Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2021:227

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
19-08-2021
Datum publicatie
24-08-2021
Zaaknummer
AUA2020H00137
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vergunning voor onbepaalde tijd alsnog verleend. Beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang. Verzoek om vergoeding van in bezwaar gemaakte kosten levert geen procesbelang op omdat daarvoor geen wettelijke grondslag bestaat. Bovendien was het beroepschrift te laat ingediend. Bevestiging aangevallen uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

AUA2020H00137

Datum uitspraak: 11 augustus 2021

gemeenschappelijk hof van jusTitie

van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Aruba,

appellant,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van

24 september 2020 in zaak nr. AUA201903551, in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Justitie, Veiligheid en Integratie (hierna: de minister)

Procesverloop

Op 2 mei 2019 heeft [appellant] de minister verzocht om aan hem een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd te verlenen.

Op 31 juli 2019 heeft [appellant] een bezwaarschrift ingediend tegen het met een afwijzende beschikking gelijkgestelde uitblijven van een beschikking op zijn verzoek (fictieve afwijzing).

Bij beschikking van 15 augustus 2019 heeft de minister de door [appellant] verzochte vergunning aan hem verleend.

Bij uitspraak van 24 september 2020 heeft het Gerecht het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op Curaçao op 3 juni 2021. [appellant] heeft zich laten vertegenwoordigen door M.L. Hassell en de minister door mr. G.M.N. Maduro, werkzaam bij het Departemento di Integracion, Maneho y Admision di Stranhero. Zij hebben aan de zitting deelgenomen via een videoverbinding met Aruba.

Overwegingen

1. Op 2 mei 2019 heeft [appellant], die in het bezit is van de Chinese nationaliteit, de minister verzocht om aan hem een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd te verlenen. Tegen het uitblijven van een beschikking op zijn verzoek, dat op grond van artikel 9, tweede lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar), gelijk wordt gesteld met een afwijzende beschikking, heeft [appellant] op 31 juli 2019 bezwaar gemaakt. Bij de beschikking van 15 augustus 2019 heeft de minister de door [appellant] verzochte vergunning alsnog aan hem verleend. Bij brief van 14 oktober 2019 heeft de minister [appellant] medegedeeld dat hij, als gevolg van die beschikking, geen belang meer heeft bij de behandeling van zijn bezwaarschrift. Op 14 oktober 2019 heeft [appellant] tegen de beschikking van 15 augustus 2019 beroep ingesteld.
Het Gerecht heeft het beroep van [appellant] niet-ontvankelijk verklaard. Omdat de door [appellant] verzochte verblijfsvergunning alsnog aan hem is verleend, heeft hij geen (proces)belang bij een uitspraak op het beroep. Dat de minister niet tijdig heeft beslist op het verzoek van [appellant] van 2 mei 2019 maakt dit niet anders, aldus het Gerecht.

2. In hoger beroep betoogt [appellant] dat het Gerecht zijn beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daartoe stelt hij, onder verwijzing naar onder meer de uitspraak van 19 juli 2017 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2017:1927), voorop dat procesbelang kan bestaan indien de betrokkene stelt schade te hebben geleden ten gevolge van de bestuurlijke besluitvorming. Om voor zijn rechten op te komen moest hij tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek van 2 mei 2019 bezwaar maken. Dit heeft kosten aan rechtskundige bijstand met zich gebracht. Deze schade is, zo benadrukt hij, veroorzaakt binnen het kader van de uitoefening van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid. Volgens [appellant] is de minister dan ook verplicht de bij hem in bezwaar opgekomen kosten te vergoeden. Daarbij wijst hij op de uitspraak van het Hof van 3 juni 2016, ECLI:NL:OGHACMB:2016:25. Het Gerecht had zijn beroep daarom ontvankelijk en gegrond moeten verklaren en de minister (alsnog) moeten veroordelen tot vergoeding van de door hem in bezwaar gemaakte kosten (ofwel schade), aldus [appellant].

3. Het Gerecht heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang. Het Hof ziet geen grond om dit oordeel onjuist te achten, aangezien de minister met zijn beschikking van 15 augustus 2019 volledig tegemoet is gekomen aan het verzoek van 2 mei 2019. Dat de minister niet tijdig heeft beslist op dat verzoek en [appellant] als gevolg daarvan (in bezwaar) kosten van rechtsbijstand heeft moeten maken, doet daaraan niet af. [appellant] kan met zijn beroep niet bereiken dat de minister alsnog wordt veroordeeld tot vergoeding van de door [appellant] in bezwaar gemaakte kosten. Artikel 52, tweede lid, van de Lar voorziet niet in een grondslag daartoe, ook niet als het bezwaar heeft geleid tot een voor de rechtzoekende gunstige beslissing. De door [appellant] aangehaalde uitspraak van het Hof van 3 juni 2016 is daarmee, anders dan hij lijkt te veronderstellen, in overeenstemming.

4. Het Hof is van oordeel dat het beroep ook om een andere reden terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Het beroepschrift is namelijk te laat ingediend. De beschikking van 15 augustus 2019 is naar aanleiding van het bezwaarschrift van 31 juli 2019 door de minister genomen. Dit betekent dat de beschikking van 15 augustus 2019 aangemerkt moet worden als een beslissing op dat bezwaarschrift. De brief van 14 oktober 2019 van de minister is niet gericht op rechtsgevolg, zodat die brief niet gezien kan worden als een beschikking in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Lar of, zoals [appellant] ter zitting bij het Hof heeft betoogd, als een onderdeel daarvan. De termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen de beschikking van 15 augustus 2019 is, gelet op artikel 27, tweede lid, van de Lar, aangevangen op 16 augustus 2019 en geëindigd op 26 september 2019. [appellant] heeft zijn beroepschrift op 14 oktober 2019, en dus buiten de in de Lar gestelde termijn, ingediend. Van verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding is niet gebleken.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Saleh, voorzitter, en mr. E.J. Daalder en mr. B.J. van Ettekoven, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M.C.S. van der Heide, griffier.

w.g. Saleh

voorzitter

w.g. Van der Heide

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2021.