Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2021:128

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
11-06-2021
Datum publicatie
20-07-2021
Zaaknummer
SXM2020H00030
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

kinderalimentatie – geen draagkracht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2021 Vonnis no.:

Registratienummers: SXM201900432- SXM2020H00030

Uitspraak: 11 juni 2021

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

B E S C H I K K I N G

in de zaak van:

[Appellant],

wonende in Sint Maarten,

in eerste aanleg verweerder, thans appellant,

hierna: de man,

gemachtigde: mr. P.A.M. Brandon,

tegen

[Geintimeerde],

wonende in Sint Maarten,

in eerste aanleg verzoekster, thans geïntimeerde,

hierna: de vrouw,

procederend in persoon.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Voor het procesverloop in eerste aanleg wordt verwezen naar de tussen partijen gegeven, en op 9 september 2019 en 13 januari 2020 uitgesproken beschikkingen van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: het Gerecht).

1.2

Van de laatstgenoemde beschikking is de man in hoger beroep gekomen met een op 24 februari 2020 ingekomen beroepschrift met producties, waarin hij het Hof verzoekt hem toe te staan kosteloos te procederen, de bestreden beschikking te vernietigen en de alimentatieverzoeken van de vrouw af te wijzen.

1.3

Op de zitting te Sint Maarten van 9 januari 2021 is de zaak mondeling behandeld, waarbij een van de drie Hofrechters via een videoverbinding vanuit Curaçao aan de behandeling heeft deelgenomen. Ook de vrouw belde in via een videoverbinding. In Sint Maarten waren aanwezig de gemachtigde van de man en – vanaf een half uur na aanvang van de zitting – ook de man zelf. Nadat partijen en de gemachtigde de zaak hadden toegelicht en vragen van het Hof hadden beantwoord, is de zaak verwezen naar de rol van 28 februari 2021 voor het nemen van een akte door beide partijen.

1.4

Op 26 maart 2021 heeft de man een akte genomen. De vrouw heeft dat niet gedaan en tegen haar is akte niet dienen verleend.

1.5

Vervolgens is beschikking bepaald op vandaag.

2. De beoordeling

2.1

Partijen, gehuwd op 27 juli 2015, zijn de ouders van de minderjarige [kind], geboren op [datum] 2017.

2.2

Bij beschikking van 9 september 2019 heeft het Gerecht de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, bepaald dat het gemeenschappelijk ouderlijk gezag over de minderjarige in stand blijft en verdeling van de huwelijksgoederen-gemeenschap bevolen, en daarbij enkele andere voorzieningen getroffen, onder meer met betrekking tot een door de man gewenste DNA-test ter vaststelling van zijn vaderschap.

2.3

Bij nadere beschikking van 13 januari 2020 heeft het Gerecht de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vrouw bepaald, een omgangsregeling vastgesteld (de man kan iedere zaterdag de minderjarige bij het huis van de vrouw bezoeken) en een maandelijkse bijdragen de kosten van levensonderhoud van de minderjarige.

2.4

Het appel van de man richt zich tegen de beslissing inzake de kinderalimentatie. Het wordt als volgt beoordeeld.

2.5

Dat de man meer verdient dan volgt uit zijn salarisstroken - te weten NAf 1.379,16 netto per maand - is niet gebleken en zijn relevante maandlasten – waaronder een huur van US$ 500,- en verplichtingen ad NAf 297,- uit hoofde van een lening bij Island Finance - heeft de vrouw niet of onvoldoende betwist. Daarmee houdt de man maandelijks zo goed als niets (NAf 2,59) over om van te leven, naast de levensmiddelen die hij van zijn werkgever ontvangt. Een manier om zijn besteedbare inkomen te verhogen, zoals ter zitting besproken, is niet gevonden, zo verklaart de gemachtigde van de man in de onder 1.4 genoemde akte.

2.6

De conclusie moet dan zijn dat de man op dit moment geen draagkracht heeft om in het levensonderhoud van de minderjarige bij te dragen.

2.7

Naar het Hof uit de verklaringen van de vrouw begrijpt, is zij met haar familie in staat voor de minderjarige te zorgen. Het gaat haar er vooral om dat de man zich om zijn kind bekommert: met aandacht, (kleine) cadeautjes en waar mogelijk met financiële steun. Zij heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om bij akte nader inzicht te geven in de voor de minderjarige te maken kosten, zoals de maandelijkse schoolbijdrage.

2.8

Bj die stand van zaken zal het verzoek met betrekking tot de vaststelling van kinderalimentatie alsnog worden afgewezen.

2.9

De man heeft toegezegd dat hij zodra zijn financiële situatie is verbeterd

- wanneer de Island Finance lening is afgelost en/of hij een loonsverhoging heeft weten te krijgen - zoveel mogelijk aan het levensonderhoud van de minderjarige zal bijdragen. Indien hij zich niet aan die toezegging houdt, zal de vrouw opnieuw om rechterlijke vaststelling van kinderalimentatie naar de wettelijke maatstaven kunnen verzoeken.

2.10

De bestreden beschikking zal gedeeltelijk worden vernietigd om het alimentatieverzoek van de vrouw alsnog af te wijzen. De kosten van het appel zullen tussen de partijen als gewezen echtelieden en ouders van de minderjarige worden gecompenseerd en de man zal - gelet op het door hem overgelegde bewijs van onvermogen van 10 februari 2020 - admissie worden verleend om in hoger beroep kosteloos te procederen.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

verleent de man admissie om in hoger beroep kosteloos te procederen;

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover daarbij een door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de minderjarige is bepaald en doet, die beschikking voor het overige bekrachtigend, opnieuw recht:

wijst het alimentatieverzoek van de vrouw alsnog af;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. F.W.J. Meijer, M.W. Scholte en O. Nijhuis, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten uitgesproken op 11 juni 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.