Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2021:168

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
02-08-2021
Datum publicatie
06-08-2021
Zaaknummer
HAR 83/2021
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Strafvorderlijk kort geding. Verzoeker komt op tegen voorgenomen terugplaatsing als gedetineerde van Nederland naar Curaçao op grond van de Onderlinge Regeling Beschikbaarstelling Detentiecapaciteit. Beoordeling voorgenomen toepassing van deze regeling in het concrete geval

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: HAR 83/2021

Uitspraak: 2 augustus 2021

gegeven op het verzoek ex artikel 43 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van:

[VERDACHTE],

geboren op [geboortedatum] 1971 in [geboorteplaats],

voorheen wonend in [woonplaats 1],

thans gedetineerd in de [verblijfplaats verdachte] in [woonplaats 2],

hierna te noemen: verzoeker.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Op 29 juli 2021 heeft de gemachtigde van verzoeker, mr. M.C. Vaders, advocaat in Curaçao, ter griffie van het Hof een verzoekschrift ex artikel 43 Sv ingediend. Het verzoek strekt ertoe dat het Hof het openbaar ministerie het verbod zal opleggen om verzoeker over te plaatsen naar Curaçao en het bevel zal opleggen om de detentie van verzoeker in Nederland te laten voortduren.

1.2.

De behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden in raadkamer van het Hof op 30 juli 2021 in Curaçao. Verschenen en gehoord zijn mr. Vaders, voornoemd, en de procureur-generaal mr. C.H. Hato-Willems.

Verzoeker heeft via een directe video- en geluidsverbinding vanuit de P.I. in Middelburg deelgenomen aan de behandeling van het namens hem ingediende verzoek. Tijdens de behandeling heeft mr. Vaders het verzoek toegelicht en zijn vragen van het Hof beantwoord, ook door verzoeker.

De procureur-generaal heeft eveneens het woord gevoerd, mede aan de hand van haar schriftelijke conclusie d.d. 30 juli 2021.

1.3.

Het Hof heeft een beschikking aangezegd welke heden wordt gegeven.

2 De feiten

2.1.

Op 5 mei 2013 is de [beroep slachtoffer] [slachtoffer] in Curaçao vermoord. Het naar aanleiding van deze moord ingestelde opsporingsonderzoek heeft geleid tot de identificatie van een aantal personen, onder wie verzoeker, als bij die moord strafrechtelijk betrokken. Feit is, dat twee van hen zijn overleden, nog voordat zij konden worden berecht; de een is ernstig verminkt en onthoofd gevonden, de ander is in detentie door verhanging om het leven gekomen. Het is speculatie of hun overlijden feitelijk op de een of andere wijze in verband kan worden gebracht met dat opsporingsonderzoek, en de daaraan te verbinden effecten.

Bij onherroepelijk vonnis van het Hof van 13 juli 2018 is verzoeker veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 26 jaren, met aftrek van voorarrest. In dat vonnis is vastgesteld dat verzoeker een opdracht heeft aangenomen om de even genoemde [slachtoffer] uit de weg te ruimen.

2.2.

Verzoeker was in verband met het vorenstaande aanvankelijk gedetineerd in het huis van bewaring in het land Curaçao, doch werd met ingang van

21 januari 2016 in verband met dringende redenen van veiligheid in het kader van de Onderlinge Regeling Beschikbaarstelling Detentiecapaciteit (hierna: ORD) tijdelijk naar de Penitentiaire Inrichting Middelburg in Nederland overgeplaatst. Verzoeker is sindsdien, en tot op heden, in Nederland gedetineerd.

2.3.

Verzoekers verblijf in Nederland is onderbroken geweest doordat hij met louter het oog op zijn verhoor als getuige ter terechtzitting van het Hof op 21 januari 2021 van Nederland tijdelijk naar Bonaire is overgebracht. Dat verhoor vond plaats ter terechtzitting van het Hof in de tegen een medeverdachte J. aanhangige strafzaak. In die strafzaak stond deze verdachte in hoger beroep terecht voor onder meer de uitlokking van de moord op de even genoemde [slachtoffer]. Bij vonnis van 5 maart 2021 is J. veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 jaren. Dat vonnis is thans niet onherroepelijk.

3 De standpunten

3.1.

In raadkamer heeft de gemachtigde, kort samengevat, het navolgende aangevoerd:

- de voorgenomen terugkeer van verzoeker naar het SDKK in Curaçao brengt onaanvaardbare veiligheidsrisico’s met zich, omdat de gerede kans bestaat dat getracht zal worden om verzoeker om het leven te brengen. Die overplaatsing komt in strijd met verdachtes recht op leven en het recht op veiligheid, zoals gegarandeerd in artikel 2 EVRM;

- dat die kans ook een gerede kans is wordt geïllustreerd door het feit dat verzoekers overbrenging vanuit Nederland nog in januari van dit jaar met tal van zware veiligheidsmaatregelen gepaard is gegaan, terwijl verzoeker niet eens voor 1 nacht in het SDKK in Curaçao kon worden ondergebracht;

- verzoeker is thans ruim 5 jaren gedetineerd in Nederland. Na de overplaatsing van verzoeker naar Nederland hebben zijn vrouw en kinderen zich om dichter bij verzoeker te zijn in Nederland gevestigd. Zij hebben de voorbije jaren een nieuw leven opgebouwd, terwijl ook verzoeker in detentie is ingeburgerd in Nederland.

3.2.

De procureur-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. Daartoe heeft de procureur-generaal - kort samengevat - het volgende aangevoerd. De overplaatsing van verzoeker vanaf 21 januari 2016 naar Nederland heeft plaatsgevonden in het kader van de ORD en is sedertdien telkens voor de duur van zes maanden verlengd. De dreigingsanalyses van achtereenvolgens 20 september 2019, 18 december 2019 en 3 september 2020 hebben geen concrete en actuele aanwijzingen opgeleverd dat verzoeker bedreigd wordt in zijn persoonlijke veiligheid.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, juncto eerste lid ORD is aan de Nederlandse Minister van Justitie dan ook bericht dat de noodzaak tot overbrenging van verzoeker in Nederland is komen te ontvallen. Voorts is de voorgenomen terugplaatsing van verzoeker niet disproportioneel, nu het gezin van verzoeker zelf de keuze heeft gemaakt om zich in Nederland te vestigen, terwijl het voor hen steeds duidelijk was dat de overplaatsing in beginsel tijdelijk is.

3.3.

Nader bevraagd in raadkamer heeft de procureur-generaal medegedeeld dat de in het verleden aangenomen dringende redenen van veiligheid (in de zin van artikel 2, eerste lid, sub b. van de ORD) in de kern steeds gestoeld zijn geweest op twee pijlers. De ene pijler is meer abstract van aard: geen concrete bedreiging, maar het bestaan van de mogelijkheid dat verzoeker als getuige in een strafzaak van een medeverdachte een verklaring aflegt: dat gegeven levert voor hem een onaanvaardbaar veiligheidsrisico op. Dat risico bestaat thans niet meer, nu verzoeker in de inmiddels afgedane strafzaak tegen J. ter terechtzitting als getuige een verklaring heeft afgelegd. De andere pijler bestond in het risico dat verzoeker door iemand zou worden afgeperst. Dat is bij slechts een niet nader onderbouwde mededeling van verzoeker gebleven, aldus de procureur-generaal.

4 De beoordeling

4.1.

Ingevolge artikel 43, eerste lid, Sv kan in alle gevallen, waarin het belang van een goede strafrechtsbedeling een voorziening dringend noodzakelijk maakt en het wetboek zelf daaromtrent geen regeling bevat, een verzoek om zodanige voorziening worden gedaan door de verdachte of degene die daarbij een rechtstreeks hem bepaaldelijk aangaand belang heeft.

Volgens vaste jurisprudentie van het Hof strekt artikel 43 Sv zich mede uit over de fase van tenuitvoerlegging van een opgelegde straf. Nu de strafzaak die tot de detentie van verzoeker heeft geleid, laatstelijk bij het Hof aanhangig is geweest, is het verzoek terecht aan het Hof gedaan.

4.2.

Verzoeker is eerder in rechte opgekomen tegen een voorgenomen terugkeer naar Curaçao. Bij beschikking ex artikel 43 Sv van het Hof van 10 maart 2020 heeft het Hof het door verzoeker verzochte verbod toegewezen. In die beschikking heeft het Hof – voor zover in dezen relevant – overwogen:

4.2.

Bij de beoordeling van het verzoek stelt het Hof voorop dat ingevolge artikel 40 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (hierna: het Statuut) door de rechter in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten uitgevaardigde bevelen in het gehele Koninkrijk ten uitvoer kunnen worden gelegd, met inachtneming van de wettelijke bepalingen van het land waar de tenuitvoerlegging plaats vindt en dat ingevolge artikel 36 van het Statuut Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten elkaar hulp en bijstand verlenen.

4.3.

Artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b van de ORD bepaalt dat de ORD uitsluitend van toepassing is in de gevallen waarin dringende redenen van veiligheid een verder verblijf in detentie in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba onverantwoord doen zijn. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de ORD richten de openbare ministeries van de landen hun verzoek om tijdelijke beschikbaarstelling van detentiecapaciteit door tussenkomst van de procureur-generaal tot de Minister van Justitie van het aangezochte land dat mogelijkerwijs detentiecapaciteit beschikbaar kan stellen.

4.4.

Gelet op het bepaalde in artikel 38, eerste lid, van het Statuut en de inhoud van de ORD, alsmede gelet op de toelichting daarop, moet de ORD worden begrepen als een regeling waarbij de landen Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Nederland hebben voorzien in een aantal regels met betrekking tot samenwerking op het terrein van het tijdelijk aan elkaar beschikbaar stellen van detentiecapaciteit. Het Hof is van oordeel dat deze aard van de ORD zich ertegen verzet dat gedetineerden aan de ORD (rechtstreeks) rechten ontlenen. In zoverre komt verzoeker geen beroep toe op hetgeen in artikel 3 van de ORD is bepaald omtrent de te volgen procedure ter zake van een verzoek om beschikbaarstelling van tijdelijke detentiecapaciteit.

4.5.

Wel dient een beslissing tot overplaatsing te voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het Hof, dat de beslissing tot tijdelijke overplaatsing marginaal dient te toetsen, is van oordeel dat niet is gebleken dat daaraan in het onderhavige geval is voldaan, en overweegt hieromtrent als volgt.

4.6.

Het Hof stelt vast dat verzoeker gedurende een periode van 4 jaren in Nederland is gedetineerd om dringende redenen van veiligheid. De procureur-generaal heeft, naar het oordeel van het Hof, onvoldoende concreet gemotiveerd waarom er thans niet langer een gegronde vrees voor de persoonlijke veiligheid van verzoeker aanwezig is die in de weg staat aan een overplaatsing naar Curaçao. Dit geldt temeer nu het vonnis in de strafzaak tegen verzoeker onherroepelijk is geworden. Hij kan zich derhalve niet meer beroepen op het verschoningsrecht dat hij als verdachte had, indien hij als getuige in - kort gezegd - de zaak [slachtoffer] zou worden gehoord. Hij is in dat geval voorts verplicht naar waarheid te verklaren. Het komt het Hof voor dat die omstandigheid eerder tot een toename van de vrees voor de persoonlijke veiligheid van verzoeker leidt dan tot afname daarvan, terwijl de mogelijkheid dat verzoeker als getuige zal worden gehoord in bedoelde zaak een reële mogelijkheid is.

4.7.

Gelet op vorenstaande acht het Hof de gevraagde voorziening toewijsbaar, voor zover dat ziet op het verbod tot overplaatsing van verzoeker naar Curaçao. (…) Op grond van de ORD zal iedere zes maanden getoetst moeten worden of bedoelde dringende redenen van veiligheid nog aanwezig zijn.

Die overwegingen worden door het Hof op deze plaats herhaald en ingelast.

4.3.

Het Hof stelt voorop, dat uit de ORD volgt dat de regeling van verzoeken om tijdelijke beschikbaarstelling van detentiecapaciteit onmiskenbaar strikt is, terwijl de terugkeer van de gedetineerde naar het land waar de vrijheidsstraf is opgelegd het uitgangspunt is. Immers, zodra de gronden voor dringende redenen van veiligheid niet meer aanwezig zijn dient terugkeer plaats te vinden, en slechts in het geval waarin die dringende redenen daartoe nopen kan de maximale termijn van zes maanden met zes maanden worden verlengd.

4.4.

De toepassing van deze strikte regeling op het geval van verzoeker heeft ertoe geleid dat hij inmiddels gedurende een periode van ruim vijf en een half jaar in Nederland is gedetineerd. Derhalve moet worden aangenomen dat de halfjaarlijkse toetsing en verlenging telkenmale gestoeld zijn geweest op de onderkenning van het bestaan van dringende redenen van veiligheid, zoals bedoeld in artikel 2, lid 1, sub b, van de ORD. Zoals is medegedeeld door de procureur-generaal bestonden die redenen in het geval van verzoeker vooral in abstracto: geen concrete bedreiging, maar het bestaan van de mogelijkheid dat verzoeker als getuige in een strafzaak van een medeverdachte een verklaring aflegt levert voor hem een onaanvaardbaar veiligheidsrisico op. De stelling dat met dit risico thans geen rekening meer gehouden dient te worden omdat verzoeker in de inmiddels afgedane strafzaak tegen J. ter terechtzitting als getuige een verklaring heeft afgelegd verwerpt het Hof, reeds omdat het vonnis in die strafzaak door het ingestelde cassatieberoep niet-onherroepelijk is. Daarbij komt, dat in het licht van wat door de procureur-generaal in raadkamer naar voren is gebracht thans niet kan worden aangenomen dat met de mogelijkheid van het moeten getuigen door verzoeker in een of meer andere toekomstige strafzaken die zien op de moord op [slachtoffer] in redelijkheid geen rekening behoeft te worden gehouden.

Anders gezegd: in het geval waarin het ten laste van J. gewezen vonnis wél onherroepelijk is en het openbaar ministerie voorshands niet (meer) rekent op opsporing en vervolging van andere (intellectuele) daders, ligt het in de rede dat met het bestaan van de even bedoelde dringende redenen van veiligheid evenmin (meer) behoeft te worden gerekend. Alsdan lijkt, behoudens nova, niets aan terugkeer van verzoeker naar Curaçao als het land waarin de vrijheidsstraf is opgelegd in de weg te hoeven staan.

Al met al is de (veiligheids)situatie op dit moment niet wezenlijk anders dan in de voorbije jaren. Het enkele gegeven dat de dreigingsanalyses van achtereenvolgens 20 september 2019, 18 december 2019 en 3 september 2020 geen concrete en actuele aanwijzingen hebben uitgewezen dat verzoeker bedreigd wordt in zijn persoonlijke veiligheid doet daaraan niet af.

4.5.

Het voorgaande voert tot de slotsom dat zich thans niet het geval voordoet waarin moet worden aangenomen dat de redelijke kans op het door verzoeker als getuige verklaren in een aan de moord op [slachtoffer] te relateren strafzaak en daarmee de daaraan door het openbaar ministerie gerelateerde dringende redenen van veiligheid zodanig zijn verbleekt, dat voor een voortzetting van de (naar zijn aard: tijdelijke) overbrenging op de voet van de ORD geen grond meer bestaat. Zodra dat geval zich wél voordoet realiseert zich in beginsel de mogelijkheid tot terugkeer van verzoeker, immers een uitgangspunt in de ORD. Naar mag worden aangenomen zal die afweging beredeneerd en onderbouwd plaatsvinden, en niet halsoverkop, zoals thans het voornemen lijkt te zijn: de aankondiging van de voorgenomen terugkeer van verzoeker op 27 juli 2021, met zijn vertrekdatum van 2 augustus 2021.

4.6.

Gelet op vorenstaande acht het Hof de gevraagde voorziening toewijsbaar, voor zover dat ziet op het verbod tot overplaatsing van verzoeker naar Curaçao, en behoeft wat overigens is aangevoerd geen beoordeling door het Hof.

4.7.

Ten overvloede overweegt het Hof nog het volgende. Door en namens verzoeker is nog aandacht gevraagd voor – kort gezegd – sociale aspecten en zijn resocialisatie op termijn, die zouden maken dat de tenuitvoerlegging van zijn straf in Nederland aangewezen is. Die aspecten en dat belang vallen evenwel buiten het bereik van de in de ORD vervatte regeling.

5 De beslissing

Het Hof:

- verbiedt het openbaar ministerie om verzoeker over te plaatsen naar Curaçao tot het moment van de volgende toetsing als bedoeld in artikel 4, lid 3, van de ORD;

- wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven op 2 augustus 2021 in Curaçao door mrs.

R. Veldhuisen, S.A. Carmelia en C.E.M. Nootenboom-Lock, leden van het Hof, in tegenwoordigheid van de griffier, mr. M. Witteman.