Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2021:14

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
12-01-2021
Datum publicatie
21-01-2021
Zaaknummer
CUR2019H00172
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bedreiging artikel 3:44 lid 2 BW: bewijslevering niet geslaagd; hoofdelijke aansprakelijkheid; overeengekomen buitengerechtelijke incassokosten toewijsbaar conform liquidatietarief.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2021 Vonnis no.:

Registratienummer: CUR201803829 – CUR2019H00172

Uitspraak: 12 januari 2021

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

[Appellant],

wonend in Venezuela,

oorspronkelijk eiser,

thans appellant,

gemachtigde: mr. O.A. Martina,

tegen

[Geïntimeerde],

wonend in Curaçao,

oorspronkelijk gedaagde,

thans geïntimeerde,

procederend in persoon.

De partijen worden hierna [Appellant] en [Geïntimeerde] genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Voor het verloop van de procedure verwijst het Hof naar het tussenvonnis van 17 maart 2020. Bij dit vonnis is [Geïntimeerde] toegelaten tot het leveren van bewijs. Vervolgens hebben getuigenverhoren plaatsgevonden op 26 juni 2020 en 6 juli 2020. Hierbij zijn gehoord: [Geïntimeerde], [Naam 1] en [Naam 2]. [Appellant] heeft laten weten af te zien van zijn recht op contra-enquête. Daarna heeft [Geïntimeerde] een conclusie na enquête met twee producties overgelegd, waarna [Appellant] een akte uitlating heeft genomen.

3 De verdere beoordeling

3.1

Het Hof heeft het verweer van [Geïntimeerde] dat er geen sprake is van een geldlening en dat zij het geld nimmer heeft ontvangen in voornoemde tussenvonnis verworpen en geoordeeld dat er in rechte vanuit moet worden gegaan dat [Geïntimeerde] jegens [Appellant] een schuld is aangegaan van NAf 50.000,00.

3.2

Met betrekking tot het tweede verweer van [Geïntimeerde] dat de schuldbekentenis gebrekkig tot stand is gekomen doordat haar wijlen echtgenoot daartoe (in verband met bedreigingen aan het adres van hun jongste zoon [Naam 3], de uitbater van restaurant “’t Achtertuintje”) gedwongen werd en dat zij vervolgens op dringend verzoek van haar wijlen echtgenoot de schuldbekentenis heeft mede ondertekend, heeft het Hof overwogen dat [Geïntimeerde] voldoende feiten en omstandigheden aan de gestelde bedreiging ten grondslag heeft gelegd, dat zij conform haar bewijsaanbod tot bewijslevering wordt toegelaten.

3.3

Bedreiging (of dwang) is de onrechtmatige handelwijze waardoor men iemand een zodanige vrees voor een mogelijk nadeel inboezemt, dat deze daardoor wordt bewogen een rechtshandeling te verrichten teneinde de verwezenlijking van dit nadeel te voorkomen. Wat de wet in artikel 3:44 lid 2 BW op het oog heeft, is de handelwijze, al dan niet bestaande in of gepaard gaande met enigerlei vorm van gewelddadigheid, waardoor men iemand vrees inboezemt, ten gevolge waarvan hij wordt bewogen een bepaalde overeenkomst aan te gaan. De dwang moet, wil men op grond daarvan vernietiging van een overeenkomst kunnen vragen, een ongeoorloofd karakter hebben. [Geïntimeerde], die zich beroept op vernietiging van de schuldbekentenis, zal aannemelijk moeten maken, dat zij de schuldbekentenis niet of niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben aangegaan, indien zij daartoe niet ten gevolge van de uitgeoefende dwang was bewogen. Er moet dus een causaal verband bestaan tussen de uitgeoefende dwang en het aangaan van de schuldbekentenis. Uit het feit dat er causaal verband moet bestaan tussen de bedreiging en het sluiten van de overeenkomst, vloeit voort dat de – door de bedreiging opgewekte – vrees moet bestaan bij het aangaan van de overeenkomst. Niet alleen wanneer de bedreiging de contractant zelf betreft, maar ook indien zij jegens derden (bijvoorbeeld zijn echtgenoot, een bloedverwant, een pleegkind) is gericht, waardoor de contractant als redelijk oordelend mens is beïnvloed, geeft deze grond tot vernietiging van de overeenkomst. Het Hof gaat veronderstellenderwijs ervan uit dat [Naam 1] vertegenwoordiger was van [Appellant] en dat artikel 3:44 lid 5 BW (bedreiging van de zijde van iemand die geen partij bij de rechtshandeling is) niet van toepassing is.

3.4

In de stellingen van [Geïntimeerde] ligt besloten dat de bedreiging met enig misdrijf tegen een persoon een ongeoorloofd karakter heeft. [Geïntimeerde] heeft nagelaten te onderbouwen wat de bedreigingen inhielden. Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat dit bedreigingen waren op grond waarvan vernietiging van de schuldbekentenis kan worden gevraagd, dan geldt dat [Geïntimeerde] heeft verklaard: “[Naam 1] kwam onverwacht bij ons langs. Mijn man lag in de hangmat in de achtertuin. Ik was bijna 52 jaar getrouwd met mijn man. We hebben er achteraf ruzie om gekregen. Mijn man zei dat hij wel moest tekenen. Hij zou me vertellen wat er gebeurd was. [Naam 3] werd met zijn leven bedreigd, ze zouden hem van kant maken. [Naam 3] was zijn lievelingszoon. De dag zelf hebben we meteen de schuldbekentenis getekend. (…) mijn man heeft als eerste getekend, in de hangmat, en ik heb meteen daarna getekend. Op de vraag hoelang [Naam 1] voor het tekenen bij ons was, antwoord ik ongeveer een half uur. Op de vraag of mijn man in de tussentijd (toen [Naam 1] bij ons was) een telefoontje heeft gepleegd antwoord ik nee.” Uit deze verklaring blijkt dat de bedreigingen (om [Naam 3] van het leven te beroven) niet naar [Geïntimeerde] zelf, maar naar haar wijlen echtgenoot zijn geuit dan wel naar hun zoon [Naam 3], en dat [Geïntimeerde] van deze bedreigingen eerst achteraf – dus na ondertekening van de schuldbekentenis – daarvan op de hoogte is gebracht. Getuige [Naam 2] heeft in dat verband verklaard: “Mijn advies aan mijn oom was laat [Naam 3] zijn eigen boontjes doppen. Mijn oom deed veel voor het restaurant: ook alle inkoop en zo. [Naam 3} werkte zelf niet veel. Maar mijn oom zei: het is nu anders. En hij vroeg of ik hem NAf 50.000 zou kunnen en willen lenen. Ik zei dat ik dat niet kon. Ik wist dat het met [Naam 3] te maken had en ik wilde geen geld stoppen in het restaurant. Maar mij oom zei het is anders nu het gaat niet om geld voor het restaurant maar vanwege een bedreigend telefoontje van die spaans sprekende man. Ze hadden hem om een betaling van NAf 50.000 gevraagd.” Gelet op het feit dat het een “hear say” verklaring is en omdat de verklaring alleen iets zegt over de bedreiging aan het adres van wijlen haar echtgenoot dan wel hun zoon, is deze verklaring alleen onvoldoende om te concluderen dat [Geïntimeerde] door bedreiging is bewogen tot het ondertekenen van de schuldbekentenis. Dat haar echtgenoot [Geïntimeerde] indringend heeft verzocht tot ondertekening van de schuldbekentenis over te gaan, zonder vermelding van reden en met de mededeling dat uitleg na afloop van de ondertekening zou volgen levert niet een rechtens relevante vernietigingsgrond in de zin van artikel 3:44 lid 2 BW op, te meer nu [Naam 1], die naast [Geïntimeerde] en haar echtgenoot, als enige bij de ondertekening van de schuldbekentenis aanwezig was, heeft verklaard: “Ik weet niets van de bedreiging van [Naam3]. De afspraken die waren gemaakt hadden niets met [Naam 3] te maken. Alleen met de heer en mevrouw [naam Geïntimeerde]. Mevrouw [ naam Geïntimeerde] had 100% van de aandelen.” [Naam 1] heeft dus noch de bedreiging van wijlen echtgenoot [naam Geïntimeerde] of [Naam 3], noch die (indirect) van [Geïntimeerde] zelf bevestigd.

3.5 [

Naam 1] heeft tijdens het getuigenverhoor een kopie van de akte aandelenoverdracht laten zien en bij conclusie na enquête heeft [Geïntimeerde] als productie A een “onderhandse akte van overdracht van volgestorte aandelen” overgelegd. Uit deze akte blijkt dat [Geïntimeerde] 100% aandeelhouder van het restaurant was, dat zij op 6 februari 2017 25% van de aandelen aan [Appellant] heeft verkocht en dat, anders dan eerder door het Hof is aangenomen in rov 3.5 van het tussenvonnis, [Appellant] deze aandelen ook geleverd heeft gekregen middels de voormelde akte. In de akte wordt van een reeds aan verkoper voldane koopsom van NAf 50.000,00 gesproken. Deze akte is mede ondertekend door [Geïntimeerde], in de hoedanigheid van directeur van Chazz B.V., exploitant van restaurant ’t Achtertuintje aan de [adres], en door [Naam 3], in de hoedanigheid van procuratiehouder van Chazz B.V. [Naam 1] heeft verklaard: “De overdracht van de aandelen vond plaats in februari 2017. In september/oktober 2017 kwam [Appellant] naar me toe. Hij zei dat het niet goed ging. En dat er afspraken gemaakt moesten worden voor de terugbetaling van de koopsom. Hij wilde dat mevrouw [Geïntimeerde] (directeur) en haar man de schuldbekentenis zouden tekenen over de aflossing van een lager bedrag. Op 7 november 2017 had ik een persoonlijk gesprek met [Appellant] en de heer en mevrouw [naam Geïntimeerde]. Er is op dat moment overeengekomen dat de heer en mevrouw [naam Geïntimeerde] NAf 500,- per maand zouden aflossen op de koopsom (…) Ik heb de schuldbekentenis opgesteld naar aanleiding van de bijeenkomst op 7 november 2017. Na de 7e heb ik een paar keer gebeld naar [Geïntimeerde] en gevraagd wanneer ik langs kon komen. Telefonisch hebben we afgesproken dat ik op de 16e in de ochtend zou langs komen voor de ondertekening van de schuldbekentenis. En dat is ook gebeurd. De man heeft eerst ondertekend en vlak daarna de vrouw.” Dat [Geïntimeerde] de schuldbekentenis heeft ondertekend zou gezien het voorgaande ook kunnen zijn ingegeven doordat de 25% aandelen die [Geïntimeerde] aan [Appellant] had overgedragen door de sluiting van het restaurant – niet lang na de aandelenoverdracht – niets meer waard waren geworden. Aanknopingspunten daarvoor zijn dat niet [Naam 3] (die volgens zijn zeggen (Productie 2 bij memorie van antwoord) in het jaar 2015/2016 25% van de aandelen in zijn restaurant ’t Achtertuintje aan [Appellant] had verkocht voor een bedrag van om en nabij $30.000,00 tegen 25% van de winst) maar [Geïntimeerde] 100% aandeelhouder was alsmede de hiervoor geciteerde verklaring van [Naam 1] dat, omdat het niet goed ging (naar het Hof begrijpt: met de betaling door het restaurant ’t Achtertuintje van de overeengekomen bedragen), met de [Geïntimeerde]’s was overeengekomen dat de koopsom ad NAf 50.000,00 aan [Appellant] zou worden terugbetaald middels aflossing van NAf 500,00 per maand, dat de schuldbekentenis ook daadwerkelijk is aanvaard voor een bedrag van NAf 50.000,00 en dat daarin staat dat het verschuldigde bedrag zal worden afgelost in maandelijkse termijnen van NAf 500,00.

3.6

Op grond van het vorenoverwogene kan het Hof niet uitsluiten dat de schuldbekentenis is aangegaan en ondertekend om andere redenen dan die van bedreiging. Kortom voor de stelling van [Geïntimeerde] dat sprake is geweest van een handelwijze waardoor ‘men iemand vrees inboezemt ten gevolge waarvan hij wordt bewogen een bepaalde overeenkomst aan te gaan’ kan onvoldoende steun worden gevonden in de bewijsmiddelen. [Geïntimeerde] kan evenmin worden gevolgd in haar stelling dat wel sprake moet zijn geweest van bedreiging omdat mensen van de leeftijd van [Geïntimeerde] en haar man nooit een dergelijke schuldbekentenis zouden aangaan. Ook van de bij conclusie na enquête gestelde dwaling en bedrog is niet gebleken.

3.7

Nu in de schuldbekentenis onder punt 6 hoofdelijke aansprakelijkheid is overeengekomen, dient [Geïntimeerde] het volledige bedrag aan [Appellant] te betalen. Nu niet in geschil is dat [Geïntimeerde] haar aflossingsverplichting niet is nagekomen, is thans de gehele hoofdsom opeisbaar en zal [Geïntimeerde] tot betaling daarvan worden veroordeeld.

3.8

Niet ter discussie staat dat in punt 7 van de schuldbekentenis is opgenomen: “De debiteuren verklaren dat de crediteur hun bij niet behoorlijke nakoming van zijn/haar aflossingen buitenrechtelijke incassokosten in rekening mag brengen tot een bedrag gelijk aan 15% (vijftien procent) van de hoofdsom”. Ingevolge het Liquidatietarief zullen (overeengekomen en niet overeengekomen) buitengerechtelijke incassokosten, indien voldoende gesteld en gebleken is dat daadwerkelijk en in redelijkheid buitengerechtelijke incassokosten zijn gemaakt (dus kosten waarvoor de proceskosten niet reeds een vergoeding plegen in te sluiten, zie artikel 67a Rv), worden toegewezen naar rato van 1½ punt van het liquidatietarief voor bodemzaken in eerste aanleg, tenzij bij het inleidend verzoekschrift ten genoegen van de recht wordt aangetoond waarom een zodanige begroting niet op haar plaats is. Nu van dit laatste geen sprake is en voldoende gesteld en gebleken is van buitengerechtelijke incassokosten, zal voornoemde 1½ punt worden toegewezen.

3.9 [

Geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

veroordeelt [Geïntimeerde] tot betaling aan [Appellant] van een bedrag van NAf 50.000,00;

veroordeelt [Geïntimeerde] tot betaling aan [Appellant] van een bedrag van NAf 2.250,00 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten;

veroordeelt [Geïntimeerde] in de proceskosten in eerste aanleg, aan de zijde van [Appellant] begroot op een bedrag van NAf 659,82 (griffierechten en betekeningskosten), NAf 625,00 (beslagkosten) en NAf 4.500,00 aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

veroordeelt [Geïntimeerde] in de proceskosten in hoger beroep, aan de zijde van [Appellant] begroot op een bedrag van NAf 1.728,50 (griffierechten en betekeningskosten) en NAf 10.000,00 aan salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mrs. M.W. Scholte, Th.G. Lautenbach en J. de Boer leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 12 januari 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.