten daarom op een hoger bedrag worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

CUR2020H00406, CUR2020H00407 en CUR2020H00408

Datum uitspraak: 24 augustus 2021

gemeenschappelijk hof van jusTitie

van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op de hoger beroepen van:

Stichting Sint Elisabeth Hospitaal, gevestigd in Curaçao (hierna: Sehos),

appellante,

tegen de uitspraken van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van

4 november 2020 in zaken nrs. CUR201803782, CUR201804298 en CUR201804418, in de gedingen tussen:

appellante

en

de minister van Gezondheid, Milieu en Natuur (hierna: de minister)

Procesverloop

Bij beschikking van 22 november 2018 heeft de minister het budget ter dekking van de kosten van de door Sehos te verlenen zorg voor het jaar 2016 vastgesteld op NAf 124.000.000.

Bij uitspraak van 4 november 2020 heeft het Gerecht het door Sehos daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij beschikking van eveneens 22 november 2018 heeft de minister het budget ter dekking van de kosten van de door Sehos te verlenen zorg voor het jaar 2017 vastgesteld op NAf 124.000.000.

Bij uitspraak van eveneens 4 november 2020 heeft het Gerecht het door Sehos daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beschikking vernietigd voor zover daarbij een doelmatigheidskorting is toegepast, het budget voor het jaar 2017 vastgesteld op NAf 127.000.000 en bepaald dat deze uitspraak in de plaats komt van de beschikking van 22 november 2018.

Bij beschikking van 7 november 2018 heeft de minister het budget ter dekking van de kosten van de door Sehos te verlenen zorg voor de jaren 2018 en 2019, althans tot de overgang naar het Curaçao Medical Center (hierna: het CMC), vastgesteld op NAf 135.000.000.

Bij uitspraak van opnieuw 4 november 2020 heeft het Gerecht het door Sehos daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraken heeft Sehos hoger beroepen ingesteld.

De minister heeft verweerschriften ingediend.

Het Hof heeft de zaken gevoegd behandeld ter zitting van 1 juni 2021. Sehos, vertegenwoordigd door E. Thodé en S. Penchel, bijgestaan door mr. S.H. Barten en mr. G.A.A. Merselina, advocaat, en de minister, vertegenwoordigd door mr. L.M. Virginia, advocaat, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

  1. Deze zaak gaat over de vergoeding van de kosten die Sehos heeft gemaakt voor door haar te verlenen zorg aan verzekerden die vallen onder de basisverzekering ziektekosten, bedoeld in de Landsverordening basisverzekering ziektekosten (hierna: de Lbv). De kosten van deze zorg worden aan de instellingen voor gezondheidszorg door de Sociale Verzekeringsbank (hierna: de SVB) vergoed. Vanaf 1 oktober 2014 wordt voor de financiering van deze kosten gebruik gemaakt van budgetten. Sehos krijgt per jaar een budget, waaruit zij de kosten voor de zorg voor basisverzekerden moet halen. Sehos is van mening dat de vastgestelde budgetten te laag zijn en dat zij met die budgetten haar werkelijke kosten niet kan dekken.

  2. Op grond van artikel 23, eerste lid, van het Landsbesluit Medisch Tarief Sociale Verzekeringen 2001 (hierna: het LMTSV) heeft de minister in drie afzonderlijke beschikkingen het budget ter dekking van de kosten van de door Sehos te verlenen zorg vastgesteld voor de jaren 2016, 2017, en 2018 en 2019. De hier van belang zijnde bepalingen van het LMTSV zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
    Sehos heeft tegen de drie afzonderlijke beschikkingen beroep ingesteld omdat de budgetten volgens haar niet toereikend zijn voor de door haar werkelijk gemaakte kosten voor de verleende zorg. Het Gerecht heeft overwogen dat de door de minister toegepaste wijze van budgettering op zichzelf niet kennelijk onredelijk is. Het beroep tegen het vastgestelde budget voor 2017 heeft het Gerecht gegrond verklaard omdat daarbij, anders dan bij de andere budgetten, een doelmatigheidskorting is toegepast van 3%. Het Gerecht heeft zelf voorziend het budget op NAf 127.000.000, het budget zonder de doelmatigheidskorting, vastgesteld.

De hoger beroepen

3. Sehos voert in hoger beroep aan dat het Gerecht niet heeft onderkend dat de wijze van budgetteren wel kennelijk onredelijk is en tevens in strijd is met de wet en de bedoeling van de wetgever. De minister baseert zich bij de berekening van het budget ten onrechte op de door de SVB goedgekeurde pro forma declaraties van het voorgaande jaar, vermenigvuldigd met de tarieven van het LMTSV. Dit is volgens Sehos een administratieve fictie, omdat er een aanzienlijk verschil is tussen de goedgekeurde declaraties en het daadwerkelijke aantal uitgevoerde of uit te voeren verrichtingen. Bovendien dateren de gehanteerde tarieven uit 2009, op basis van kostprijsberekeningen uit 2006, en zijn deze per saldo te laag omdat deze de werkelijke zorgkosten niet dekken. De minister zou zich daarom moeten baseren op de werkelijke kosten van de levering van de zorg van het voorgaande jaar of op een reële schatting van de werkelijke kosten van het budgetjaar. Dat valt, anders dan het Gerecht heeft overwogen, ook af te leiden uit de nota van toelichting bij artikel 23 van het LMTSV, waarin staat dat het protocol uitgaat van een budgetfinanciering voor het jaar 2001 op grond van de werkelijke kosten door het Sehos in het jaar 2000 ten behoeve van verzekerden.
Door niet uit te gaan van de werkelijk door Sehos gemaakte kosten is er een structureel tekort ontstaan dat een onevenredige last vormt. Desondanks werd wel van Sehos verwacht de verantwoorde zorg te blijven leveren, bedoeld in artikel 8 van de Landsverordening zorginstellingen. Sehos betwist dat zij niet voldoende doelmatig met het budget is omgegaan. Daartoe verwijst zij naar het rapport "Documentatie en richtlijnen SEHOS kostprijsmodel 2016" van Performation HOTflo van november 2018, waarin verslag wordt gedaan van een onderzoek is naar de kosten van Sehos in vergelijking met andere ziekenhuizen in de regio en in Nederland. Ook heeft Sehos er alles aan gedaan om de exploitatiekosten te laten dalen en daar is zij grotendeels ook in geslaagd. Sehos heeft er meermalen op gewezen niet uit te komen met de wijze van budgettering en desondanks heeft de minister in de bestreden beschikkingen de methodiek behouden, zonder in te gaan op de bezwaren van Sehos.
Ten slotte voert Sehos aan dat het budget voor de jaren 2018 en 2019 een trendbreuk laat zien, nu daarin een fors hoger zorgbudget is toegekend. Als de extra toegekende NAf 8.000.000 verband houdt met de transitie naar het CMC, zou dat ook moeten gelden voor de budgetten voor de jaren 2016 en 2017 omdat de transitie toen al was ingezet. Bovendien is de hoogte van het bedrag niet gemotiveerd. Ook wijst Sehos erop dat het budget dat voor het CMC is vastgesteld, wel is gebaseerd op een kostenraming van het CMC.

4. De minister stelt zich op het standpunt dat de SVB bij de vaststelling van het zorgbudget zowel wat het zorgvolume als de tarieven betreft, uitgaat van cijfers uit het recente verleden. Volgens de minister is er geen sprake van een administratieve fictie, omdat de door Sehos ingediende declaraties uitgangspunt zijn. Dat de SVB die declaraties nog controleert op rechtmatigheid en doelmatigheid, is een van de kerntaken van de SVB. Het zorgbudget dient immers ter dekking van de kosten van de zorg die door de SVB vanuit de basisverzekering worden vergoed. De door een zorginstelling gemaakte kosten voor geleverde zorg moeten noodzakelijk zijn en gebaseerd op doelmatige inzet van middelen en nadrukkelijk verband hebben met verleende zorg aan basisverzekerden. Ook dient de geleverde zorg tijdig, volledig en op de juiste wijze gedeclareerd te worden bij de SVB. De wens van Sehos om een vergoeding te ontvangen voor alle geleverde zorg druist in tegen de budgetsystematiek zoals die is vastgesteld op grond van het LMTSV en de considerans bij de Lbv. Daarin staat kostenbeheersing in de zorg voorop. Uit de nota van toelichting bij het LMTSV noch uit het protocol volgt dat met werkelijke kosten alle kosten worden bedoeld die een zorginstelling maakt, ongeacht of deze doelmatig, noodzakelijk en rechtmatig waren. Bovendien is er sprake van een budget, waarbij van een achteraf vastgestelde vergoeding van daadwerkelijk gemaakte kosten hoe dan ook geen sprake kan zijn.
Over de tarieven stelt de minister zich op het standpunt dat het enkele feit dat die tarieven in 2009, en ook nog in 2012, zijn vastgesteld niet betekent dat ze niet kostendekkend zijn. Sehos heeft dat ook niet onderbouwd. De minister wijst er verder op dat de exploitatieresultaten van Sehos tussen 2010 en 2013 positief waren. Ook de meest recente jaarrekeningen over de jaren 2018 en 2019 laten een positief exploitatieresultaat zien van tussen de NAf 13.000.000 en NAf 14.000.000. Het Advent Ziekenhuis bereikt bijvoorbeeld ook een positief resultaat met de geldende tarieven. Er is geen wettelijke grondslag om de tarieven te indexeren en daartoe bestaat ook geen aanleiding, omdat het totale budget voor Sehos sinds 2014 is gestegen van NAf 120.000.000 naar NAf 135.000.000. Dat is meer dan de inflatie sinds 2014. Volgens de minister hangen de exploitatieverliezen vanaf 2014 samen met de toen gestegen personeelskosten, zonder dat het zorgvolume daar aanleiding toe gaf, en niet met de geldende tarieven. De minister kan er niet verantwoordelijk voor worden gehouden dat Sehos meer kosten heeft gemaakt dan de inkomsten die zij heeft genoten. Overigens stelt de minister dat het cumulatieve verlies van Sehos volgens de jaarrekeningen over de jaren 2016 tot en met 2019 slechts NAf 2.400.000 is.
Ten slotte stelt de minister zich op het standpunt dat artikel 23 van het LMTSV ruimte geeft om een hoger budget toe te kennen dan door de SVB is geadviseerd. In de jaren 2018 en 2019 is daar in verband met de overgang naar het CMC en de daarmee gepaard gaande incidentele of eenmalige kosten voor gekozen. Van dergelijke kosten was in de jaren 2016 en 2017 geen sprake. Ook kan geen vergelijking worden gemaakt met het vastgestelde zorgbudget voor het CMC, omdat dat een nieuw ziekenhuis is en er dus geen productiecijfers zijn. Daarnaast is de opzet van het CMC anders en is er in die zin ook geen sprake van gelijke gevallen. Zodra de productiecijfers bekend zijn, zal voor het CMC dezelfde - normatieve - budgetsystematiek worden gehanteerd.

5. Het Hof komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Met ingang van 1 februari 2013 is de Lbz in werking getreden. De hier van belang zijnde bepalingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De Lbz geeft verzekerden een aanspraak op zorg in natura, te verstrekken door instellingen van gezondheidszorg (artikel 3.1 van de Lbz). De daarmee gemoeide kosten worden vergoed uit het Fonds Basisverzekering Ziektekosten (artikel 6.1, eerste en tweede lid, van de Lbz). De middelen van dat fonds worden verkregen uit een inkomensafhankelijke premie en een nominale premie, te betalen door verzekerden, en jaarlijks door het Land te verstrekken bijdragen (artikel 6.1, eerste lid, van de Lbz). De Lbz wordt door de SVB uitgevoerd (artikel 4.1, eerste lid, van de Lbz). Daartoe sluit het SVB een zorgcontract met zorgaanbieders, waarin onder meer afspraken worden gemaakt over de vergoeding die de zorgaanbieder voor de kosten van door hem aan een verzekerde verleende zorg in rekening mag brengen (artikel 7.1, eerste en derde lid, onderdeel c, van de Lbz). Artikel 7.5, eerste lid, van de Lbz bepaalt dat bij landsbesluit houdende algemene maatregelen regels worden gesteld met betrekking tot de door zorgaanbieders voor verleende zorg in rekening te brengen tarieven. Zolang een dergelijk landsbesluit niet tot stand is gekomen, behoudt het LMTSV zijn geldigheid (artikel 12.6, derde lid, van de Lbz).

5.2. Artikel 23, eerste lid, van het LMTSV luidt:
"De Minister kan, gehoord de Bank, voor ten minste één jaar per zorginstelling of per zorgverlener een budget vaststellen ter dekking van de kosten van de ingevolge dit landsbesluit door die instelling of zorgverlener te verlenen zorg."
Blijkens de nota van toelichting bij het LMTSV is daarin de mogelijkheid van budgetfinanciering opgenomen met het oog op beheersing van de kosten voor de zorg. Daarbij wordt gewezen op de tendens van stijgende kosten en de noodzaak van een reductie van de kosten die drukken op de fondsen waaruit de zorg wordt betaald. Het invoeren van budgetfinanciering is een van de middelen waarmee de regering dat tracht te bereiken. Het invoeren van een budgetsysteem is facultatief. Aan artikel 23 van het LMTSV is terugwerkende kracht verleend tot en met januari 2001, met dien verstande dat voor Sehos deze bepaling terugwerkt tot en met 1 januari 2000. Hiermee is voldaan aan het bepaalde in de onderdelen 2, 3 en 5 van het met Sehos gesloten protocol. In dit protocol is overeengekomen dat honorering aan Sehos voor de zorg in het jaar 2001 verleend aan verzekerden die vallen onder de basisverzekering ziektekosten, op basis van een budget dient te geschieden. Voor de bepaling van het bedrag waarop het budget moet worden gesteld, wordt op basis van het protocol uitgegaan van de werkelijke kosten gemaakt door Sehos in het jaar 2000 ten behoeve van de verzekerden, waarbij 5% daarvan in mindering wordt gebracht, aldus de nota van toelichting.

5.3. Hoewel het LMTSV voor Sehos terugwerkt tot en met 1 januari 2000, is pas van de mogelijkheid om voor Sehos budgetten vast te stellen gebruik gemaakt bij de bestreden beschikkingen. Daarbij is als volgt te werk gegaan. De minister heeft voor de vaststelling van de budgetten de SVB gehoord. De SVB heeft gekeken naar het aantal verrichtingen dat Sehos in het voorgaande jaar aan de SVB pro forma heeft gedeclareerd (het zorgvolume) en deze verrichtingen vermenigvuldigd met de geldende tarieven. Dat zijn de tarieven in het Eilandsbesluit verpleeg- en neventarieven centrum hospitaal 2009 (hierna: het Eilandsbesluit). De SVB heeft de pro forma declaraties vervolgens op rechtmatigheid beoordeeld en gecorrigeerd aan de hand van zogeheten foutenlijsten. Daarop staan die pro forma declaraties die niet worden goedgekeurd om verschillende redenen, bijvoorbeeld omdat sprake is van dubbele declaraties, declaraties zonder machtiging, declaraties die buiten het vastgestelde zorgpakket vallen of declaraties van onverzekerden die ten onrechte als SVB-verzekerden zijn aangemerkt. Ook declaraties die meer dan een jaar later worden ingediend, zijn niet meegenomen. Het aldus gecorrigeerde bedrag is door de SVB daarna verhoogd met verrichtingen die rechtstreeks door de SVB worden vergoed, zoals cathlab, neurochirurgie, uitbreiding dialyse en Lab ADC (hierna: de rechtstreeks vergoede kosten). De SVB heeft vervolgens een voorstel gedaan om op het aldus berekende budget een doelmatigheidskorting toe te passen. De minister heeft de berekening van de SVB wat de hoogte van het budget betreft gevolgd, maar heeft over het jaar 2017 een doelmatigheidskorting toegepast. Die korting is door het Gerecht vernietigd. Daartegen is door de minister geen hoger beroep ingesteld. In hoger beroep kan er daarom van worden uitgegaan dat over alle betrokken jaren geen doelmatigheidskorting is opgelegd.

Is de minister ten onrechte niet van de werkelijke kosten van Sehos uitgegaan?

5.4. Over het betoog van Sehos dat de minister door op deze wijze het budget vast te stellen ten onrechte niet is uitgegaan van de werkelijke kosten van Sehos overweegt het Hof het volgende. Uit de hiervoor beschreven systematiek van de Lbz volgt dat een zorgverlener geen aanspraak heeft op vergoeding van de werkelijke kosten. De hoogte van de vergoeding is immers mede afhankelijk van de bij landsbesluit vast te stellen tarieven. Voordat de budgettering werd ingevoerd waren dat de tarieven in het Eilandsbesluit. De Lbz en het LMTSV geven geen regels hoe het budget door de minister moet worden berekend. Dat betekent dat de minister beslissingsruimte toekomt bij het vaststellen daarvan. Daarbij mag de minister betekenis toekennen aan een van de doelen van financiering van de zorg, te weten de wens te komen tot kostenbeheersing. Daargelaten welke betekenis thans nog toekomt aan het - op 12 juli 2001 tussen de regering en Sehos gesloten - protocol, vloeit daaruit in elk geval niet voort dat de minister gehouden is alle kosten die in het voorgaande jaar feitelijk zijn gemaakt in het budget op te nemen. Juist omdat budgetten doorwerken naar latere jaren, zou dat betekenen dat door de minister geen rekening zou mogen worden gehouden met mogelijk gebrekkig kostenbeheer of ondoelmatige uitgaven. Ook zou dan ten onrechte geen betekenis worden toegekend aan het feit dat de tarieven in het Eilandsbesluit zijn gemaximeerd. Verder is van belang dat het in het protocol opgenomen jaarbudget 2001 voorzag in een korting van 5% ten opzichte van de kosten van 2000. Dat betekent dat, anders dan Sehos betoogt, ook uit het protocol niet volgt dat de minister moest of moet uitgaan van de feitelijk door Sehos gemaakte kosten.

Kon de minister in redelijkheid tot de vastgestelde budgetten komen?

5.5. De minister heeft als uitgangspunt voor de vaststelling van het budget de daadwerkelijke productie van Sehos in het laatste jaar voor de invoering van de budgettering (2015) genomen. Die productie heeft hij vastgesteld aan de hand van de door Sehos ingediende pro forma declaraties, gecorrigeerd aan de hand van de foutenlijsten. Daarover heeft de SVB, voordat zij de minister over de hoogte van het budget adviseerde, met Sehos overleg gevoerd. Sehos heeft de correcties als zodanig niet bestreden. Nu de pro forma declaraties, voor zover die voor vergoeding in aanmerking komen, inzicht geven in de (omvang van) de daadwerkelijke productie van Sehos, althans voor zover het deze vorm van zorg betreft, mocht de minister in redelijkheid van de met die declaraties gemoeide kosten uitgaan. De minister hoefde onjuiste of te laat ingediende declaraties niet mee te nemen. De gevolgen van het niet juist of niet tijdig indienen van declaraties komen voor risico van Sehos.

5.6. De minister is op basis van de daarvoor in aanmerking komende declaraties uitgegaan van een zorgproductie van NAf 123.625.799 (afgerond NAf 124.000.000). De gedeclareerde verrichtingen die door de minister zijn meegenomen, zijn vermenigvuldigd met de geldende tarieven in het Eilandsbesluit. Voor zover Sehos betoogt dat deze tarieven verouderd zijn omdat ze zijn gebaseerd op het kostenniveau 2006 en sindsdien niet meer zijn aangepast, stelt het Hof vast dat deze tarieven inderdaad sinds de vaststelling ervan in 2009 niet meer zijn geïndexeerd. Dat neemt niet weg dat het wel de ten tijde van de vaststelling van de budgetten geldende wettelijke tarieven waren, die door de minister daarom terecht zijn gehanteerd. Dat het gaat om in het verleden vastgestelde, niet geïndexeerde tarieven leidt niet tot een ander oordeel, mede omdat de minister onweersproken heeft gesteld dat deze tarieven ook voor de andere instellingen van gezondheidszorg worden gehanteerd, zonder dat dit tot problemen heeft geleid. Verder acht het Hof van belang dat met de vaststelling van budgetten is beoogd Sehos te prikkelen een doelmatiger financieel beheer te voeren. De minister heeft daarbij mogen betrekken dat in de "Quick scan St. Elisabeth Hospitaal" van Usona van 20 februari 2015 is vermeld dat Sehos ten tijde van de bestreden beschikkingen "een laag kostenbewustzijn" had en er sprake was van een gebrek aan "sense of urgency".

5.7. Gelet op het voorgaande is het Hof van oordeel dat de minister in redelijkheid op deze wijze tot vaststelling van de budgetten kon komen en daarbij kon uitgaan van een zorgproductie van NAf 124.000.000. Anders dan Sehos betoogt hoefde de minister dus niet uit te gaan van 90% van de daadwerkelijke exploitatiekosten die Sehos stelt te hebben gemaakt. Hieruit volgt dat de minister evenmin was gehouden om de budgetten op een andere manier vast te stellen, bijvoorbeeld volgens de methode die is gebruikt voor het budget van het ziekenhuis in Aruba.

Meerkosten als gevolg van de transitie naar het CMC

5.8. Sehos betoogt dat de minister voor de jaren 2018 en 2019 wel rekening heeft gehouden met de transitiekosten die zij moest maken in verband met de sluiting van haar ziekenhuis en de opening van het CMC, maar dat ten onrechte voor de jaren 2016 en 2017 niet heeft gedaan. Zij wijst in dat verband onder meer op het feit dat de opening van het nieuwe ziekenhuis aanvankelijk al in 2017 was voorzien en op het feit dat vanwege het zogenoemde "Schuifplan" in 2016 de eerste klasse vleugel en het cathlab ten behoeve van de nieuwbouw van het CMC zijn gesloten, waardoor substantiële inkomsten zijn weggevallen.

5.9. De minister heeft de budgetten voor de jaren 2018 en 2019 vanwege de transitiekosten verhoogd met NAf 8.000.000 per jaar. Mede gelet op het verhandelde ter zitting acht het Hof aannemelijk dat Sehos ook in de jaren 2016 en 2017 transitiekosten heeft gehad. De minister heeft dat ook onvoldoende weersproken. Hoewel Sehos van de hoogte van deze transitiekosten geen gespecificeerde onderbouwing heeft kunnen geven, acht het Hof het - mede gelet op het feit dat Sehos inmiddels haar activiteiten als ziekenhuis heeft gestaakt - geraden om het geschil tussen partijen niet te laten voortduren. In aanmerking nemende dat de minister voor de jaren 2018 en 2019 de transitiekosten heeft vastgesteld op NAf 8.000.000 per jaar, zal het Hof - noodzakelijkerwijs enigszins arbitrair - die kosten vaststellen op NAf 2.000.000 voor het jaar 2016 en op NAf 4.000.000 voor het jaar 2017.

Conclusie

6. De uitspraak van het Gerecht over de jaren 2018 en 2019 moet worden bevestigd. De uitspraak van het Gerecht over het jaar 2016 moet worden vernietigd en het budget voor dat jaar moet alsnog worden vastgesteld op NAf 126.000.000. De uitspraak van het Gerecht over het jaar 2017 moet gedeeltelijk worden vernietigd en het budget voor dat jaar moet alsnog worden vastgesteld op NAf 131.000.000.

7. De minister moet op na te melden wijze worden veroordeeld in de proceskosten van Sehos.

Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:

I. verklaart het hoger beroep in de zaak met nr. CUR2020H00408 ongegrond;

II. bevestigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 4 november 2020 in de zaak met nr. CUR201804298;

III. verklaart de hoger beroepen in de zaken met nrs. CUR2020H00406 en CUR2020H00407 gegrond;

IV. vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 4 november 2020 in de zaak met nr. CUR201804418;

V. verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;

VI. vernietigt de beschikking van 22 november 2018, met kenmerk 2018/052419, waarbij het budget voor de door Stichting Elisabeth Hospitaal te verlenen zorg voor het jaar 2016 is vastgesteld op NAf 124.000.000;

VII. bepaalt dat het budget voor de door Stichting Elisabeth Hospitaal te verlenen zorg voor het jaar 2016 wordt vastgesteld op NAf 126.000.000;

VIII. vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 4 november 2020 in de zaak met nr. CUR201803782,voor zover daarbij het budget voor 2017 is vastgesteld op NAf 127.000.000;

IX. bepaalt dat het budget voor de door Stichting Elisabeth Hospitaal te verlenen zorg voor het jaar 2017 wordt vastgesteld op NAf 131.000.000;

X. veroordeelt de minister van Gezondheid, Milieu en Natuur tot vergoeding van bij Stichting Elisabeth Hospitaal opgekomen proceskosten tot een bedrag van NAf 3.500,-, geheel toe te kennen voor door een derde verleende rechtsbijstand;

XI. gelast dat de minister van Gezondheid, Milieu en Natuur aan Stichting Elisabeth Hospitaal het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van NAf 750,- vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. T.G.M. Simons, voorzitter, en mr. E.J. Daalder en mr. B.J. van Ettekoven, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M.C.S. van der Heide, griffier.

voorzitter

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2021.

BIJLAGE

Landsverordening basisverzekering ziektekosten
[...]
Artikel 4.1
1. Met de uitvoering van deze landsverordening, is belast de Sociale Verzekeringsbank, bedoeld in de Landsverordening Sociale Verzekeringsbank, die voor uitvoering van deze landsverordening wordt aangeduid als de Uitvoeringsorganisatie.
[...]
Artikel 7.5
1. Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden regels gesteld met betrekking tot de door zorgaanbieders voor verleende zorg in rekening te brengen tarieven.
2. Het is zorgaanbieders voor verstrekkingen als bedoeld in artikel 3.1 niet toegestaan andere tarieven in rekening te brengen, dan wel van de verzekerde aanvullende betalingen te vragen anders dan voor zover bij of krachtens deze landsverordening toegestaan.
[...]
Artikel 12.6
[...]
3. In afwijking van artikel 7.5, eerste lid, behoudt zolang ter zake geen voorzieningen krachtens deze landsverordening zijn getroffen, het Landsbesluit Medisch Tarief Sociale Verzekeringen 2001 zijn geldigheid. Voor zover tarieven zijn opgenomen in de regeling Tarieven Huisartsen en Medische Specialisten, Curaçao 1986 die niet zijn opgenomen in het Landsbesluit Medisch Tarief Sociale Verzekeringen 2001 blijven die tarieven van kracht zolang geen nieuwe tarieven krachtens artikel 7.5 tot stand zijn gebracht.

Landsbesluit Medisch Tarief Sociale Verzekeringen 2001
[...]
Artikel 23
1. De Minister kan, gehoord de Bank, voor ten minste één jaar per zorginstelling of per zorgverlener een budget vaststellen ter dekking van de kosten van de ingevolge dit landsbesluit door die instelling of zorgverlener te verlenen zorg.
2. De Bank overlegt met een medewerkende of groep medewerkenden ten aanzien van een vast te stellen budget, bedoeld in het eerste lid, alvorens de Minister van haar oordeel in kennis te stellen.
3. Bij ministeriële beschikking met algemene werking kunnen regels worden gesteld:
a. met betrekking de termijn of termijnen waarbinnen de Bank gelden beschikbaar moet stellen aan de medewerkende;
b. voor de gevallen dat de werkelijk door de medewerkende gemaakte kosten, bedoeld in het eerste lid, hoger of lager zijn dan het vastgestelde budget.