Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2021:221

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
12-08-2021
Datum publicatie
19-08-2021
Zaaknummer
SXM2020H00146
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ambtshalve beoordeling van bevoegdheid bestuursrechter. Artikel 7, tweede lid, aanhef en onder c, van de Landsverordening administratieve rechtspraak. Geschillen over de uitgifte van erfpacht door het Land Sint Maarten kunnen uitsluitend aan de burgerlijke rechter worden voorgelegd. Desondanks bij uitzondering inhoudelijke behoordeling van het geschil. Minister heeft het verzoek in redelijkheid kunnen afwijzen. Ook geen geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

SXM2020H00146

Datum uitspraak: 12 augustus 2021

gemeenschappelijk hof van jusTitie

van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend in [woonplaats],

appellante,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten van

13 maart 2020 in zaak nr. SXM201900985, in het geding tussen:

appellante

en

de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening, Milieu en Infrastructuur (hierna: de minister)

Procesverloop

Bij beschikking van 24 juli 2019 heeft de minister het verzoek van [appellante] tot erfpachtuitgifte van een perceel, kadastraal onbekend, grenzend aan de percelen die kadastraal bekend zijn onder meetbrieven nrs. [meetbrieven], afgewezen.

Bij uitspraak van 13 maart 2020 heeft het Gerecht het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De minister heeft nadere stukken ingediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting via een videoverbinding met Sint Maarten behandeld op 2 juni 2021, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. R.E. Duncan, advocaat, en de minister, vertegenwoordigd door mr. R.F. Gibson jr. en mr. I.Z. Guardiola, beiden advocaat, zijn verschenen.

Overwegingen

  1. Vanwege de lange duur van de procedure en het belang van partijen bij duidelijkheid over het hen verdeeld houdende geschilpunt, ziet het Hof aanleiding om de bestreden beschikking van 24 juli 2019 in deze uitspraak inhoudelijk te beoordelen. Het Hof zal daarom eerst bespreken wat partijen materieel verdeeld houdt om daarna – ambtshalve – in te gaan op de bevoegdheid van de bestuursrechter om te oordelen over geschillen als hier aan de orde.

  2. [Appellante] woont op de [adres] in [woonplaats]. Zij heeft de minister op 6 mei 2015 verzocht om een perceel aan haar in erfpacht uit te geven. Dat perceel grenst aan haar woonadres en heeft een grootte van ongeveer 400 m². [Appellante] wil op het perceel een woning bouwen.
    Op 8 april 2019 heeft [appellante] beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op haar verzoek. Bij uitspraak van 24 mei 2019 heeft het Gerecht dat beroep gegrond verklaard en de minister opgedragen binnen 4 weken alsnog op het verzoek van 6 mei 2015 te beslissen.
    Bij beschikking van 24 juli 2019 heeft de minister afwijzend op het verzoek beslist. Bij uitspraak van 30 maart 2020 heeft het Gerecht het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

  3. [Appellante] voert aan dat de minister haar verzoek op onjuiste en willekeurige gronden heeft afgewezen. Op het perceel rust namelijk geen natuurbestemming en het perceel is ook niet het enige toegangspunt tot de afwateringskanalen. Ook heeft de minister zich op basis van een ontwerp ontwikkelingsplan niet op het standpunt mogen en kunnen stellen dat het perceel tot een overstromingsrisicogebied behoort.
    Verder voert [appellante] aan dat zij er op mocht vertrouwen dat de minister over zou gaan tot uitgifte van het perceel in erfpacht. Het kadaster heeft [appellante] er namelijk van op de hoogte gesteld dat opdracht was gegeven het perceel van een meetbrief te voorzien in verband met de erfpachtuitgifte. Naar aanleiding daarvan heeft [appellante] het kadaster betaald voor de meetbrief. Dat de minister die opdracht later heeft ingetrokken, is niet aan [appellante] medegedeeld. Daarnaast heeft [appellante] een conceptbesluit gezien waarin is besloten tot uitgifte van het perceel in erfpacht tegen een erfpachtcanon van NAf 480,-. [Appellante] heeft dat bedrag ook betaald aan de belastingdienst.

3.1.

Op grond van artikel 1 van de Landsverordening op de uitgifte van eigendommen is de minister bevoegd tot uitgifte van gronden in erfpacht volgens de bepalingen van hoofdstuk 1 van die Landsverordening.

3.2.

Het Hof overweegt dat aan de minister een grote mate van ruimte toekomt bij de beslissing om gronden al dan niet in erfpacht uit te geven. Aan zijn beslissing om het verzoek van [appellante] af te wijzen heeft de minister ten grondslag gelegd dat het onwenselijk is dat het perceel bebouwd wordt omdat het perceel het enige toegangspunt biedt tot het afwateringskanaal 'Zagersgut'. Ter onderbouwing daarvan heeft de minister gewezen op een memo van 16 juli 2019 van het Department of Infrastructure Management. Het Hof stelt vast dat daarin negatief is geadviseerd over de uitgifte van het perceel in erfpacht. Daarnaast heeft de minister aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat het perceel in een risicogebied voor overstroming ligt. Ter onderbouwing daarvan heeft de minister gewezen op het ontwerp ontwikkelingsplan "Cul-de-Sac" van september 2014. Het Hof heeft ter zitting vastgesteld dat het perceel in het gebied ligt dat in dat concept ontwikkelingsplan is aangewezen als risicogebied voor overstroming. Gelet op het voorgaande ziet het Hof geen aanleiding voor het oordeel dat de minister het verzoek van [appellante] niet in redelijkheid heeft kunnen afwijzen of daarbij willekeurig heeft gehandeld. Dat de minister zich mede heeft gebaseerd op een concept ontwikkelingsplan dat nog niet is vastgesteld, betekent niet dat de informatie in dat plan over afwatering en overstromingsrisico's niet bij de beslissing betrokken had mogen worden.

3.3.

Ook ziet het Hof geen aanleiding voor het oordeel dat [appellante] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de minister over zou gaan tot erfpachtuitgifte. Daarbij is van belang dat het aan het kadaster gerichte verzoek tot het opstellen van een meetbrief en het conceptbesluit ten behoeve van het ambtelijk voorproces zijn opgesteld. Die stukken bevatten geen toezegging aan [appellante] dat de minister over zou gaan tot uitgifte van het perceel in erfpacht. Dat die stukken in handen van [appellante] zijn gekomen en dat zij naar aanleiding daarvan kosten heeft gemaakt, is een ongelukkige gang van zaken geweest, maar die is niet zodanig dat [appellante] daar de verwachting aan kon ontlenen dat de minister haar verzoek tot uitgifte van het perceel in erfpacht zou toewijzen. Wat de gemaakte kosten betreft, is ter zitting door de minister bevestigd dat hij bereid is die kosten aan [appellante] terug te betalen.

4. Dat betekent dat het Hof van oordeel is dat de minister het verzoek tot uitgifte van het perceel in erfpacht mocht afwijzen. Het Hof komt, ambtshalve, tot de volgende beoordeling over de bevoegdheid om van het geschil kennis te nemen.

4.1.

Zoals het Hof eerder heeft overwogen (zie de uitspraken van 29 november 2007, ECLI:NL:OGHNAA:2007:BG3820 en 28 mei 2012, ECLI:NL:OGHACMB:2012:BX6128) is de beslissing van de minister over de uitgifte van gronden in erfpacht een beschikking ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling. Anders dan het Gerecht heeft overwogen is dat niet anders bij een beschikking waarbij een verzoek tot uitgifte van gronden in erfpacht wordt afgewezen.
Op grond van artikel 7, tweede lid, aanhef en onder c, van de Landsverordening administratieve rechtspraak Sint-Maarten (hierna: de Lar) staat geen beroep open tegen een beschikking die aan goedkeuring is onderworpen en evenmin – onderdeel f van het tweede lid - tegen een beschikking ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling, met uitzondering van een beschikking houdende weigering van een goedkeuring van een dergelijke beschikking.
Het Gerecht heeft geoordeeld dat de bestreden beschikking valt onder de uitzondering van artikel 7, tweede lid, aanhef en onder f, zodat daartegen beroep openstaat bij de bestuursrechter. Anders dan het Gerecht is het Hof van oordeel dat de bestreden beschikking van de minister niet is en niet kan worden aangemerkt als een beschikking houdende weigering van goedkeuring van een beschikking tot voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling, als bedoeld in de tweede volzin van artikel 7, tweede lid, onder f, van de Lar. Met 'goedkeuring' is blijkens de memorie van toelichting bij de Lar gedoeld op wettelijk vereiste goedkeuring in het kader van toezicht door een hoger bestuursorgaan op beschikkingen van een lager bestuursorgaan. De minister heeft in de bestreden beschikking geen goedkeuring onthouden aan een voorgenomen besluit van een lager bestuursorgaan. Dit betekent dat tegen de bestreden beschikking geen beroep openstaat bij de bestuursrechter. Het Gerecht, oordelend als bestuursrechter op grond van de Lar, heeft zich dan ook ten onrechte bevoegd geacht te oordelen over de (on)rechtmatigheid van de bestreden beschikking.

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen het Gerecht had behoren te doen, verklaart het Hof het Gerecht, oordelend als bestuursrechter, onbevoegd te oordelen op het door [appellante] ingestelde beroep. Ter voorlichting aan partijen merkt het Hof op dat geschillen over de uitgifte van erfpacht door het Land Sint-Maarten uitsluitend ter beoordeling kunnen worden voorgelegd aan de burgerlijke rechter.

6. De minister hoeft onder deze omstandigheden geen proceskosten te vergoeden. Op grond van artikel 17, zevende lid, van de Lar dient de minister wel het door [appellante] betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:

I. verklaart het hoger beroep van [appellante] gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten van 13 maart 2020 in zaak nr. SXM201900985;

III. verklaart het Gerecht onbevoegd te oordelen op het door [appellante] ingestelde beroep;

IV. gelast dat de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening, Milieu en Infrastructuur aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van NAf 300,- vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Saleh, voorzitter, en mr. E.J. Daalder en mr. B.J. van Ettekoven, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M.C.S. van der Heide, griffier.

w.g. Saleh

voorzitter

w.g. Van der Heide

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2021.