Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2020:94

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
19-03-2020
Datum publicatie
06-05-2020
Zaaknummer
500.00167/18 H-54/19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernietiging, in hoger beroep verkrachting wel bewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer : H-54/19

Parketnummer : 500.00167/18

Uitspraak : 19 maart 2020 Verstek

Vonnis

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht), van 21 december 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats]

Hoger beroep

Het Gerecht heeft de verdachte ter zake van het ten laste gelegde vrijgesproken. De benadeelde partij [benadeelde partij] is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade niet ontvankelijk verklaard.

Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal,

mr. M.L.A. Angela. Tegen de niet-verschenen verdachte is verstek verleend.

De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en aan de verdachte ter zake van het ten laste gelegde een gevangenisstraf zal opleggen van zesendertig maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk. Tevens is gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] integraal zal worden toegewezen.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het Hof tot andere beslissingen komt.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 11 mei 2018 te Curacao door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [benadeelde partij] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die (mede) bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij], hebbende hij, verdachte, zijn vingers en/of zijn penis in de vagina van die [benadeelde partij] gebracht en/of geduwd en/of gehouden,

en welk geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of welke bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin heeft/hebben bestaan dat hij, verdachte,

- het dijbeen van die [benadeelde partij] is begonnen te betasten en/of

- die [benadeelde partij] stevig bij haar (rechter)arm heeft vastgepakt en/of die [benadeelde partij] op het bed geduwd en/of op die [benadeelde partij] is gaan liggen en/of terwijl hij verdachte op die [benadeelde partij] lag, heeft hij die de vagina van die [benadeelde partij] betast en/of de broek van die [benadeelde partij] uitgetrokken en/of de panty van die [benadeelde partij] verschoven en/of

- met zijn hand op de mond van die [benadeelde partij] heeft gedrukt /gehouden en/of (aldus) door verdachte fysiek overwicht voor die [benadeelde partij] een weerloze en/of bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

en/of

hij op of omstreeks 11 mei 2018 to Curacao, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [benadeelde partij] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het betasten van de vagina en/of lichaam van die [benadeelde partij] en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit:

- het die [benadeelde partij] stevig bij de arm vastpakken en/of die [benadeeldepartij] met kracht kracht op bed duwen en/of met verdachtes, forse lijf op die [benadeelde partij] gaan liggen en/of het uittrekken van de broek van die [benadeelde partij] en/of de panty van die [benadeelde partij] opzij trekken en/of met verdachtes, hand de mond van die [benadeelde partij] bedekken en/of verdachtes penis tegen de vagina van die [benadeelde partij] aan houden/duwen.

Bewezenverklaring

Het Hof acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 11 mei 2018 te Curacao door geweld en (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [benadeelde partij] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die (mede) bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij], hebbende hij, verdachte, zijn vingers en/of zijn penis in de vagina van die [benadeelde partij] gebracht en/of gehouden,

en welk geweld en die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of welke bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin heeft/hebben bestaan dat hij, verdachte,

- het dijbeen van die [benadeelde partij] is begonnen te betasten en/of

- die [benadeelde partij] stevig bij haar (rechter)arm heeft vastgepakt en/of die [benadeelde partij] op het bed geduwd en/of op die [benadeelde partij] is gaan liggen en/of terwijl hij verdachte op die [benadeelde partij] lag, heeft hij die de vagina van die [benadeelde partij] betast en/of de broek van die [benadeelde partij] uitgetrokken en/of de panty van die [benadeelde partij] verschoven en/of

door verdachte’s fysiek overwicht voor die [benadeelde partij] een weerloze /of situatie heeft doen ontstaan;

en/of

hij op of omstreeks 11 mei 2018 to te Curacao, door geweld en een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [benadeelde partij] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het betasten van de vagina en/of het lichaam van die [benadeelde partij] en bestaande dat geweld en die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit:

- het die [benadeelde partij] stevig bij de arm vastpakken en/of die M. S.

Dorand met kracht kracht op bed duwen en/of met verdachtes, forse lijf op die

[benadeelde partij] gaan liggen en/of het uittrekken van de broek van die [benadeelde partij] en/of de panty van die [benadeelde partij] opzij trekken en/of verdachtes penis tegen de vagina van die [benadeelde partij] aan houden/duwen.

Het Hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd; omwille van de leesbaarheid zijn ook wijzigingen aangebracht in de bewezenverklaring (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit vonnis beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het Hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het vonnis. Deze aanvulling zal vervolgens aan het vonnis worden gehecht.

Bewijsoverwegingen

Op grond van de verklaringen van aangeefster [benadeelde partij] en van de verdachte stelt het Hof vast dat aangeefster en de verdachte op 11 mei 2018, in de hotelkamer van de verdachte, seksueel contact met elkaar hebben gehad, waarbij sprake was van het betasten en penetreren van de vagina van aangeefster door de verdachte. De verdachte heeft vanaf zijn aanhouding verklaard dat alle seksuele handelingen met wederzijdse instemming hebben plaatsgevonden. Aangeefster verklaart echter dat al deze handelingen tegen haar wil zijn geschied, hetgeen volgens het openbaar ministerie de strafbare feiten verkrachting en/of aanranding van de eerbaarheid oplevert.

Bij de tenlastegelegde feiten zijn uitsluitend aangeefster en de verdachte aanwezig geweest. Het Hof ziet zich dan ook voor de vraag gesteld of het dossier voldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om tot een bewezenverklaring van de strafbare feiten te komen. Gelet op de ontkenning van de verdachte, dient er volgens vaste jurisprudentie sprake te zijn van steunbewijs voor de verklaring van aangeefster. Dit steunbewijs mag in beginsel niet uit dezelfde bron afkomstig zijn, in die zin dat de verklaring van een getuige die uitsluitend herhaalt wat aangeefster heeft verteld, onvoldoende is om als steunbewijs te dienen. Indien het gaat om de eigen waarneming van een getuige, bijvoorbeeld met betrekking tot de gemoedstoestand van het slachtoffer kort na het incident, is er mogelijk wel sprake van voldoende steunbewijs.

Het Hof overweegt ten aanzien van het bewijs als volgt. Het Hof acht de verklaringen van aangeefster, anders dan het Gerecht, voldoende betrouwbaar. Aangeefster heeft consistent en gedetailleerd verklaard over het tijdstip en de reden van het door haar betreden van verdachte’s hotelkamer, de gesprekken voorafgaand aan de seksuele handelingen, de aard van de seksuele handelingen, de duur van het contact en hetgeen is voorgevallen na de seksuele handelingen. Dat aangeefster onzeker is over de precieze positionering van ledematen en kleding tijdens het kortdurende seksuele contact, doet hieraan niet in die mate af, dat dit haar verklaring onvoldoende betrouwbaar maakt.

Naar het oordeel van het Hof vinden de verklaringen van aangeefster steun in de verklaring van drie getuigen, te weten haar collega [getuige 1], haar supervisor [getuige 2] en de General Manager van het hotel, [getuige 3]. Zij hebben verklaard dat zij, kort nadat de seksuele handelingen volgens aangeefster hadden plaatsgevonden, hebben waargenomen dat aangeefster bibberde, huilde en rode ogen had. Naar het oordeel van het Hof volgt uit hun verklaringen dat aangeefster tegen ieder van hen consistent en gedetailleerd heeft verklaard omtrent hetgeen was gebeurd.

De verklaringen van aangeefster, dat de seksuele handelingen tegen haar zin plaatsvonden, vinden naar het oordeel van het Hof ook steun in de verklaring van de verdachte dat aangeefster direct na het seksueel contact aan hem heeft gevraagd “waarom hij het heeft gedaan” en hem heeft gezegd dat “hij niet weet wie zij is” waardoor hij zich bedreigd voelde. Aangeefster heeft verklaard dat zij na de seks tegen de verdachte heeft gezegd dat zij “op hem zal zeggen”, hetgeen het Hof interpreteert als dat zij aan anderen zal gaan vertellen wat de verdachte met haar heeft gedaan. Deze gang van zaken strookt naar het oordeel van het Hof niet met de bewering van de verdachte dat het seksuele contact met instemming van beide partijen plaatsvond.

Op grond van het voorhanden bewijs, in onderlinge samenhang bezien, komt het Hof met éénparigheid van stemmen tot het oordeel dat er sprake is van wettig en overtuigend bewijs voor bewezenverklaring in hoger beroep van de feiten waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken.

Kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

verkrachting

en

feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Oplegging van straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het Hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedragingen aan de verdachte te verwijten zijn en op de persoon van de verdachte, zoals één en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Het Hof heeft voorts rekening gehouden met de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft aangeefster met gebruikmaking van geweld en fysiek overwicht gedwongen tot het tegen haar wil ondergaan van handelingen die mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van haar lichaam. Hij heeft aangeefster, die als schoonmaakster werkzaam was in het hotel waar de verdachte als gast verbleef, zijn hotelkamer binnengeroepen, haar daar op het bed getrokken, en vervolgens betast en verkracht.

Het Hof neemt het de verdachte kwalijk dat hij slechts uit was op zijn eigen behoeftebevrediging en dat hij geen oog heeft gehad voor de gevoelens en de belangen van aangeefster. Hij heeft met zijn handelen de lichamelijke en geestelijke integriteit van aangeefster ernstig geschonden. Naar de ervaring leert, ondervinden slachtoffers van verkrachting en aanranding gedurende langere tijd nadelige gevolgen van wat hen is aangedaan. Het handelen van de verdachte heeft diep ingegrepen in het privé- en werkleven van aangeefster, en zij is nog steeds onder behandeling van een psycholoog voor posttraumatische stress stoornis.

Naar het oordeel van het Hof kan, gelet op de ernst van het bewezen verklaarde en gelet op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Alles afwegende, ziet het Hof geen aanleiding om een deel van de op te leggen vrijheidsstraf voorwaardelijk op te leggen, zoals door de procureur-generaal is gevorderd. Het Hof is van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van nader te melden duur passend en geboden is. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.

Schadevergoeding

De benadeelde partij, [benadeelde partij], heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot immateriele schadevergoeding. Ter terechtzitting in eerste aanleg is de aangeefster in deze vordering niet-ontvankelijk verklaard. Het Hof komt, anders dan het Gerecht, tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde. Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van het Hof gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van NAf 15.825,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 mei 2018. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het Hof ziet aanleiding daarbij een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 1:78 van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte op te leggen.

De proceskosten van de benadeelde partij zullen ten laste van de verdachte worden gebracht. Tot op heden zijn die proceskosten vastgesteld op nihil.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:62, 1:78, 1:136, 2:197 en 2:201 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het Hof:

vernietigt het vonnis van het Gerecht en doet opnieuw recht;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten lastegelegde feiten heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de zesendertig maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij] geleden schade toe tot een bedrag aan immateriele schade van NAf 15.825,00,- (zegge: vijftienduizend achthonderdvijfentwintig gulden), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 mei 2018 tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte, die hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van NAf 15.825,00,- (zegge: vijftienduizend achthonderdvijfentwintig gulden), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 158 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 mei 2018 tot aan de dag van de voldoening;

Dit vonnis is gewezen door mrs. D. Radder, S.A. Carmelia en H.G. Eskes, leden van het Hof, bijgestaan door mr. B.G. Scheepbouwer, (zittings)griffier, en vervolgens op 19 maart 2020 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao.

uitspraakgriffier: