Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2021:169

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
12-01-2021
Datum publicatie
06-08-2021
Zaaknummer
AUA2020H00018
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ontslag op staande voet is niet nietig want op goede grond gegeven.

formele relatie: AUA201901975

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2020

Registratienummers: AUA201901975 - AUA2020H00018

Uitspraak: 12 januari 2021

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

BESCHIKKING

in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te Aruba,

in eerste aanleg verzoeker, thans appellant,

gemachtigde: mr. D.G. Kock,

tegen

de naamloze vennootschap CUTS & CURVES FITNESS CENTER N.V.,

gevestigd te Aruba,

in eerste aanleg verweerster, thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. J.A.R. Bryson.

De partijen zullen hierna [Appellant] en Cuts & Curves worden genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Voor de procesgang in eerste aanleg en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) wordt verwezen naar de beschikking van 7 januari 2020 in de zaak met nummer AUA201901975 (hierna: de bestreden beschikking).

1.2

Bij beroepschrift ingekomen op 18 februari 2020, is [Appellant] in beroep gekomen tegen de bestreden beschikking met de conclusie dat het Hof hem zal toestaan kosteloos te procederen, zijn beroep gegrond zal verklaren, de bestreden beschikking zal vernietigen en opnieuw rechtdoende zijn vorderingen als in prima gesteld zal toewijzen, met veroordeling van Cuts & Curves in de kosten van beide instanties, alles uitvoerbaar bij voorraad.

1.3

Bij verweerschrift van 1 december 2020 heeft Cuts & Curves het appel bestreden en geconcludeerd dat het Hof de bestreden beschikking in al haar onderdelen, desnoods onder aanvulling van gronden, zal bevestigen althans het beroep ongegrond zal verklaren en [Appellant] in de kosten het geding in beide instanties zal veroordelen.

1.4

Op 3 december 2020 heeft de mondelinge behandeling via een videoverbinding plaatsgevonden. Verschenen zijn [Appellant] met zijn gemachtigde en namens Cuts & Curves haar directeur de heer [Naam 1], met haar gemachtigde. Beide gemachtigden hebben het woord gevoerd, mr. Bryson aan de hand van een pleitnota, en [Appellant] en de heer [Naam 1] hebben vragen van het Hof beantwoord.

1.5

Beschikking is gevraagd en bepaald op heden.

2 De feiten

2.1

In hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende, door het Gerecht onder 2.1 tot en met 2.8 van de bestreden beschikking vastgestelde, feiten.

2.2 [

Appellant] is op 1 januari 2017 als “trainer” in loondienst getreden bij Cuts & Curves, tegen een bruto loon van Afl. 2.300,- per maand.

2.3 [

Appellant] heeft op 4 juni 2017, op 22 juni 2017 en op 23 januari 2019 schriftelijke waarschuwingen gekregen voor het te laat arriveren op het werk.

2.4 [

Appellant] is mondeling gewaarschuwd in mei 2017, op 12 april 2018, op 14 juni 2018 en 21 juni 2018 en op 17 november 2018 voor het verlaten van de sportschool, het te laat arriveren op werk, het niet schoonhouden van de apparaten en het niet correct opvolgen van de open-en-closing procedure.

2.5 [

Appellant] is op 22 juni 2018 geschorst voor ‘Policy/Procedure violation’, ‘performance transgression’ en ‘absenteeism/tardiness’.

2.6

Op 31 januari 2019 heeft [Appellant] via een whatsapp bericht aan de directeur meegedeeld dat hij enkele keren laat op zijn werk is gekomen, omdat hij gedurende vier weken geen auto had, omdat hij in de ochtenden maaltijden bezorgt en omdat er in verband met wegwerkzaamheden enkele wegen gesloten zijn.

2.7

Op 7 februari 2019 is [Appellant] voor twee dagen geschorst in verband met een onderzoek omtrent een kastekort van Afl. 100,- op 4 februari 2019 en van Afl. 50,- op 5 februari 2019. In de ‘Performance Correction Notice’ van 7 februari 2019 die hem naar aanleiding van de kassatekorten is verstrekt, staat dat [Appellant] geen schriftelijke waarschuwing meer zal krijgen na deze waarschuwing.

2.8

Toen [Appellant] na de schorsing van 7 februari 2019 terug moest komen werken heeft hij zich een uur voor zijn dienst afgemeld voor werk.

2.9

Op 11 februari 2019 is aan [Appellant] door de manager, de heer [Naam 2], mondeling medegedeeld dat hij op staande voet ontslagen is.

3 De beoordeling

3.1

Gezien het overgelegde bewijs van onvermogen zal het Hof [Appellant] toestemming verlenen kosteloos te procederen.

3.2 [

Appellant] stelt dat het hem verleende ontslag op staande voet nietig is en verzoekt op die grond dat ontslag nietig te verklaren, Cuts & Curves te bevelen zijn salaris vanaf de datum van dat ontslag (door) te betalen zolang het dienstverband rechtsgeldig bestaat, vermeerderd met de vertragingsrente ex artikel 7A:1614q Burgerlijk Wetboek, Cuts & Curves te veroordelen hem weer te werk te stellen in zijn gebruikelijke functie en werktijden op straffe van een dwangsom en Cuts & Curves te veroordelen in de proceskosten.

3.3

In de bestreden beschikking heeft het Gerecht het verzochte afgewezen en [Appellant] veroordeeld in de proceskosten.

3.4

Aan deze beslissing heeft het in de bestreden beschikking onder ‘de beoordeling’ de volgende motivering ten grondslag gelegd.

“4.1 Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven.

4.2

Cuts & Curves heeft aan haar stelling dat er sprake is van een dringende reden ten grondslag gelegd dat [Appellant] zich een uur voor aanvang van zijn dienst op 9 februari 2019 heeft afgemeld voor werk, omdat zijn vrouw ernstig ziek was en [Appellant] om die reden op zijn baby moest passen. Gelet op de herhaaldelijke waarschuwingen en schorsingen die Cuts & Curves [Appellant] reeds had gegeven, was deze gedraging van [Appellant] voor Cuts & Curves de druppel die de emmer heeft doen overlopen. Door de manager [Naam 2] is tijdens het mondeling gegeven ontslag op 11 februari 2019 aan [Appellant] medegedeeld dat hij niet meer terug hoeft te komen, omdat hij veel kansen had gekregen en zijn houding ondanks de vele schriftelijke en verbale waarschuwingen en ondanks de schorsingen onveranderd is gebleven. [Appellant] doet niet wat van hem verwacht wordt en zijn gedrag kan niet langer geaccepteerd worden, aldus Cuts & Curves.

4.3 [

Appellant] stelt zich op het standpunt dat voor hem niet duidelijk is geworden wat de reden voor zijn ontslag was op 11 februari 2019, nu deze reden niet aan hem is medegedeeld. Toen hij op 11 februari 2019 op werk verscheen, is door de manager [Naam 2] aan [Appellant] slechts meegedeeld dat hij is ontslagen, omdat er klachten waren over zijn functioneren. Welke klachten dit zijn is voor hem niet duidelijk en deze leveren bovendien ook geen dringende reden voor ontslag op staande voet op. Voorts heeft [Appellant] aangevoerd dat Cuts & Curves niet heeft voldaan aan het vereiste dat een ontslag op staande voet onverwijld moet worden gegeven, omdat de druppel die de emmer voor Cuts & Curves heeft doen overlopen kennelijk zijn ziekmelden op 10 februari 2019 was, terwijl hij een dag daarna op 11 februari 2019 is ontslagen.

4.4

Of er sprake is van een dringende reden om een ontslag op staande voet te rechtvaardigen hangt af van de aard en de ernst van de reden voor ontslag en van de overige omstandigheden van het geval. Bij opzegging van een arbeidsovereenkomst om een dringende reden dient de reden onverwijld aan de wederpartij te worden meegedeeld (art. 7A:1615o lid 1 BWA). De strekking hiervan is dat voor de wederpartij onmiddellijk duidelijk behoort te zijn welke eigenschappen of gedragingen de ander hebben genoopt tot het beëindigen van de dienstbetrekking. De wederpartij moet zich immers na de mededeling kunnen beraden of hij de opgegeven reden(en) als juist erkent en als dringend aanvaardt.

4.5

De stelling van [Appellant] dat de dringende reden hem bij de aanzegging van het ontslag niet is medegedeeld en dat het ontslag om die reden niet geldig is, wordt verworpen. Uit de eigen stellingen van [Appellant] volgt dat bij de aanzegging van het ontslag aan hem (in ieder geval) is medegedeeld dat er klachten waren over zijn functioneren. Het Gerecht is van oordeel dat het voor [Appellant] daarmee aanstonds voldoende duidelijk was, welke van zijn daden, eigenschappen of gedragingen Cuts & Curves aanleiding hebben gegeven tot de onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Vast staat dat [Appellant] herhaaldelijk is gewaarschuwd en geschorst in verband met zijn houding en gedrag. Op de ‘Performance Correction Notice’ naar aanleiding van de schorsing van 22 juni 2018 is door de supervisor onder meer opgenomen dat het dienstverband met [Appellant] zal worden beëindigd als hij voortaan de open-en-closing procedure niet volgt. Voorts is op de ‘Performance Correction Notice’ van 7 februari 2019, die voorafgaand aan de laatste schorsing van 7 februari 2019 aan [Appellant] is gegeven, door de supervisor onder meer opgenomen dat [Appellant] bij een volgende misdraging geen schriftelijke waarschuwing meer zal ontvangen. Uit de whatsapp berichten die [Appellant] op 31 januari 2019 naar de directeur heeft verstuurd, blijkt overigens ook dat [Appellant] zich ervan bewust was dat hij bij herhaling laat op het werk arriveerde.

Gelet op dit alles moet het voor [Appellant] duidelijk zijn geweest dat het Cuts & Curves al langere tijd ernst was en dat zijn overtredingen van de bedrijfsregels niet langer acceptabel werd bevonden en waarop de klachten omtrent zijn functioneren betrekking hadden.

4.6

Ondanks herhaaldelijk te zijn gewaarschuwd en geschorst, onder meer vanwege het ongeoorloofd te laat op het werk verschijnen, heeft [Appellant] zijn gedrag niet aangepast. Hoewel niet is komen vast te staan dat de kastekorten op 4 en 5 februari 2019 door malversaties van [Appellant] zijn ontstaan, acht het Gerecht die kastekorten wel verwijtbaar aan [Appellant], nu hij onvoldoende heeft betwist dat deze zijn ontstaan door het niet opvolgen van de voorgeschreven procedures. Vervolgens is [Appellant] na afloop van zijn schorsing zonder geldige reden wederom de gehele dag niet op het werk verschenen. Door [Appellant] is onvoldoende gemotiveerd gesteld dat de ziekte van zijn vrouw noodzakelijkerwijs met zich bracht dat hij de gehele dag niet op het werk kon verschijnen. In het licht van de eerdere overtredingen van de bedrijfsregels en de waarschuwingen die daarvoor aan [Appellant] waren gegeven (zodat het voor [Appellant] ook duidelijk was dat de overtredingen niet langer werden getolereerd), was het incident na zijn schorsing voldoende voor het aannemen van een dringende reden die de verstrekkende maatregel van ontslag op staande voet kan dragen. Derhalve is het ontslag op staande voet op zichzelf gerechtvaardigd.

4.7

De stelling van [Appellant] dat het ontslag niet onverwijld is gegeven, wordt eveneens verworpen. In het onderhavige geval is het gerecht van oordeel dat het ontslag onverwijld is gegeven nu [Appellant] meteen, toen hij op 11 februari 2019 na zijn afwezigheid op het werk verscheen, is ontslagen. Hiermee voldoet het tijdsverloop aan het vereiste dat niet overhaast maar wel voortvarend dient te worden gehandeld door de werkgever.

4.8

Het bovenstaande leidt tot het oordeel dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven en dat de verzoeken van [Appellant] moeten worden afgewezen. [Appellant] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.”

3.5

Het Hof kan zich met deze overwegingen van het Gerecht verenigen en maakt deze tot de zijne. Daaraan wordt nog het volgende toegevoegd. Het oordeel van het Gerecht dat het ontslag onverwijld is gegeven is niet in appel bestreden. Daarmee ligt in hoger beroep enkel de vraag voor of sprake was van een dringende reden waardoor een ontslag op staande voet mocht wordt gegeven. [Appellant] betwist in zijn beroepschrift de dringende reden.

Cuts & Curves heeft aangevoerd dat het feit dat [Appellant] op zijn baby moest passen wegens ziekte van zijn vrouw geen geldige reden vormde om af te zeggen voor het werk en [Appellant] heeft dat niet weersproken. Toen de situatie zich voordeed dat in plaats van zijn vrouw iemand anders op de baby zou moeten passen, mocht naar het oordeel van het Hof van [Appellant] worden verlangd dat hij moeite zou doen iemand anders te vinden die op de baby zou passen, zodat hijzelf zich niet zou behoeven af te melden voor zijn werk. Dat hij zich enige moeite daartoe heeft getroost, is echter niet gebleken. Dit valt hem te verwijten.

Dat geldt te meer omdat zijn werk uitsluitend zou kunnen worden overgenomen door zijn supervisor [Naam 3], die dat op 9 februari 2019 na de afmelding van [Appellant] ook daadwerkelijk heeft gedaan nadat hij daarvoor reeds 2 uren ‘overtime’ had gedraaid. Voorts blijkt uit de overgelegde whatsappjes dat, anders dan hij het doet voorkomen, flinke druk op [Appellant] moest worden uitgeoefend om zelf een vervanger te zoeken. De daarvoor gegeven schriftelijke en mondelinge waarschuwingen waren van die omvang dat Cuts & Curves niet langer hoefde te accepteren dat [Appellant] zonder geldige reden niet op het werk verscheen, te meer nu Cuts & Curves onbetwist heeft gesteld dat [Appellant] het meerdere keren op het laatste moment heeft laten afweten, dat het daardoor lastig is vervanging te regelen en dat de sportschool niet onbemand mag zijn.

3.6

Al hetgeen in r.ov. 3.5 is overwogen, draagt bij aan de conclusie dat het ontslag op staande voet op goede gronden is gegeven.

3.7

Op grond van het voorgaande is het beroep ongegrond en zal de bestreden beschikking worden bevestigd.

3.8 [

Appellant] zal worden veroordeeld in de kosten van dit geding in hoger beroep.

4 De beslissing

Het Hof:

verleent [Appellant] toestemming kosteloos te procederen;

bevestigt de beschikking van het Gerecht van 7 januari 2020;

veroordeelt [Appellant] in de kosten van dit geding in hoger beroep, gevallen aan de zijde van Cuts & Curves en tot aan deze beschikking begroot op Afl. 4.000,- (2 punten, tarief 5).

Dit vonnis is gewezen door mrs. O. Nijhuis, E.M. van der Bunt en Th.G. Lautenbach, en leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 12 januari 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.