Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2021:115

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
11-06-2021
Zaaknummer
CUR2019H00064
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen hoger beroep mogelijk tegen verstekvonnis waarbij terecht verstek is verleend. Evenmin conversie naar verzet. In casu geen uitzondering op de hoofdregel dat niet-ontvankelijkheid principaal appel de niet-ontvankelijkheid in incident appel meebrengt.

formele relatie: CUR201802302

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN

ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN

BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

V O N N I S

in de zaak van:

[Appellant],

wonend in Curaçao,

in eerste aanleg gedaagde,

thans appellant in het principaal appel, geïntimeerde in het incidenteel appel,

procederend in persoon,

- tegen –

1. Geïntimeerde 1],

2. [ Geïntimeerde 2],

beiden wonend in Nederland,

3. de besloten vennootschap naar Nederlands recht SPAARNE VASTGOED B.V.,

gevestigd in Nederland,

in eerste aanleg eisers,

thans geïntimeerden in het principaal appel, appellanten in het incidenteel appel,

gemachtigde: mr. L.F. Herben.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als [Appellant] en [Geïntimeerde c.s].

1 Verloop van de procedure

1.1

Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en gevorderd, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht), wordt verwezen naar het tussen partijen gewezen vonnis van 10 december 2018.

1.2 [

[Appellant] is in hoger beroep gekomen van dat vonnis door indiening op 5 maart 2019 van een daartoe kennelijk strekkende akte, getiteld “akte van appel” ter griffie van het Gerecht. Bij op 16 april 2019 ingediend “beroepschrift”, door het Hof opgevat als memorie van grieven, heeft [Appellant] grieven aangevoerd, deze toegelicht en – naar het Hof begrijpt – geconcludeerd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en de vordering alsnog zal afwijzen.

1.3

Bij memorie van antwoord tevens houdende akte incidenteel appel en memorie van grieven in het incidenteel appel, ingediend 22 oktober 2019, hebben [Geïntimeerde c.s.] de grieven van [Appellant] bestreden, zelf incidenteel hoger beroep ingesteld en hun eis vermeerderd. Zij hebben geconcludeerd dat het Hof het bestreden vonnis zal vernietigen – naar het Hof begrijpt – voor zover hun vordering is afgewezen en hun vermeerderde vordering zal toewijzen, alsmede zal toewijzen de (integrale) incassokosten ad € 16.500,-, met veroordeling van [Appellant] in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

1.4 [

[Appellant] heeft geen memorie van antwoord in het incidenteel appel ingediend.

1.5

Op de digitale rolzitting van 17 november 2020 hebben partijen schriftelijke pleitnota’s overgelegd, [Appellant] met producties.

1.6

Door een misverstand ter griffie is, ondanks dat bij de pleitnota van [Geïntimeerde c.s.] geen producties waren gevoegd, de zaak naar de rol verwezen voor akte uitlating producties aan de kant van beide partijen.

1.7

Op de digitale rolzitting van 15 december 2020 hebben [Geïntimeerde c.s.] een akte
uitlating producties genomen en heeft [Appellant] nogmaals een pleitnota overgelegd.

1.8

Vonnis is nader bepaald op vandaag.

2 Ontvankelijkheid

2.1 [

Appellant] was in eerste aanleg gedaagde. Uit het vonnis waarvan beroep blijkt dat [Appellant] in eerste aanleg niet is verschenen en dat verstek tegen hem is verleend.

2.2

In een bij het inleidend verzoekschrift gevoegd uittreksel uit de basisadministratie persoonsgegevens van 21 april 2018 staat als adres van [Appellant] vermeld: [Adres]. Blijkens de akte van betekening van 2 oktober 2018 zijn de oproeping om ter terechtzitting van het Gerecht te verschijnen en het inleidend verzoekschrift op dat adres in een gesloten envelop achtergelaten. In een e-mail van 15 augustus 2019 van [Appellant] aan de Hofadministratie noemt hij zelf [adres] als zijnde zijn adres. In hoger beroep heeft [Appellant] voorts niet te kennen gegeven dat hij voordien of tussentijds elders heeft gewoond. Uit het voorgaande leidt het Hof af dat door het Gerecht aan [Appellant] terecht verstek is verleend.

2.3

Ingevolge artikel 84 Rv in samenhang met artikel 262 Rv heeft [Appellant] tegen het vonnis waarvan beroep slechts het rechtsmiddel van verzet kunnen instellen en niet dat van hoger beroep.

2.4

Volgens vaste rechtspraak is voor omzetting van rechtsmiddelen geen plaats. Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die ertoe noodzaken voor dit geval een uitzondering te aanvaarden.

2.5

Hieruit volgt dat [Appellant] niet kan worden ontvangen in zijn hoger beroep en hij daarin dus niet-ontvankelijk verklaard zal worden.

2.6 [

Geïntimeerde c.s.] kunnen niet in hun incidenteel appel worden ontvangen. Het incidenteel appel is immers ingesteld (ruim) na het verstrijken van de appeltermijn en voor een uitzondering op de regel dat de niet-ontvankelijkheid van het principaal appel de niet-ontvankelijkheid van het incidenteel appel meebrengt, ziet het Hof geen aanleiding. Dit geldt te meer omdat [Geïntimeerde c.s.], (mede) nu zij worden bijgestaan door een advocaat, hadden kunnen en moeten begrijpen dat [Appellant] in zijn appel tegen het verstekvonnis niet-ontvankelijk zou zijn (vgl. HR 19 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0880, NJ 1993, 351).

2.7

De slotsom luidt dat partijen niet-ontvankelijk zullen worden verklaard in hun hoger beroepen. [Appellant] zal in het principaal appel worden veroordeeld in de kosten van [Geïntimeerde c.s]., vanwege de eenvoud van de zaak tot op heden begroot op NAf 2.000,- (1 punt x tarief 5) aan gemachtigdensalaris. [Geïntimeerde c.s.] zullen in het incidenteel appel worden veroordeeld in de kosten van [Appellant], die, nu [Appellant] in persoon procedeert, tot op heden worden begroot op nihil.

BESLISSING

Het Hof:

- verklaart de hoger beroepen van partijen niet-ontvankelijk;

- veroordeelt [Appellant] in de kosten van [Geïntimeerde c.s.], tot op heden begroot op NAf 2.000,- aan gemachtigdensalaris;

- veroordeelt [Geïntimeerde c.s.] in de kosten van [Appellant], tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mrs. E.M. van der Bunt, M.W. Scholte en O. Nijhuis, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 4 mei 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.