Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2021:266

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
29-06-2021
Datum publicatie
27-08-2021
Zaaknummer
CUR2018H00025
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bepaling DNA-relatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN

ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN

BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Beschikking in de zaak van:

de erfgenamen van wijlen [OVERLEDENE]:

1.[APPELLANT 1], de weduwe, en de kinderen:

2. [APPELLANT 2],

3. [APPELLANT 3],

4. [APPELLANT 4],

allen wonend in Curaçao,

oorspronkelijk verweersters, thans appellanten,

gemachtigde: mr. M.F. Bonapart,

tegen

[GEINTIMEERDE],

wonend in Curaçao,

oorspronkelijk verzoeker, thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. E.A. Knoppel.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als de erfgenamen respectievelijk [geïntimeerde].

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het Hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de tussenbeschikkingen van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 23 februari 2017 (mondeling), 14 maart 2017 (schriftelijk) en van 25 januari 2018 met zaaknummer EJ 78367/2016. De inhoud van die beschikkingen geldt als hier ingevoegd.

1.2.

De erfgenamen hebben bij (voorwaardelijk) verzoek toestemming tussentijds appel, ingekomen op 7 februari 2018, het Hof verzocht hen verlof te verlenen om tegen de tussenbeschikking van 25 januari 2018 afzonderlijk hoger beroep in te stellen.

1.3.

De erfgenamen hebben bij beroepschrift, ingekomen op 7 februari 2018, hoger beroep ingesteld tegen de tussenbeschikking van 25 januari 2018. In het beroepschrift hebben zij het hoger beroep toegelicht en geconcludeerd primair dat het Hof de bestreden beschikking zal vernietigen en het verzoek van [geïntimeerde] alsnog integraal zal afwijzen en subsidiair, indien het Hof meent dat [geïntimeerde] gerechtigd is tot het (doen) uitvoeren van een deskundigenonderzoek ter zake van het vermeende vaderschap van [overledene], zal bepalen dat daartoe het DNA-materiaal van zijn broer [broer overledene]

zal worden onderzocht, met veroordeling van de erfgenamen in de kosten in eerste aanleg en in hoger beroep.

1.4. [

[geïntimeerde] heeft op 25 mei 2021 een verweerschrift met producties ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling ter zitting is bepaald op 25 mei 2021. Namens de erfgenamen is verschenen [naam 1] (hierna: [naam 1]), vergezeld van de gemachtigde en [geïntimeerde], vergezeld van de gemachtigde. De gemachtigde van de erfgenamen heeft op 21 en 24 mei 2021 via e-mail producties ingediend. De gemachtigde van [geïntimeerde] heeft op 20 mei 2021 via email producties ingediend.

1.6.

Het Hof heeft ter zitting mondeling verlof verleend om afzonderlijk hoger beroep in te stellen tegen de tussenbeschikking van 25 januari 2018.

1.7.

Partijen en hun gemachtigden hebben het woord gevoerd.

1.8.

Beschikking is bepaald op heden.

3 Beoordeling

3.1.

Het betreft in deze zaak een verzoek van [geïntimeerde] om bij beschikking, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad het vaderschap van wijlen [overledene] ten aanzien van [geïntimeerde] vast te stellen. Het Gerecht heeft bij de tussenbeschikking van 14 maart 2017 een deskundigenonderzoek gelast naar het DNA van [geïntimeerde] en een van de erfgenamen, [appellant 3]. Het Gerecht heeft bij de tussenbeschikking van 25 januari 2021 nadat het had vastgesteld dat onderzoek bij bloedverwanten niet voldoende uitsluitsel zal geven, [geïntimeerde] toestemming gegeven om de grafkelder te roeren. Hiertegen richt zich het hoger beroep.

3.2.

Ingevolge artikel 1:207 van het Burgerlijk Wetboek kan het vaderschap van een man, ook indien deze is overleden, op de grond dat deze de verwekker is van het kind of op de grond dat de man als levensgezel van de moeder ingestemd heeft met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad door de rechter worden vastgesteld op verzoek van de moeder of het kind. Als aannemelijk is dat de man de verwekker van het kind kan zijn, kan de rechter een deskundigenonderzoek bevelen en oordelen dat de inbreuk door een DNA-onderzoek op de lichamelijke integriteit van de man gerechtvaardigd is.

3.3. [

geïntimeerde] heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat zijn moeder, [moeder geïntimeerde], en [overledene] een affectieve relatie hebben gehad en dat hij uit die relatie is geboren. [geïntimeerde] heeft als productie overgelegd een notariële akte van 2 april 1980 waaruit blijkt dat [moeder geïntimeerde] voormeld en [naam 2] aan Esperamos N.V., vertegenwoordigd door [overledene] en [broer overledene] hebben verkocht 40 volgestorte aandelen op naam in het geplaatste kapitaal van Esperamos N.V. Dat [moeder geïntimeerde] en [overledene] elkaar in die periode kenden staat daarmee vast. De stelling van de erfgenamen dat [overledene] altijd heeft gezegd geen buitenechtelijke kinderen te hebben levert geen voldoende gemotiveerde betwisting van de gestelde affectieve relatie op. Bovendien heeft [naam 1] op de zitting van het Hof verklaard dat [overledene] nooit heeft ontkend dat hij een amoureuze relatie heeft gehad met [moeder geïntimeerde]. Nu [geïntimeerde] in 1981 is geboren acht het Hof aannemelijk dat [overledene] de verwekker van [geïntimeerde] kan zijn.

3.4.

Met de erfgenamen is het Hof van oordeel dat, voordat wordt overgegaan tot het roeren van de grafkelder, dient te worden onderzocht of er minder verstrekkende alternatieven zijn ter beantwoording van de vraag naar het bloedverwantschap tussen [geïntimeerde] en [overledene]. De erfgenamen hebben in dit verband voorgesteld om een deskundigenonderzoek te laten verrichten naar het DNA van de broer van wijlen [overledene], [broer overledene], en [geïntimeerde]. [geïntimeerde] heeft hier in principe geen bezwaar tegen maar stelt zich op het standpunt dat alleen indien een dergelijk onderzoek voldoende uitsluitsel heeft gegeven, kan worden afgezien van het roeren van het graf. In andere gevallen zal dat alsnog moeten gebeuren. Ten aanzien van [broer overledene] heeft [geïntimeerde] verder naar voren gebracht dat hij niet noodzakelijkerwijs een volle broer van [overledene] hoeft te zijn, nu beiden een verschillende achternaam hebben. [Overledene] draagt de achternaam van zijn vader en moeder en [broer overledene] draagt slechts de achternaam van zijn moeder. Er kan, aldus [geïntimeerde], om die reden niet anders geconcludeerd worden dan dat [broer overledene] en [overledene] niet dezelfde vader hebben en dus geen volle broers, maar halfbroers van elkaar zijn.

3.5.

Het Hof heeft behoefte aan nadere inlichtingen alvorens te beslissen of een deskundigenonderzoek zal worden gelast en zich uit te laten over de vraag of het roeren van het graf (voorlopig) achterwege kan blijven. Allereerst ontbreekt in het dossier een concrete toezegging van [broer overledene] dat hij bereid is mee te werken aan voormeld DNA-onderzoek. Het Hof verzoekt de erfgenamen een daartoe strekkende verklaring van [broer overledene] in het geding te brengen. De erfgenamen dienen zich verder, gelet op de stellingen van [geïntimeerde] omtrent de status van [broer overledene] (zie onder 3.4), hier nader bij akte over uit te laten. Ten slotte verzoekt het Hof de erfgenamen een rapport van een deskundige over te leggen waarin wordt aangegeven welke opties van DNA-onderzoek er zijn om te achterhalen of er bloedverwantschap bestaat tussen [geïntimeerde] en [overledene] en welke mate van waarschijnlijkheid er aan die verschillende opties is verbonden.

3.6. [

geïntimeerde] krijgt vervolgens gelegenheid om bij akte te reageren, waarbij hij ook alsnog kan reageren op de door de erfgenamen bij brieven van 21 en 24 mei 2021 overgelegde producties.

3.7.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden tot na voormelde aktewisseling.

4 Beslissing

Het Hof:

verwijst de zaak naar de rol van 24 augustus 2021 voor akte zijdens de erfgenamen als bedoeld onder 3.5.;

bepaalt dat [geïntimeerde] vervolgens gelegenheid krijgt voor het dienen van een antwoordakte zoals bedoeld onder 3.6.;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.A. Saleh, F.W.J. Meijer en O. Nijhuis, leden van het Hof, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 juni 2021 in Curacao, in tegenwoordigheid van de griffier.