Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2021:216

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
11-06-2021
Datum publicatie
18-08-2021
Zaaknummer
SXM2020H00041
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

schadevergoeding wegens lekkage en wateroverlast – eisvermeerdering in hoger beroep – proces- en advocaatkosten – immateriële schadevergoeding

formele relatie: SXM201900232

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0679
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2021 Vonnis no.:

Registratienummers: SXM201900232 – SXM2020H00041

Uitspraak: 11 juni 2021

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

[APPELLANTE],

wonende in Sint Maarten,

hierna te noemen: [Appellante],

oorspronkelijk eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

thans Appellante,

procederend in persoon,

tegen

de naamloze vennootschap

[GEÏNTIMEERDE],

gevestigd in Sint Maarten,

oorspronkelijk gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

thans geïntimeerde,

hierna te noemen: [Geïntimeerde],

gemachtigde: mr. Nerissa C. de la Rosa,

1 Het verloop van de procedure

1.1

Bij akte van appel, ingekomen ter griffie op 26 maart 2020, is [Appellante] in hoger beroep gekomen van het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg in Sint Maarten, hierna: het Gerecht, van 18 februari 2020. Bij memorie van grieven, ingediend ter griffie op 1 mei 2020, is [Appellante] tegen voornoemd vonnis opgekomen.

1.2 [

Geïntimeerde]heeft geen memorie van antwoord ingediend.

1.3

Op 11 december 2020 heeft [Appellante] een schriftelijk pleidooi ingediend. Ter rolzitting van 29 januari 2021 hebben beide partijen schriftelijke pleitnotities, elk met producties, overgelegd.

1.4

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1

De woning van [Appellante] aan [adres] te Sint Maarten is als gevolg van de orkaan Irma op 6 september 2017 ernstig beschadigd.

2.2 [

Appellante] en [Geïntimeerde]hebben op of omstreeks 15 november 2017 een aannemingsovereenkomst gesloten op grond waarvan [Geïntimeerde]de woning van [Appellante] zou repareren en/of slopen en/of verbouwen en/of reinigen. Partijen hebben geen schriftelijk contract opgesteld en ondertekend.

2.3

Partijen hebben een aanneemsom van USD 43.977,07 afgesproken. [Geïntimeerde] heeft dit bedrag gefactureerd op 28 februari 2018, met opgave van de verrichte werkzaamheden.

2.4 [

Geïntimeerde] is op 21 maart 2018 eigenaar geworden van het pand naast [Appellante]. Ook deze woning had orkaanschade. De woning is in beschadigde staat aan [Geïntimeerde] verkocht en geleverd.

2.5

Bij vonnis in kort geding van het Gerecht van 21 december 2018 is [Geïntimeerde] veroordeeld tot betaling van een voorschot van USD 25.000,00 aan [Appellante] en heeft het Gerecht geoordeeld dat van dit bedrag maximaal USD 2.000,00 moet worden aangewend voor de bekostiging van een deskundigenonderzoek naar de oorzaak van de constructieschade. [Geïntimeerde] heeft dit bedrag aan [Appellante] betaald.

2.6

Op 14 januari 2019 heeft [Appellante] ten laste van [Geïntimeerde] conservatoir beslag doen leggen onder The Wind Ward Islands Bank voor een begrote vordering van USD 110.000,00.

2.7

In een rapport van 7 maart 2019 heeft de heer P.N.R. Vastenhout van Vascon Structural Engineering, voor zover relevant, geschreven:

“Vascon believes that the demolition works executed in [Geïntimeerde] house did not effect [Appellante] house in a structural way. It didn’t cause the cracks in property 17e.

(…)

The roof can be considered waterproof and does not cause the leakage problems.

[Geïntimeerde] drainage solution for the roof, without gutter and limited roof edge offset, combined with leaving the upper section of the façade unfinished caused considerable leakage.

Insufficient leakage prevention was executed by [Geïntimeerde] at the ground floor common wall with [Appellante], and caused leakage.”

3 De beoordeling

3.1

In eerste aanleg heeft [Appellante] – kort samengevat – gevorderd betaling van diverse bedragen ten titel van schadevergoeding, te vermeerderen met rente en kosten.

3.2

In reconventie heeft [Geïntimeerde] opheffing van het conservatoir derdenbeslag op de bankrekeningen van [Geïntimeerde] gevorderd.

3.3

Het Gerecht heeft in conventie [Geïntimeerde] veroordeeld tot betaling van USD 390,00, te vermeerderen met de wettelijke rente alsmede in de buitengerechtelijke incassokosten ad USD 100,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en [Appellante] veroordeeld in de proceskosten. In reconventie heeft het Gerecht het beslag opgeheven en [Appellante] veroordeeld in de proceskosten. Het Gerecht heeft hier kort gezegd het volgende aan ten grondslag gelegd. Wat betreft de uitgevoerde reparatiewerkzaamheden neemt het Gerecht het Vascon rapport tot uitgangspunt. De schade aan het huis van [Appellante] wordt afgewezen. Uit het rapport volgt dat de sloopwerkzaamheden geen afbreuk hebben gedaan aan de structuur van het huis en evenmin de scheuren hebben veroorzaakt. De toekomstige schade is niet toewijsbaar omdat de woning inmiddels wel van een dak is voorzien en het hoogst onzeker is dat hierdoor toekomstige lekkages aan [Geïntimeerde] zijn toe te rekenen. De schade aan persoonlijke spullen zal worden afgewezen nu een verbintenis van [Geïntimeerde] om de persoonlijke spullen van [Appellante] in een container op te slaan niet is komen vast te staan. Het gevorderde bedrag van USD 200,00 wordt afgewezen in verband met de onweersproken stelling van [Geïntimeerde] dat zij reeds een bedrag van USD 2.000,00 als onderdeel van het totaalbedrag van USD 25.000,00 voor de deskundige heeft betaald. De geclaimde kosten van de wasmachine zullen worden afgewezen omdat [Appellante] heeft nagelaten een nadere onderbouwing te geven voor de stelling dat de lekkages hebben geleid tot de noodzaak de wasmachine te vervangen. De post lekkages aan het dak ad USD 390,00 zal worden toegewezen omdat uit het rapport valt af te leiden dat dakgoten de lekkages hadden kunnen voorkomen en het aan [Geïntimeerde] was om te zorgen voor een dak. De vervanging van de laminaatvloer is niet toewijsbaar nu niet [Geïntimeerde] maar [Appellante] zelf de laminaatvloer heeft gelegd en [Appellante] niet heeft onderbouwd dat [Geïntimeerde] de schade heeft veroorzaakt. De reparaties aan het elektriciteitsnetwerk wordt afgewezen omdat [Appellante] deze vordering onvoldoende heeft onderbouwd. Dat op [Geïntimeerde] een verbintenis lag ter zake van toilet en badkamer is niet vast komen te staan. De huurkosten worden afgewezen omdat niet valt in te zien op elke grond [Geïntimeerde] aansprakelijk kan worden gehouden voor kosten van alternatieve woonruimte van [Appellante] gedurende de uitvoering van de werkzaamheden. Dat geldt ook voor de toekomstige huurkosten: er bestaan geen structurele problemen aan het dak van de woning, zodat van toekomstige onrechtmatige hinder geen sprake is. Het is ook hoogst onzeker of [Appellante] haar woning in de toekomst zal moeten verlaten op grond van aan [Geïntimeerde] toe te rekenen feiten en omstandigheden. De reconventionele vordering is toewijsbaar: het beslag is vexatoir: [Appellante] heeft slechts een geringe vordering en [Geïntimeerde] heeft reeds een voorschot van USD 25.000,00 aan [Appellante] betaald.

3.4

In hoger beroep heeft [Appellante] de afwijzing van het Gerecht van de diverse schadeposten bestreden en opnieuw ter beoordeling voorgelegd aan het Hof. Na wijziging van eis vordert [Appellante] thans nog:

1. vergoeding van de schade door lekkages en wateroverlast, zijnde USD 23.082,96 en USD 27.189,00 minus het reeds door [Geïntimeerde] betaalde bedrag van USD 25.000,00, hetgeen in het petitum is afgerond naar een bedrag van USD 25.000,00;

2. vervanging van de laminaatvloer, naar het Hof begrijpt een bedrag van USD 7.600,00;

3. kosten reparaties elektriciteitsnetwerk;

4. veroordeling van [Geïntimeerde] om aan de voorzijde van zijn huis de muur te pleisteren om eventuele toekomstige lekkage te voorkomen per direct;

5. veroordeling van [Geïntimeerde] tot betaling van de proces- en advocaatkosten ad USD 13.500,00;

6. veroordeling van [Geïntimeerde] tot betaling van smartegeld.

Gerechtelijke plaatsbezichtiging

3.5

Het is een discretionaire bevoegdheid van de rechter om al dan niet een gerechtelijke plaatsbezichtiging te gelasten (artikel 175 Rv). Het Hof ziet geen aanleiding voor een descente, zoals door [Appellante] is verzocht. Aan haar verzoek gaat het Hof dan ook voorbij.

Schade veroorzaakt door wateroverlast

3.6 [

Appellante] stelt dat [Geïntimeerde] waterschade heeft veroorzaakt aan haar woning. Zijn huis, dat grenst aan dat van [Appellante], heeft vanaf maart 2018 tot en met augustus 2019 zonder dak gestaan, hetgeen leidde tot wateroverlast bij [Appellante] en schade aan haar woning. [Geïntimeerde] betwist deze schadepost. Volgens [Geïntimeerde] kan niet worden vastgesteld welke schade het gevolg is van orkaan Irma, welke schade is ontstaan door werkzaamheden die [Appellante] zelf heeft uitgevoerd dan wel door andere oorzaken. Zo stelt [Geïntimeerde] dat de woning van [Appellante] grenst aan twee andere woningen die – ten gevolge van de orkaanschade – ook een lange tijd zonder dak gezeten. De waterlekkage zou ook daar vandaan kunnen komen. [Geïntimeerde] voert verder aan dat de twee kwitanties die [Appellante] ter onderbouwing heeft overgelegd niet gespecificeerd zijn en bovendien voorzien zijn van handgeschreven notities en aangebrachte wijzigingen. De kwitanties wijken van elkaar af wat betreft de opgenomen posten en de totale omvang van de schade en het bedrag van de kwitantie. Het Hof overweegt als volgt. Uit het rapport Vascon blijkt dat de wateroverlast en lekkages zijn veroorzaakt doordat [Geïntimeerde] het dak van zijn woning niet heeft dicht gemaakt. Voor die schade is een bedrag toegekend aan schadevergoeding van USD 25.000,00. Anders dan [Geïntimeerde] heeft betoogd, betekent het enkele feit dat de deskundige door [Appellante] is ingeschakeld niet dat aan het rapport geen waarde kan worden gehecht. [Geïntimeerde] heeft verder geen feiten en omstandigheden aangevoerd die zouden moeten leiden tot de conclusie dat het rapport niet betrouwbaar is. Dat de heer Vastenhout van Vascon bevriend zou zijn met [Appellante] is daartoe in elk geval niet voldoende. Het is aan [Appellante] te stellen en te bewijzen dat de schade veroorzaakt door de wateroverlast het reeds aan haar vergoede schadebedrag van USD 25.000,00 overtreft. De overgelegde offertes maken naar het oordeel van het Hof onvoldoende duidelijk dat de werkzaamheden die staan opgesomd in de offertes werkzaamheden betreffen die veroorzaakt zijn door een tekortkoming van [Geïntimeerde] in de uitvoering van de aannemingswerkzaamheden dan wel door onrechtmatig handelen van [Geïntimeerde] doordat hij geruime tijd zijn woning niet voorzien heeft van een dak. Dat in een brief van Berman Keuning dan wel e-mailberichten en What’s App berichten van [Appellante] zelf staat dat de wateroverlast bij [Appellante] veroorzaakt is doordat de woning van [Geïntimeerde] geen dak heeft is daartoe niet voldoende. Ook onderbouwt dat niet dat alle in de offertes opgesomde werkzaamheden nodig waren door handelen dan wel nalaten van [Geïntimeerde]. Verder geeft ook het rapport Vascon geen aanleiding of onderbouwing voor het toewijzen van een hoger bedrag aan schadevergoeding, dan wel voor het vereiste causaal verband. Daarin wordt geen schadeberekening gemaakt, ook geen schatting van de schade.

Laminaatvloer

3.7

Het Hof begrijpt uit het schriftelijk pleidooi van [Appellante] van 11 december 2020 dat de schade aan de laminaatvloer is inbegrepen in de gevorderde schadepost waterschade. [Appellante] stelt immers dat zij met de offerte van USD 7.600,00 heeft willen aangeven dat de reparaties van de vloer, zoals genoemd in de producties 12 en 13 die ter onderbouwing van de waterschade zijn overgelegd, absoluut niet te hoog zijn. Deze schadepost kan derhalve onbesproken blijven.

Kosten reparatie elektriciteitsnetwerk

3.8

Het Hof overweegt dat onduidelijk is of [Appellante] deze schadepost separaat vordert, dus naast de gevorderde schade in verband met wateroverlast ad USD 25.000,00, nu in een van de offertes die zij ter onderbouwing van deze schade heeft overgelegd een post “electrical inspection and fix panelbox repairs” is opgenomen, terwijl in de andere offerte een post “full check-up on electrical and plumbing” is opgenomen. Het had op de weg van [Appellante] gelegen deze vordering voldoende inzichtelijk te maken en te voorzien van een concreet schadebedrag. Dat heeft [Appellante] niet gedaan. Voorts onderschrijft het Hof het oordeel van het Gerecht dat [Appellante] deze schadepost onvoldoende heeft onderbouwd. Ook in hoger beroep heeft [Appellante] de vordering niet voorzien van een nadere onderbouwing en toelichting. Dat betekent dat het Hof deze schadepost zal afwijzen.

Pleisteren van de woning van [Geïntimeerde]

3.9 [

Appellante] betoogt dat vanaf 10 december 2020 de woning van [Geïntimeerde] nog steeds onbewoond, onafgepleisterd en onafgebouwd is. Dit zorgt voor ongedierte, onnodig vocht en waardevermindering van de woning van [Appellante]. [Geïntimeerde] heeft geprotesteerd tegen deze eisvermeerdering. Het Hof gaat hier aan voorbij omdat de wet het toelaat bij memorie van grieven een eisvermeerdering te doen (artikel 280 jo 109 Rv). Het Hof wijst de vordering evenwel af, omdat [Appellante] niet heeft onderbouwd dat het afpleisteren van de woning van [Geïntimeerde] noodzakelijk is om schade bij [Appellante] te voorkomen.

Proces- en advocaatkosten

3.10

Het Hof zal deze schadepost afwijzen om tweeërlei reden: 1. nu [Appellante] in deze procedure in het ongelijk wordt gesteld, is er geen aanleiding voor een kostenveroordeling ten laste van [Geïntimeerde]; 2. de regeling inzake de proceskosten (conform liquidatietarief) is exclusief. Voor de kosten waarvoor die regeling een vergoeding pleegt in te sluiten, kan de wederpartij geen schadevergoeding vorderen op de voet van artikel 6:96 lid 2 BW. Dat de verliezende partij in de proceskosten pleegt te worden veroordeeld, vindt niet zijn grond in een verplichting tot schadevergoeding, maar in andere overwegingen die zich aldus laten samenvatten, dat het verbod van eigenrichting en de daarmee samenhangende, vrijwel onbeperkte vrijheid een ander in rechte te betrekken en zich in rechte tegen eens anders aanspraken te verdedigen, kan meebrengen dat het gerechtvaardigd is de kosten van het geding, voor zover zij niet ten laste van de overheid blijven, over partijen te verdelen op een wijze waarbij aan overwegingen van procesrisico en procesbeleid mede betekenis wordt toegekend, onder meer om te voorkomen dat de voormelde vrijheid door de vrees voor een veroordeling tot omvangrijke proceskosten in gevaar zou worden gebracht. Dit kan verklaren waarom de proceskosten waarin de verliezende partij veelal wordt veroordeeld vaak geen volledige vergoeding opleveren van hetgeen de winnende partij voor het proces aan kosten heeft gemaakt. Een volledige vergoedingsplicht is wel denkbaar, doch alleen in buitengewone omstandigheden. Daarbij dient te worden gedacht aan misbruik van procesrecht en onrechtmatige daad. Deze bijkomende omstandigheden heeft [Appellante] niet gesteld.

Immateriële schadevergoeding

3.11

Voor het toewijzen van een bedrag aan immateriële schadevergoeding (smartegeld) is nodig dat [Appellante] ten gevolge van de wateroverlast en het voeren van gerechtelijke procedures lichamelijk letsel heeft opgelopen, in haar eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in haar persoon is aangetast. Gelet op de stellingen van [Appellante] gaat het Hof ervan uit dat geen sprake is van lichamelijk letsel en evenmin van aantasting in eer of goede naam. De vraag die dan voorligt is, of [Appellante] op andere wijze in haar persoon is aangetast in de zin van artikel 6:106 lid 1, aanhef en onder b BW. Voor het aannemen van een persoonsaantasting is niet voldoende dat sprake is geweest van meer of minder sterk psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen. Voor de toewijsbaarheid van een vordering ter zake van persoonsaantasting is uitgangspunt dat het bestaan van geestelijk letsel waardoor iemand in zijn persoon is aangetast in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld (HR 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5356). In elk geval dient de benadeelde voldoende concrete gegevens aan te voeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval een psychische beschadiging is ontstaan, waartoe nodig is dat het bestaan van geestelijk letsel naar objectieve maatstaven is (of had kunnen worden) vastgesteld (HR 9 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF4606). [Appellante] heeft geen concrete gegevens aangevoerd waaruit het bestaan van enig geestelijk letsel als een in de psychiatrie erkend ziektebeeld naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld, althans waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. De vordering zal dan ook worden afgewezen.

3.12

De conclusie luidt dat de grieven falen. Het bestreden vonnis zal worden bevestigd, nu niet incidenteel is geappelleerd tegen de toegewezen schadevergoeding van USD 390,00. [Appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [Geïntimeerde] gemaakt.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

bevestigt het vonnis van het Gerecht van 18 februari 2020;

veroordeelt [Appellante] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [Geïntimeerde] vastgesteld op een bedrag van NAf 2.000,00 aan salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mrs. Th.G. Lautenbach, A.S. Arnold en J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten uitgesproken op 11 juni 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.