Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2021:130

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
11-05-2021
Datum publicatie
20-07-2021
Zaaknummer
AUA2020H001109 en AUA2019H00110
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ontslag op staande voet wegens klachten van ondergeschikte vrouwelijke collega’s omtrent seksueel getint en opgepast gedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2021

Registratienummers: AUA201904136-AUA2020H00109 en AUA2020H00110

Uitspraak: 11 mei 2021

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

BESCHIKKING

in de zaak met nummer AUA2020H00109 van:

de naamloze vennootschap CALABAS HOTELS N.V., h.o.d.n. Riu Palace Aruba,

gevestigd te Aruba,

in eerste aanleg verweerster, thans appellante,

gemachtigde: mr. V.C. Perše,

tegen

[Geïntimeerde],

wonende te Aruba,

in eerste aanleg verzoeker, thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. D.G. Kock,

en de zaak met nummer AUA2020H00110 van:

[Appellant],

wonende te Aruba,

in eerste aanleg verzoeker, thans appellant,

gemachtigde: mr. D.G. Kock,

tegen

de naamloze vennootschap CALABAS HOTELS N.V., h.o.d.n. Riu Palace Aruba,

gevestigd te Aruba,

in eerste aanleg verweerster, thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. V.C. Perše,

De partijen zullen hierna Riu en [Geïntimeerde in 109 en Appellant in 110] worden genoemd.

1 Het verloop van de procedure

in beide zaken

1.1

Voor de procesgang in eerste aanleg en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) wordt verwezen naar de beschikking van 9 juni 2020 in de zaak met nummer AUA201904136 (hierna: de bestreden beschikking).

voorts in de zaak met nummer AUA2020H00109

1.2

Bij akte van hoger beroep van 20 juli 2020, ingekomen op 21 juli 2020, is Riu in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Nu sprake is van een EJ-procedure zal de akte van appel worden aangemerkt als het beroepschrift.

In haar “Gronden van Hoger Beroep” van 18 augustus 2020 heeft Riu de gronden van haar beroep geformuleerd en geconcludeerd dat het Hof, uitvoerbaar bij voorraad, het hoger beroep gegrond zal verklaren, de bestreden beschikking zal vernietigen en de vordering van [Geïntimeerde in 109 en Appellant in 110] in eerste aanleg alsnog zal afwijzen, met veroordeling van [Geïntimeerde in 109 en Appellant in 110] in de kosten van beide instanties. Het Hof ziet, mede nu geïntimeerde tegen dit processtuk geen bezwaar heeft gemaakt, geen aanleiding om deze buiten beschouwing te laten.

1.3

Van [Geïntimeerde in 109 en Appellant in 110] is geen verweerschrift ontvangen.

voorts in de zaak met nummer AUA2020H00110

1.4

Bij beroepschrift van, en ingediend op, 21 juli 2020 is [Geïntimeerde in 109 en Appellant in 110] in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Daarin heeft hij tevens zijn verzoek veranderd in die zin dat aanvullend een verzoek om cessantia wordt gedaan en concludeert hij dat het Hof zijn beperkt beroep gegrond zal verklaren, de bestreden beschikking gedeeltelijk zal vernietigen en opnieuw rechtdoende zijn vordering als in prima ingesteld zo te lezen dat deze bedraagt Afl. 20.871,- wegens onregelmatige opzegging en Afl. 21.740,65 wegens cessantia en dat het Hof deze vorderingen zal toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het ontslag, met veroordeling van Riu in de kosten in beide instanties, alles uitvoerbaar bij voorraad.

1.5

Riu heeft zich in haar verweerschrift tegen de vordering in hoger beroep verweerd en geconcludeerd dat het Hof het beroep van [Geïntimeerde in 109 en Appellant in 110] ongegrond zal verklaren, de bestreden beschikking zal vernietigen en de vordering van [Geïntimeerde in 109 en Appellant in 110] in eerste aanleg alsnog zal afwijzen, met veroordeling van [Geïntimeerde in 109 en Appellant in 110] in de kosten van beide instanties.

voorts in beide zaken

1.6

Op 22 februari 2021 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij bevond het Hof zich in het gerechtsgebouw te Curaçao en bevonden partijen en hun gemachtigden zich in het gerechtsgebouw te Aruba. Verschenen zijn [Geïntimeerde in 109 en Appellant in 110], [Naam 1], HR director bij Riu, alsmede de gemachtigden van beide partijen. De gemachtigden hebben het woord gevoerd, mr. Perše aan de hand van een pleitnota die zij tijdens de mondelinge behandeling aan mr. Kock heeft overhandigd en na afloop daarvan aan het Hof heeft toegestuurd. De aanwezigen hebben tevens vragen van het Hof beantwoord.

1.7

Beschikking is gevraagd en bepaald op heden.

2 De feiten

in beide zaken

2.1

In hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

2.2

Riu exploiteert het Riu Palace Aruba Hotel, gelegen te Palm Beach, Auba.

2.3 [

Geïntimeerde in 109 en Appellant in 110] is in september 2007 krachtens een daartoe tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst in loondienst van Riu getreden, laatstelijk in de functie van Sous Chef tegen een maandloon van Afl. 3.478,50.

2.4

Op 28 juni 2019 is de General Manager van Riu door de Executive Chef van Riu op de hoogte gesteld dat hij klachten had ontvangen over seksuele intimidatie door [Geïntimeerde in 109 en Appellant in 110] van een aantal vrouwelijke collega’s van [Geïntimeerde in 109 en Appellant in 110].

2.5

Riu heeft [Geïntimeerde in 109 en Appellant in 110] per 28 juni 2019 in verband met onderzoek naar die klachten geschorst met behoud van loon.

2.6

Riu heeft [Geïntimeerde in 109 en Appellant in 110] op 10 juli 2019 op staande voet ontslagen omdat [Geïntimeerde in 109 en Appellant in 110] zich blijkens de aan [Geïntimeerde in 109 en Appellant in 110] uitgereikte ontslagbrief van die datum schuldig zou hebben gemaakt aan seksuele intimidatie van verschillende vrouwelijke aan hem ondergeschikte werknemers van Riu.

2.7 [

Geïntimeerde in 109 en Appellant in 110] heeft berust in het ontslag, maar stelt dat het ontslag onregelmatig is, zodat hij aanspraak heeft op een vergoeding.

3 De beoordeling

in beide zaken

3.1

In zijn inleidend verzoekschrift heeft [Geïntimeerde in 109 en Appellant in 110] verzocht Riu te veroordelen om op grond van kennelijk onredelijk ontslag aan [Geïntimeerde in 109 en Appellant in 110] een door het Gerecht naar billijkheid vast te stellen vergoeding alsmede de wettelijke schadeloosstelling te betalen, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente, met veroordeling van Riu in de kosten van het geding.

3.2

Bij de bestreden beschikking heeft het Gerecht Riu veroordeeld aan [Geïntimeerde in 109 en Appellant in 110] te betalen Afl. 10.435,50 bruto uit hoofde van het niet in acht nemen van de wettelijke opzegtermijn van in dit geval 3 maanden, te vermeerderen met wettelijke rente gerekend vanaf 10 juli 2019 tot aan de dag der algehele voldoening, deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd aldus dat ieder van hen de eigen kosten draagt en het meer of anders door [Geïntimeerde in 109 en Appellant in 110] verzochte afgewezen.

3.3

Het Hof dient eerst te onderzoeken of het [Geïntimeerde in 109 en Appellant in 110] gegeven ontslag op staande voet standhoudt. Daarvan hangt immers af of [Geïntimeerde in 109 en Appellant in 110] aanspraak heeft op enige vergoeding.

3.4

De vereisten voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet zijn (i) een dringende reden, (ii) op grond waarvan de werkgever onverwijld heeft ontslagen, (iii) onder gelijktijdige mededeling van die reden.

3.5

Als dringende reden heeft Riu aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd ongepast gedrag en seksuele intimidatie van verschillende vrouwelijke aan hem ondergeschikte collega’s.

3.6

Ter onderbouwing van het bestaan van die dringende reden heeft Riu drie ondertekende schriftelijke verklaringen van werkneemsters van haar in het geding gebracht alsmede een brief van 10 juli 2019 van de Federacion di Trahadornan di Aruba (FTA) aan Riu.

3.7

Die verklaringen luiden als volgt:

* de verklaring van 2 juli 2019 van [Naam 2] (verweerschrift in eerste aanleg, prod. 2):

“Dari cada vez que pasaba me tocaba o me rozaba con su cuerpo muchas veces dijo delante de la gente “el quiere estar conmigo”

Me cambió de chiringo por dejar a dos muchachas que dicen el tenia algo con ellas.

Le pedí mis vacaciones y me dijo que sí me las daba, pero que yo tenía que llamar para salir con el.

Le dijo a Alex del sindicato que yo salía mucho afuera y mandó a gloria a que me controlara cuando no ha sido verdad. Yo sí fumo pero al terminar mi trabajo. Llegó incluso a enviarme mensajas al Whatsapp con besos y propuestas y le dije que no lo hiciera porque me metería en problemas.

Incluso llego a decir que le gustaba una niña de contrata y que le hablara para ayudarle y lo dijo delante de más personas”

* de verklaring van 2 juli 2019 van [Naam 3] (verweerschrift in eerste aanleg, prod. 2):

“Si ami twt kier un dia off mi a bay puntra [Geintimeerde in 109 en Appellant in 110] pami hata un dia off ela puntra mi si nos por topa e dia ey. Ami bisa mino por, mi tin cos pa hasi e dia ey anto e dia a yega e no aduna mi off so mi bay puntra pakiko ela bisa mi bo no por topa cumi.

Algun biaha ela topami den cooler y mishi cumi i 2 biaha ela duna mi sunchi pero ami no kier ma bisa mi no kier. Mi no ta sinta mi mes bon cu esei. I ma pushe y Sali nunca ela app (whatsapp) mi casi Semper personal.”

* de verklaring van 9 juli 2019 van [Naam 4] (prod. 2 bij de gronden van het hoger beroep van Riu):

“Ami cu [Geïntimeerde in 109 en Appellant in 110] Tawata papaiando riba whatsapp ela yega di puntra mi pa un potret,

pero un potret normal.

Pero ela coi potret mustra tur hende den kushina. Cuno mester hasele

Ami como [Naam 4] a firma carta aki

Riba un diamars, saludos”

3.8

Bij genoemde brief van 10 juli 2019 heeft de FTA aan Riu bericht dat zij eind juni is benaderd door een aantal werkneemsters van Riu. FTA schrijft dat gevoelens van onveiligheid en onzekerheid heersen onder werkneemsters van Riu die bezorgd en angstig zijn in verband met gedragingen van hun leidinggevende, [Geïntimeerde in 109 en Appellant in 110]. [Naam 2] die in die brief wordt genoemd, zou tegenover FTA hebben verklaard dat [Geïntimeerde in 109 en Appellant in 110] erop aandringt met haar een seksuele relatie te hebben en dat zij dit niet wil. Zij zou tegenover FTA hebben aangegeven dat deze situatie voor haar niet langer houdbaar was.

3.9

De FTA heeft, gelet op het grote aantal klachten, besloten om de zaak niet verder te onderzoeken maar om de zaak in handen van Riu te leggen. De FTA gaf verder aan dat onder veel vrouwelijke werkneemsters van Riu een gevoel van onzekerheid heerste als gevolg van de gedragingen van [Geïntimeerde in 109 en Appellant in 110], aldus Riu.

3.10 [

Geïntimeerde in 109 en Appellant in 110] betwist dat hij zich aan de hem verweten gedragingen heeft schuldig gemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft hij desgevraagd geen verklaring kunnen geven voor het feit dat de drie werkneemsters van Riu hun hiervoor geciteerde verklaringen hebben opgesteld en evenmin voor de brief van 10 juli 2019 van de FTA aan Riu. Hij heeft slechts verklaard dat de klachten door de werkneemsters zijn verzonnen in de week dat hij wegens zijn schorsing vanaf 28 juni 2019 afwezig was en dat wat men over hem zegt niet waar is en dat het niet gebeurd is. [Geïntimeerde in 109 en Appellant in 110] had wel telefonisch contact met de werkneemsters maar dat ging via de telefoon van het werk en niet via whatsapp.

3.11 [

Geïntimeerde in 109 en Appellant in 110] is op 28 juni 2019 geschorst vanwege klachten van vrouwelijke collega’s over zijn gedrag, dat seksueel getint en ongepast zou zijn. De klachten waren ingediend bij de shopsteward van de vakbond. Het is dan ook niet zo dat de klachten pas zijn geformuleerd in de periode van de schorsing zoals [Geïntimeerde in 109 en Appellant in 110] stelt. Daarbij geldt dat het opvallend is dat de klachten niet van één collega komen maar van meerdere collega’s. Ook verschilt de inhoud van de klachten aanzienlijk waardoor zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, geen aanleiding bestaat om aan de authenticiteit daarvan te twijfelen. Dat hij niet zou communiceren met zijn ondergeschikten via whatsapp acht het Hof in de huidige tijd niet aannemelijk. Tegenover het vorenstaande had het voor de hand gelegen dat [Geïntimeerde in 109 en Appellant in 110] zijn stelling dat sprake is van opzet en afstemming nader te onderbouwen. Nu dat is nagelaten, heeft het Hof geen reden te veronderstellen dat die verklaringen en die brief niet op waarheid zouden berusten. Gezien die verklaringen en brief staat naar het oordeel van het Hof vast dat [Geïntimeerde in 109 en Appellant in 110] zich als leidinggevende aan ongepast gedrag in de vorm van seksuele intimidatie van vrouwelijke ondergeschikten heeft schuldig gemaakt.

3.12

Volgens artikel 7A:1615p lid 1 Burgerlijk Wetboek van Aruba (BWA) worden voor de werkgever als dringende redenen beschouwd “zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de arbeider, die ten gevolge hebben, dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan gevergd worden de dienstbetrekking te laten voortduren.”

3.13

Bij de beoordeling of van een dringende reden in de zin van artikel 7A:1615p lid 1 BWA sprake is, moeten de omstandigheden van het geval in onderling verband en samenhang in aanmerking worden genomen en behoren daarbij in de eerste plaats in de beschouwing te worden betrokken de aard en de ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt, en verder onder meer de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer de dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt, tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is.

(Hoge Raad 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2806)

3.14

Het aan [Geïntimeerde in 109 en Appellant in 110] verweten gedrag kwalificeert naar het oordeel van het Hof naar zijn aard als hoogst ernstig en verwijtbaar. Dat gedrag heeft immers tot gevolg dat werkneemsters van Riu niet in een veilige werkomgeving hun werkzaamheden kunnen verrichten, omdat zij het risico lopen geconfronteerd te worden met seksuele intimidatie door een collega, die tevens hun leidinggevende is. [Geïntimeerde in 109 en Appellant in 110] heeft de verplichting zich van dergelijke gedragingen te onthouden en omgekeerd rust op Riu als goed werkgeefster de verplichting om haar werkneemsters die veilige werkomgeving te bieden. Zeker als leidinggevende had [Geïntimeerde in 109 en Appellant in 110] moeten inzien dat zijn gedrag, en dan bij uitstek binnen de werkverhouding met ondergeschikten van hem, niet passend was.

Daartegenover leggen het feit dat Riu over [Geïntimeerde in 109 en Appellant in 110] niet eerder soortgelijke klachten heeft ontvangen alsmede het feit dat het ontslag op staande voet zonder twijfel ernstige gevolgen heeft voor [Geïntimeerde in 109 en Appellant in 110], onvoldoende gewicht in de schaal om anders te oordelen dan dat sprake is van een dringende reden in de zin van artikel 7A:1615p lid 1 BWA.

3.15

Door [Geïntimeerde in 109 en Appellant in 110] gelijk nadat Riu van beschuldigingen aan zijn adres op de hoogte was geraakt op 28 juni 2019 te schorsen teneinde onderzoek te doen naar de beschuldigingen aan het adres van [Geïntimeerde in 109 en Appellant in 110] heeft Riu als een zorgvuldig werkgever gehandeld. Dat vervolgens onderzoek heeft plaatsgevonden blijkt uit de respectieve verklaringen van [Naam 2] en [Naam 3], die beide dateren van 2 juli 2019, de verklaring van [Naam 4], die dateert van 9 juli 2019 en de brief van FTA, die dateert van 10 juli 2019. Door [Geïntimeerde in 109 en Appellant in 110], na - zo stelt Riu – ook nog juridische advies te hebben ingewonnen, op 10 juli 2019 te ontslaan, heeft Riu voldoende voortvarend gehandeld.

3.16

Riu heeft daarom het ontslag op staande voet aan [Geïntimeerde in 109 en Appellant in 110] onverwijld gegeven.

3.17

In haar brief van 10 juli 2019 heeft Riu de redenen voor het ontslag op staande voet aan [Geïntimeerde in 109 en Appellant in 110] voldoende duidelijk meegedeeld.

3.19

De conclusie van dit alles is dat het ontslag op staande voet overeenkomstig de daaraan door de wet gestelde eisen en daarmee rechtsgeldig is gegeven. Aan [Geïntimeerde in 109 en Appellant in 110] komt daarom generlei vergoeding ten laste van Riu toe.

3.20

Daaruit volgt dat het beroep van Riu (in de zaak met nummer AUA2020H00109) gegrond en dat van [Geïntimeerde in 109 en Appellant in 110] (in de zaak met nummer AUA2020H00110) ongegrond is.

3.21

Het bestreden vonnis zal worden vernietigd en de vorderingen van [Geïntimeerde in 109 en Appellant in 110] zullen alsnog worden afgewezen.

3.22 [

Geïntimeerde in 109 en Appellant in 110] zal worden veroordeeld in de kosten van dit geding in beide instanties, waarbij het Hof in hoger beroep in aanmerking zal nemen dat de beide zaken in elkaars verlengde liggen. Genoemde kosten worden in eerste aanleg begroot op Afl. 2.500,- aan salaris gemachtigde (2 punten, tarief 5) en in hoger beroep in beide zaken tezamen begroot op Afl. 4.000,- aan salaris gemachtigde (2 punten, tarief 5) en Afl. 900,- aan griffierechten.

4 De beslissing

Het Hof:

in beide zaken

vernietigt de bestreden beschikking van 9 juni 2020 van het Gerecht en opnieuw rechtdoende:

- wijst het verzoek van [Geïntimeerde in 109 en Appellant in 110] af;

- veroordeelt [Geïntimeerde in 109 en Appellant in 110] in de kosten van dit geding in eerste aanleg, gevallen aan de zijde van Riu en tot heden begroot op Afl 2.500,- aan salaris gemachtigde;

- veroordeelt [Geïntimeerde in 109 en Appellant in 110] in de kosten van deze gedingen in hoger beroep, gevallen aan de zijde van Riu en tot heden begroot op Afl. 4.000,- aan salaris gemachtigde en een bedrag van Afl 900,- aan griffierechten;

Deze beschikking is gegeven door mrs. O. Nijhuis, E.A. Saleh en M.W. Scholte, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 11 mei 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.