Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2021:154

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
01-06-2021
Datum publicatie
03-08-2021
Zaaknummer
BON2020H00064
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

voeging tussenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN

ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN

BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Vonnis in het incident ex artikelen 214 jo. 280 Rv van:

[EISERES tot tussenkomst en voeging],

wonende in [Woonplaats], Nederland,

eiseres tot tussenkomst en voeging,

hierna te noemen: [Eiseres],

gemachtigden: mrs. M-J. Eisden, B.F.L.M. Schim en N. Minkjan,

die wenst tussen te komen en te voegen aan de zijde van [Gedaagde 1] in de zaak van:

[GEDAAGDE 1 in het incident],

wonende in [Woonplaats], Nederland,

hierna te noemen: [Gedaagde 1],

oorspronkelijk gedaagde, thans appellant,

gedaagde in het incident,

gemachtigde: mr. R.B. van Hees,

tegen

[GEDAAGDE 2 IN HET INCIDENT],

wonende in Taipei, Taiwan,

hierna te noemen: [Gedaagde 2],

oorspronkelijk eiser, thans geïntimeerde,

gedaagde in het incident,

gemachtigde: mr. M.D. van den Brink.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Bij akte van appel van 9 december 2020 is [Gedaagde 1] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen met zaaknummer BON201900647 gewezen en op 2 december 2020 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (zittingsplaats Bonaire) (verder: het Gerecht).

1.2.

Bij op 20 januari 2021 ingekomen memorie van grieven, met producties, heeft [Gedaagde 1] elf grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. De conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende:

  1. [Gedaagde 2] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vorderingen, althans deze af te wijzen;

  2. [Gedaagde 2] zal gebieden alle prestaties verricht ter uitvoering van het vonnis in eerste aanleg, in het bijzonder de levering van het in deze zaak bedoelde onroerend goed, ongedaan te maken door (onder meer) de daaraan (kennelijk) ten grondslag liggende overeenkomst te ontbinden en dat onroerend goed op eigen kosten onmiddellijk terug te (doen) leveren aan [Gedaagde 1], en daarbij alle redelijkerwijs vereiste documenten te ondertekenen en verdere medewerking te verlenen, een en ander op straffe van verbeurte door [Gedaagde 2] van een dwangsom van US $ 25.000,-, althans een door het Hof in goede justitie te bepalen dwangsom, voor elke keer of elke dag of gedeelte daarvan dat hij met de nakoming daarvan geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft.

  3. [Gedaagde 2] zal veroordelen in de kosten van deze procedure in eerste aanleg en in hoger beroep, te vermeerderen met de nakosten ad US$ 140,-, verhoogd met US$ 83,- in geval van betekening, alle kosten te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het in deze zaak te wijzen vonnis, en voor het geval voldoening niet binnen die termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten, te rekenen vanaf de vijftiende dag na dat vonnis en;

  4. [Gedaagde 2] zal veroordelen tot terugbetaling van al hetgeen [Gedaagde 1] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan hem heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, te rekenen vanaf de dag van betaling door [Gedaagde 1 in incident] tot en met de dag van algehele terugbetaling.

1.3.

Bij op 4 februari 2021 ingekomen akte heeft [Eiseres] een incidentele conclusie houdende vordering tot tussenkomst en voeging ex artikel 214 jo. 280 Rv ingediend. Daarbij is primair tussenkomst en voeging aan de zijde van [Gedaagde 1 in de hoofdzaak gevorderd, en subsidiair, voeging aan de zijde van [Gedaagde 1] in de hoofdzaak, kosten rechtens.

1.4.

Bij op 9 maart 2021 ingekomen memorie van antwoord met producties heeft [Gedaagde 2] de grieven bestreden en geconcludeerd tot verwerping daarvan en bevestiging van het vonnis van 2 december 2020, met veroordeling van [Gedaagde 1] in de proceskosten in beide instanties, onder de bepaling dat indien de proceskosten niet binnen veertien dagen na betekening van het vonnis zijn voldaan, daarover vanaf de vijftiende dag wettelijke rente is verschuldigd.

1.5.

Bij akte van 12 maart 2021 heeft [Gedaagde 2] zich ten aanzien van de incidentele vordering gerefereerd aan het oordeel van het Hof.

1.6.

Bij e-mail van 22 maart 2021 heeft [Gedaagde 1] zich ten aanzien van de incidentele vordering gerefereerd aan het oordeel van het Hof.

1.7.

Vonnis is nader bepaald op vandaag.

2 De beoordeling

2.1.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 28 maart 2014 (ECLI:NL:HR:2014:768) overwogen als volgt:

4.1.2

Bij de beoordeling van deze klacht wordt vooropgesteld dat een partij op de voet van art. 217 Rv in een aanhangig geding kan vorderen te mogen tussenkomen indien zij een eigen vordering wenst in te stellen tegen (een van) de procederende partijen en voldoende belang heeft zich met dat doel in te mengen in het aanhangige geding in verband met de nadelige gevolgen die zij van de uitspraak in de hoofdzaak kan ondervinden (vgl. voor het geval van voeging: HR 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5241, NJ 2014/58, rov. 3.6.2). Dat belang kan erin bestaan dat in verband met de gevolgen die de uitspraak in de hoofdzaak kan hebben, benadeling of verlies van een recht van de tussenkomende partij dreigt, dan wel diens positie anderszins kan worden benadeeld. Aan de toewijsbaarheid van een vordering tot tussenkomst kunnen niettemin de eisen van een goede procesorde in de weg staan.

4.1.3

Voor zover onderdeel 1 klaagt dat het hof heeft miskend dat een partij die verlangt te worden toegelaten tot tussenkomst, daarbij niet kenbaar behoeft te maken wat zij wenst te vorderen en van wie, berust het op een onjuiste rechtsopvatting. Een oordeel over de gerechtvaardigdheid van de verlangde tussenkomst is immers alleen mogelijk indien duidelijk is wat de interveniënt wenst te bewerkstelligen. (..)

4.1.4

Aldus hebben FIAR c.s. onvoldoende toegelicht dat de vorderingen die zij wensen in te stellen tegen de Staat in de hoofdzaak, voldoende samenhang vertonen met het onderwerp van de hoofdzaak om tot het oordeel te kunnen leiden dat FIAR c.s. voldoende belang hebben bij tussenkomst in verband met de gevolgen die zij van de uitspraak in de hoofdzaak kunnen ondervinden. De gedingstukken laten dan ook geen andere conclusie toe dan dat het hof na verwijzing de verzochte tussenkomst (opnieuw) zal moeten weigeren.

(..)

5.3

Eenieder die belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, kan vorderen zich daarin te mogen voegen (art. 217 Rv). Voor het aannemen van een zodanig belang is voldoende dat de partij die voeging vordert nadelige gevolgen kan ondervinden van een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij aan wier zijde zij zich voegt (vgl. HR 14 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6692, NJ 2008/168; HR 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5241, NJ 2014/58).(..)

2.2.

In het arrest van 12 juni 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1602) is voorts nog overwogen:

3.2

Eenieder die belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, kan vorderen zich daarin te mogen voegen (art. 217 Rv). Voor het aannemen van een zodanig belang is voldoende dat de partij die voeging vordert, nadelige gevolgen kan ondervinden van een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij aan wier zijde zij zich voegt (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:768, NJ 2015/206, rov. 5.3). Onder nadelige gevolgen zijn in dit verband te verstaan de feitelijke of juridisch gevolgen die de toe- dan wel afwijzing van de in die procedure ingestelde vordering of het gezag van gewijsde van in de uitspraak in die procedure gegeven eindbeslissingen zal kunnen hebben voor degene die de voeging vordert. (…)

2.3.

In de procedure in de hoofdzaak gaat het in de kern om de vraag of tussen [Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] een koopovereenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan [Gedaagde 1] is gehouden tot levering van de woning aan [Gedaagde 2] dan wel of [Gedaagde 1] gehouden is door te handelen over de verkoop van de woning. In eerste aanleg heeft het Gerecht geoordeeld dat sprake is van een koopovereenkomst en [Gedaagde 1] veroordeeld tot levering van de woning aan [Gedaagde 2] binnen drie maanden na betekening van het vonnis zulks onder verbeurte van een dwangsom van US$ 5.000,= voor elke dag of dagdeel dat hij nalaat om uitvoering te geven aan deze veroordeling, met een maximum van US$ 1.000.000,=.

2.4. [

[Eiseres] stelt zich op het standpunt dat verwerping van het door [Gedaagde 1] ingestelde hoger beroep nadelige gevolgen zal hebben op haar (rechts)positie als echtgenote en medegebruiker van de woning. Daarbij heeft zij op 19 januari 2021 de koopovereenkomst, voor zover deze bestaat, vernietigd op voet van de artikelen 1:88 lid 1 aanhef onder a BW en 1:89 lid 1 BW. Zij heeft, samengevat weergegeven, belang bij tussenkomst omdat zij daardoor een verklaring voor recht kan vorderen dat, voor zover sprake is van een koopovereenkomst, deze rechtsgeldig is vernietigd, althans dat deze in rechte wordt vernietigd en belang bij voeging omdat zij [Gedaagde 1] daardoor kan ondersteunen in zijn betoog dat geen koopovereenkomst tot stand is gekomen. [Gedaagde 1 ] en [Gedaagde 2] voeren geen verweer maar refereren zich aan het oordeel van het Hof.

2.5.

Gelet op de door [Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] niet betwiste stellingen van [Eiseres], is voldoende komen vast te staan dat [Eiseres], gezien de vorderingen die zij als tussenkomende partij (tegen [Gedaagde 2] en mogelijk [Gedaagde 1]) wenst in te stellen, belang heeft bij tussenkomst in de onderhavige procedure in verband met de nadelige gevolgen die een uitspraak in hoger beroep tussen [Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] feitelijk of juridisch voor haar kan hebben. Ook is uit het door [Eiseres] gestelde voldoende gebleken dat zij, gelet op voormelde nadelige gevolgen, belang heeft bij voeging in de onderhavige procedure aan de zijde van [Gedaagde 1]. Beiden bestrijden het bestaan van een koopovereenkomst en beogen de vernietiging van het bestreden vonnis.

2.6.

Dat de eisen van een goede procesorde in de weg staan aan toewijzing van het gevorderde is niet gesteld noch gebleken. De incidentele vordering tot tussenkomst en voeging zal worden toegewezen. De beslissing over de kosten van het incident zal worden gereserveerd tot de einduitspraak in de hoofdzaak.

BESLISSING

Het Hof:

In het incident:

- staat [Eiseres] toe in de onderhavige procedure tussen [Gedaagde 1] en [Gedaagde 2] tussen te komen en zich te voegen aan de zijde van [Gedaagde 1];

- houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindvonnis in de hoofdzaak;

In de hoofdzaak:

- bepaalt dat [Eiseres] uiterlijk 15 juli 2021 een memorie van antwoord kan nemen door toezending daarvan aan hogerberoepciviel@caribjustitia.org;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. M.W. Scholte, E.M. van der Bunt en O. Nijhuis, leden van het Hof en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juni 2021 in Curaçao, in tegenwoordigheid van de griffier.