Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2021:27

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
12-01-2021
Datum publicatie
26-01-2021
Zaaknummer
CUR2018H00284
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Fideicommis de residuo – rekening en verantwoording – verklaring van erfrecht – vereffenaar benoemd – geen belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2021 Vonnis no.:

Registratienummers: CUR201703820 - CUR2018H00284

Uitspraak: 12 januari 2021

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Vonnis in de zaak van:

[Appellant],

wonende in Curaçao,

hierna te noemen: [Appellant],

oorspronkelijk verweerder, thans appellant,

gemachtigde: thans mr. C.A. Peterson,

tegen

  1. [Geïntimeerde 1.1] en [Geïntimeerde 1.2], in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van hun minderjarige kind [Geïntimeerde 1.3],

  2. [Geïntimeerde 2],

  3. [Geïntimeerde 3],

  4. [Geïntimeerde 4],

  5. Geïntimeerde 5.1] en [Geïntimeerde 5.2], in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van hun minderjarige kinderen, [Geïntimeerde 5.3] en [Geïntimeerde 5.4],

allen wonende in Nederland

hierna te noemen: [Geïntimeerden c.s.],

oorspronkelijk eisers, thans geïntimeerden,

gemachtigde: mr. K. Frielink.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Voor het verloop tot dan toe verwijst het Hof naar zijn tussenvonnissen van 4 juli 2019, 17 december 2019 en 23 juni 2020.

1.2.

Overeenkomstig de opdracht in het laatste tussenvonnis hebben partijen op 25 augustus 2020 een akte genomen.

1.3.

Op 17 november 2020 hebben partijen een antwoordakte genomen.

1.4.

Vonnis is bepaald op heden.

2 Beoordeling

2.1.

Geïntimeerden sub 2 en 3 werden vertegenwoordigd door hun ouders, maar zijn inmiddels meerderjarig geworden. Uit de akte van 17 november 2020 blijkt dat de procedure op hun naam wordt voortgezet. Schorsing van het geding is niet nodig.

2.2.

Bij beschikking van 7 mei 2020, CUR201903738 heeft het GEA de Stichting Afwikkeling Nalatenschappen tot vereffenaar van de nalatenschap van [Erflaatster] benoemd, met als doel vast te stellen of een deel en zo ja welk deel van de nalatenschap van [Erflaatster], gelet op de ‘erfstelling fideï-commis’ in het testament van [Naam] (moeder van Erflaatster aan [Geïntimeerden c.s.] toekomt.

2.3.

In het tussenvonnis van 17 december 2019 heeft het Hof ten aanzien van de bevoegdheden van de vereffenaar overwogen (rov. 2.4):

Wordt een vereffenaar benoemd dan zal deze bij de vervulling van zijn taak de erfgenamen in en buiten rechte vertegenwoordigen; deze zijn niet bevoegd zonder zijn medewerking of machtiging van het GEA over de goederen der nalatenschap of hun aandeel daarin te beschikken (artikel 4:211 lid 2 BW). De vereffenaar moet met bekwame spoed een boedelbeschrijving opmaken of doen opmaken (artikel 4:211 lid 3 BW). Het GEA is bevoegd ter opheldering van alle omstandigheden, de vereffening betreffende, getuigen en deskundigen te horen (artikel 4:210 lid 2 BW).

en voorts in rov. 2.5:

Wordt een vereffenaar benoemd, dan dient [Geïntimeerden c.s.] daarom zich onder meer uit te laten over de vraag of bij voortzetting van de huidige procedure nog voldoende belang bestaat.

2.4. [

[Appellant] heeft, blijkens de genomen aktes, nog steeds de status van verdachte, zodat hij geen verklaring van erfrecht kan verkrijgen.

2.5. [

[Geïntimeerden c.s.] hebben het Hof niet ervan kunnen overtuigen dat zij thans een concreet door het Hof te honoreren belang hebben bij de onderhavige procedure. Zij vorderen:

voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1) verweerder op te roepen teneinde rekening en verantwoording af te leggen over het gevoerde beheer over het voorwaardelijk vermogen en de daarbij behorende verificatoire bescheiden ten kantore van de gemachtigde van verzoekers te deponeren dan wel -indien het Gerecht dat geraden voorkomt-ter griffie van het Gerecht te Curaçao, met bepaling van een termijn waarbinnen deponering dient plaats te vinden, zulks onder verbeurte van een dwangsom in geval verweerder niet, niet-tijdig dan wel niet volledig aan de veroordeling voldoet;

2) verweerder te veroordelen tot afgifte aan de verwachters van hetgeen [Erflaatster] van het voorwaardelijk vermogen onverteerd heeft nagelaten;

3) verweerder te veroordelen tot vergoeding van hetgeen uit het

voorwaardelijk vermogen is geschonken aan anderen dan de verwachters; en

4) verweerder te veroordelen in de proceskosten.

2.6.

Het Hof kan niet inzien dat veroordeling goed mogelijk is voordat de Stichting Afwikkeling Nalatenschappen als vereffenaar haar werk gedaan heeft. De vereffenaar heeft, in tegenstelling tot [Appellant], toegang tot de bankrekeningen van [Erflaatster]. Volgens [Appellant] bestaat er mogelijkerwijs een beleggingsrekening met daarop het voorwaardelijk vermogen van [Geïntimeerden c.s.] (zie het citaat in het tussenvonnis van het Hof van 4 juli 2019, rov. 4.4). Alleen de vereffenaar kan nagaan of dit klopt.

2.7.

Afhankelijk van de uiteindelijke bevindingen van de vereffenaar, kunnen [Geïntimeerden c.s.] zich eventueel opnieuw, met een aangepaste vordering, tot het GEA wenden.

2.8.

De uitkomst is dat de bestreden uitspraak van het GEA moet worden vernietigd en de vorderingen moeten worden afgewezen. [Geïntimeerden c.s] draagt de kosten van deze procedure.

3 Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de bestreden uitspraak van het GEA van 5 juli 2018, en opnieuw rechtdoende:

- wijst de vorderingen van [Geïntimeerden c.s.]af;

- veroordeelt [Geïntimeerden c.s.] in de kosten van deze procedure, tot op heden begroot voor de eerste aanleg op NAf 2.500,- aan gemachtigdensalaris en voor het hoger beroep op NAf 6.000,- aan gemachtigdensalaris en NAf 900,- aan verschotten.

Dit vonnis is gewezen door mrs. M.W. Scholte, F.W.J. Meijer en J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 12 januari 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.