Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2020:97

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
10-03-2020
Datum publicatie
06-05-2020
Zaaknummer
AUA2019H00016
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering inschrijving schijnhuwelijk in bevolkingsregister. Verslag van gehoor opgemaakt op ambtseed/-belofte

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

AUA2019H00016

Datum uitspraak: 10 maart 2020

gemeenschappelijk hof van jusTitie

van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

1. Naam] en

2. [ Naam], beiden wonend in Aruba,

appellanten,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 10 december 2018 in zaak nr. AUA201800702, in het geding tussen:

appellanten

en

het hoofd van de dienst Burgerlijke Stand en Bevolkingsregister (hierna: de DBSB).

Procesverloop

Bij beschikking van 28 juli 2017 heeft het hoofd van de DBSB het verzoek van appellanten om hun op 23 december 2016 in Venezuela gesloten huwelijk in te schrijven in het bevolkingsregister afgewezen.

Bij beschikking van 5 januari 2018 heeft het hoofd van de DBSB het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 december 2018 heeft het Gerecht het door appellanten daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten hoger beroep ingesteld.

Het hoofd van de DBSB heeft een verweerschrift ingediend.

Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 november 2019, waar appellanten, bijgestaan/vertegenwoordigd door mr. D.G. Kock, advocaat, en het hoofd van de DBSB, vertegenwoordigd door A. Els, werkzaam bij de DBSB, zijn verschenen.

Overwegingen

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Landsverordening op het aanleggen en bijhouden van het bevolkingsregister, worden de voorschriften omtrent het aanleggen, inrichten en bijhouden van bevolkingsregisters en het doen der daartoe vereiste opgaven aan hen, die met het aanhouden der bevolkingsregisters zijn belast, bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen vastgesteld.
Ingevolge artikel 22, negende lid, van het krachtens voormelde bepaling vastgestelde Landsbesluit bevolkingsregister wordt een gegeven omtrent een persoon niet ingeschreven, indien het hoofd van het DBSB van oordeel is dat dat gegeven in strijd is met de goede zeden of de openbare orde.

Het hoofd van de DBSB heeft zich op het standpunt gesteld dat het huwelijk van appellanten niet is gericht op de vervulling van de door de wet aan de huwelijkse staat verbonden verplichtingen, maar dit tot doel heeft appellante sub 2 toelating te verschaffen in Aruba en inschrijving van een zogenoemd schijnhuwelijk in strijd is met de openbare orde en goede zeden. Appellanten is op 2 maart 2017 een interview afgenomen. Daarbij zijn door appellanten niet met elkaar overeenkomende verklaringen afgelegd over de plaats van hun eerste ontmoeting, de huwelijksvoltrekking en de familierelaties. Zo heeft appellant sub 1 over hun eerste ontmoeting gezegd dat zij elkaar bij de zee hebben ontmoet, terwijl appellante sub 2 heeft gezegd dat zij elkaar bij het appartement van appellant sub 1 hebben ontmoet. Voorts heeft appellant sub 1 bij de vraag over hun huwelijksvoltrekking gezegd dat alleen de ouders van appellante sub 2 en twee vrienden bij het huwelijk aanwezig waren en appellante sub 2 heeft gezegd dat haar oudste zus, haar tantes, oom en neven aanwezig waren. Daarnaast heeft appellant sub 1 bij de vraag over familierelaties verklaard geen goede relatie te hebben met een neef van appellante sub 2, terwijl volgens appellante sub 2 de relatie met deze neef wel goed is. Naast het bovengenoemde zijn het leeftijdsverschil tussen appellanten en het feit dat appellante sub 2 geen verblijfstitel heeft, ook indicatoren geweest voor de conclusie dat het huwelijk een schijnhuwelijk is.

Het Gerecht heeft overwogen dat appellanten hebben aangevoerd dat de discrepantie tussen hun antwoorden onder andere te maken heeft met het feit dat het interview twee jaar na hun ontmoeting heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van het Gerecht is uit de stukken noch het verhandelde ter zitting gebleken van een afdoende verklaring voor de door appellanten afwijkende gegeven antwoorden. Het Gerecht is het dan ook met het hoofd DBSB eens dat de vragen waarop appellanten een niet-eensluidend antwoord hebben gegeven de conclusie kunnen rechtvaardigen dat sprake is van een schijnhuwelijk. Dat deze onderzoeksresultaten niet voldoende objectief zijn, kan naar het oordeel van het Gerecht niet worden staande gehouden. Dat het door het hoofd DBSB verrichte onderzoek onzorgvuldig is uitgevoerd, is het Gerecht evenmin gebleken.

Appellanten betogen dat het interview niet is genotuleerd of opgenomen en er dus geen wijze van controle bestaat om de op papier gezette uitlatingen/antwoorden van appellanten te controleren en dit in strijd is met de in acht te nemen zorgvuldigheid.

4.1.

Dit betoog faalt. Dat het verslag van het interview van appellanten een samenvattende weergave daarvan is, laat onverlet dat dit verslag op ambtseed/-belofte door de ambtenaar van de Burgerlijke Stand is opgesteld. Het hoofd van de DBSB mag daarom uitgaan van de juistheid van hetgeen door hem is vastgelegd in dat verslag. Een latere ontkenning van de inhoud van de verklaring heeft dan ook weinig betekenis, tenzij er specifieke omstandigheden zijn aangevoerd waarom niet van de juistheid van de eerder afgelegde verklaring mag worden uitgegaan. In dit geval zijn dergelijke specifieke omstandigheden niet aangevoerd. Anders dan appellanten is het Hof van oordeel dat de geconstateerde discrepanties in de verklaringen weldegelijk relevant zijn. Het gaat hierbij om een belangrijke gebeurtenis (een huwelijk) waarvan mag worden verwacht dat de huwelijkspartners hierover ook twee jaar na dato nagenoeg gelijkluidende verklaringen moeten kunnen afleggen. De slotsom is dat het Gerecht terecht heeft overwogen dat het hoofd van de DBSB, in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat het huwelijk tussen betrokkenen een schijnhuwelijk is.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Saleh, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, griffier.

w.g. Saleh

voorzitter

w.g. Beerse

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2020