Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2021:170

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
11-06-2021
Datum publicatie
06-08-2021
Zaaknummer
AUA2020H00203
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verzoek tot schorsing uitvoerbaar bij voorraad ex artikel 429 p

formele relatie: AUA201701632

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

BESCHIKKING

op het verzoek tot schorsing ex artikel 429p lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder Rv) van:

[Appellant],

domicilie kiezend ten kantore van de gemachtigde te Aruba,

hierna te noemen: de man,

oorspronkelijk verweerder, thans appellant,

verzoeker tot schorsing,

gemachtigde: mr. G.L. Griffith,

tegen

[Geïntimeerde],

wonend in Aruba,

hierna te noemen: de vrouw,

oorspronkelijk verzoekster, thans geïntimeerde,

verweerster tot schorsing,

procederend in persoon.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Bij beroepschrift van 18 december 2020 is de man in hoger beroep gekomen van de tussen partijen op 24 maart 2020 gewezen en uitgesproken beschikking (hierna: de bestreden beschikking) van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (verder: het Gerecht).

1.2.

Bij op 21 december 2020 ingekomen afzonderlijk verzoekschrift, heeft de man verzocht de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking te schorsen.

1.3.

Bij per e-mail ingediend verweerschrift d.d. 25 mei 2021, heeft de vrouw geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de man in zijn verzoek, althans tot afwijzing daarvan.

1.4.

Op 4 juni 2021 hebben partijen schriftelijke pleitaantekeningen gediend. De daarbij gevoegde producties van de man zullen, nu niet is gebleken dat deze voorafgaand aan de indiening van de pleitaantekeningen aan de vrouw zijn toegezonden, buiten beschouwing worden gelaten.

1.5.

Uitspraak is bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1.

Bij de beoordeling van onder meer een verzoek op de voet van artikel 429p lid 2 Rv geldt hetgeen de Hoge Raad op 20 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:2026) heeft overwogen:

a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden.

b. Bij de toepassing van de onder a genoemde maatstaf in een incident of in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag.

c. Indien de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in de ten uitvoer te leggen uitspraak is gemotiveerd, moet de eiser of verzoeker, afgezien van het geval dat deze beslissing berust op een kennelijke misslag, aan zijn vordering of verzoek feiten en omstandigheden ten grondslag leggen die bij het nemen van deze beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de betrokken uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.

d. Het voorgaande geldt in de volgende gevallen:

i. in een incident tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad;

ii. in een incident tot zekerheidstelling;

iii. in een incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging;

iv. in een kort geding tot schorsing van de tenuitvoerlegging indien tegen de ten uitvoer te leggen uitspraak een rechtsmiddel is of nog kan worden ingesteld.

e. In een kort geding over de tenuitvoerlegging van een uitspraak die in kracht van gewijsde is gegaan, geldt dat de schorsing alleen kan worden uitgesproken indien de (verdere) tenuitvoerlegging misbruik van bevoegdheid zou opleveren.

2.2.

Bij de bestreden beschikking heeft het Gerecht – verkort weergegeven – bepaald dat de man een bijdrage van Afl. 1.050,= per kind per maand dient te betalen in de kosten van de verzorging en de opvoeding van de kinderen [Naam 1] en [Naam 2], beiden geboren op [geboortedatum 1] 2016 in Venezuela. Voorts heeft het Gerecht de man veroordeeld om een bedrag van $ 63.265,= te betalen terzake de kosten van de bevalling. Het Gerecht heeft de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zonder motivering.

2.3.

Het Hof stelt voorop dat een schorsingsincident niet mag ontaarden in een verkapt appel. Tot een beoordeling van de (inhoudelijke) bezwaren van de man tegen de bestreden beschikking als ook de ontvankelijkheidsaspecten in deze zaak in hoger beroep kan het in deze dan ook niet komen.

2.4.

Dat de bestreden beschikking kennelijke misslagen bevat, is niet gesteld of gebleken. Nu niet is gebleken dat het belang van de vrouw bij de uitvoerbaarheid van de bestreden beschikking minder zwaar moet wegen dan het belang van de man bij schorsing daarvan, zal het verzoek tot schorsing worden afgewezen.

2.5.

Door de vrouw is geprocedeerd in persoon. Het Hof ziet derhalve geen aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

- wijst het verzoek tot schorsing af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.W. Scholte, E.M. van der Bunt en F.W.J. Meijer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en uitgesproken op 11 juni 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.