Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2021:138

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
22-07-2021
Zaaknummer
CUR2020H00429
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verzoek tussentijds appel toegewezen

formele relatie: CUR201802333

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2021

Registratienummers: CUR201802333-CUR2020H00429

Uitspraak: 4 mei 2021

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

BESCHIKKING

als bedoeld in artikel 263a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)

tevens

VONNIS

in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te Curaçao,

in eerste aanleg eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

thans appellante althans verzoekster,

gemachtigden: mrs. A.C. van Hoof en L.S. Davelaar,

tegen

[GEȈNTIMEERDE],

wonende te Curaçao,

in eerste aanleg gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

thans geïntimeerde althans verweerder,

gemachtigde: mr. M.R. Hammoud.

De partijen zullen hierna [Appellant] en [Geïntimeerde] worden genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Voor de procesgang in eerste aanleg en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) wordt verwezen naar het vonnis van 30 november 2020 in de zaak met nummer CUR201802333 (hierna: het vonnis van 30 november 2020).

1.2 [

Appellant] heeft een akte van appel tevens houdende memorie van grieven althans verzoek om toestemming voor tussentijds appel (hierna: memorie althans verzoek) ingediend, die ter griffie van het Gerecht is ingekomen op 14 december 2020. [Appellant] concludeert, in de randnummers 4.1 en 4.2 daarvan, als volgt:

“4.1 [Appellant] verzoekt uw Hof (primair) om […] het tussenvonnis van 30 november 2020 […] te vernietigen en opnieuw rechtdoende te oordelen dat het Gerecht een nieuw tussenvonnis moet wijzen waarin geoordeeld wordt dat:

1. het MCB investment plan niet ter zijde kan worden geschoven en [Geïntimeerde] informatie moet overleggen van de vermogensbestanddelen die in het plan zijn opgenomen;

2. [Geïntimeerde] bewijsstukken moet overleggen van het vermogen dat hij op de peildatum aanwezig had in het buitenland;

3. De peildatum op 26 juni 2015 vastgesteld moet worden;

4. Het bewijsbeslag dat [Appellant] onder Infocus N.V. gelegd heeft niet is vervallen;

5. [Geïntimeerde] in de proceskosten moet worden veroordeeld.

4.2 [

Appellant] verzoekt uw Hof (subsidiair) om haar toe te staan om tussentijds appel in te stellen tegen het tussenvonnis van het Gerecht van 30 november 2020 […].”

1.3

Op de rol van 9 maart 2021 hebben de gemachtigden van beide partijen hun pleitnota’s ingediend.

1.4

Vonnis en beschikking zijn bepaald op heden.

2 De feiten

2.1

Het Hof gaat uit van de volgende feiten.

2.2.

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest onder huwelijkse voorwaarden. Deze huwelijkse voorwaarden houden in – samengevat en voor zover voor de beoordeling in appel van belang – uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen met een periodiek verrekenbeding ten aanzien van overgespaard inkomen, een en ander als in de huwelijkse voorwaarden bepaald.

2.3

Tijdens hun huwelijk hebben partijen niet aan de (periodieke) verrekenplicht op grond van de huwelijkse voorwaarden voldaan.

3 De beoordeling

3.1

In het vonnis van 30 november 2020 heeft het Gerecht de zaak naar de rol verwezen voor akten zijdens beide partijen gelijktijdig ten einde zich uit te laten omtrent de in dat vonnis vermelde rechtsoverwegingen, onder bepaling dat partijen daarna mogen reageren op de door de ander genomen akte, met aanhouding van iedere verdere beslissing.

3.2

Het vonnis van 30 november 2020 is een tussenvonnis en geen deelvonnis. Daarin is immers niet aan de procedure ten aanzien van enig deel van het gevorderde een einde gemaakt door een beslissing in het dictum. Voor zover in de rechtsoverwegingen in het lichaam van het vonnis beslissingen zijn genomen, zijn dat bindende eindbeslissingen waaraan de rechter, uitzonderingen daargelaten, in beginsel aan gebonden is in zijn eindvonnis. Daarom mag, ingevolge artikel 263 lid 1 Rv, van het vonnis van 30 november 2020 slechts hoger beroep worden ingesteld tegelijk met het hoger beroep van het eindvonnis, behoudens in het geval daartoe door het Hof vergunning is verleend (artikel 263a Rv).

3.3

Op grond van het voorgaande kan [Appellant] niet in haar hoger beroep worden ontvangen. Zij zal daarom in haar primaire verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard.

3.4

In het licht van hetgeen [Appellant] aan haar verzoek ten grondslag legt, vereist naar het oordeel van het Hof een snelle en doelmatige rechtsgang dat afzonderlijk tussentijds hoger beroep kan worden ingesteld van het vonnis.

3.5

Het subsidiaire verzoek is dan ook toewijsbaar, zodat [Appellant] op grond van het bepaalde in artikel 263a Rv wordt vergund tussentijds hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van 30 november 2020 van het Gerecht. [Appellant] is dan ook ontvankelijk in het bij haar akte van 14 december 2020 ingestelde hoger beroep.

3.6

De akte van appel althans het verzoek van [Appellant] is tevens een memorie van grieven, waarbij grieven geformuleerd zijn tegen het bestreden vonnis. [Geïntimeerde] heeft geen memorie van antwoord genomen en is ook in zijn pleitnota niet op die grieven ingegaan. Daarom zal het Hof de zaak verwijzen naar de na te noemen rol voor memorie van antwoord aan de zijde van [Geïntimeerde].

3.7

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 De beslissing

Het Hof:

verleent [Appellant] vergunning tussentijds hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van 30 november 2020 van het Gerecht;

verklaart [Appellant] ontvankelijk in haar hoger beroep;

verwijst de zaak naar de rol van 29 juni 2021 voor memorie van antwoord aan de zijde van [Geïntimeerde];

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Th.G. Lautenbach, O. Nijhuis en A.S. Arnold, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 4 mei 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.