Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2020:86

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
21-04-2020
Datum publicatie
30-04-2020
Zaaknummer
AUA2019H00001, AUA2019H00017 en AUA2019H00018
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan belanghebbende zijn voor de onderhavige jaren aangiftebiljetten winstbelasting uitgereikt. Met dagtekening 31 augustus 2011 is een aanslag winstbelasting voor het jaar 2007 opgelegd. Belanghebbende betwist de aanslag winstbelasting en de boetebeschikking voor het jaar 2007 te hebben ontvangen, althans op of omstreeks de datum van de dagtekening van 31

augustus 2011. Het Hof acht het aannemelijk dat belanghebbende uiterlijk op 9 oktober 2017 via de rekeninginformatie bekend is geraakt met de aanslag winstbelasting en de boetebeschikking voor het jaar 2007. Vervolgens heeft belanghebbende op 15 november 2017 een bezwaarschrift tegen de genoemde aanslag en boetebeschikking ingediend. Gerekend vanaf 9 oktober 2017 heeft belanghebbende pas na ruim 5 weken bezwaar gemaakt. Naar het oordeel van het Hof is dit te laat en is belanghebbende voor het jaar 2007 terecht niet-ontvankelijk in haar bezwaar geacht. De Inspecteur heeft het indiende bezwaar tegen de aanslagen winstbelasting en de daarop betrekking hebbende boetebeschikkingen voor de jaren 2007 en 2008 terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het door belanghebbende tegen de uitspraak van het Gerecht ingestelde hoger beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

AUA2019H00001, AUA2019H00017 en AUA2019H00018

Datum uitspraak: 21 april 2020

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

[Belanghebbende],

gevestigd te Aruba,

belanghebbende,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) van 28 november 2018 in de zaak BBZ nr. AUA201801344 tot en met AUA201801346 in het geding tussen:

belanghebbende,

en

De Inspecteur der belastingen,

zetelend te Aruba,

de Inspecteur,

betreffende de hierna te vermelden aanslagen en verzuimboetes.

1 Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende zijn met dagtekening 31 augustus 2011 voor de jaren 2006 en 2007 aanslagen winstbelasting opgelegd van respectievelijk Afl. 17.500 en Afl. 19.800, alsmede, gelijktijdig, verzuimboetes van respectievelijk Afl. 500 (2006) en Afl. 980 (2007).

Met dagtekening 31 mei 2012 is voor het jaar 2008 een aanslag winstbelasting opgelegd van Afl. 22.540, alsmede, gelijktijdig, een verzuimboete van Afl. 1.127.

1.2.

Belanghebbende heeft op 15 november 2017 bezwaar gemaakt tegen de aanslagen en de boetebeschikkingen voor de jaren 2006, 2007 en 2008.

1.3.

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 29 januari 2018 (2006) en 19 maart 2018 (2007 en 2008) de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.

1.4.

Belanghebbende is op 18 mei 2018 in beroep gekomen tegen de uitspraken op bezwaar. Hierbij is een bedrag aan griffierecht betaald van Afl. 150.

1.5.

Het Gerecht heeft het beroep inzake de aanslag winstbelasting en de boete voor het jaar 2006 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep inzake de aanslagen winstbelasting 2006 en 2007 en de boetebeschikkingen over die respectievelijke jaren ongegrond verklaard.

1.6.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende op 31 december 2018 hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van Afl. 300

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.7.

De zitting heeft plaatsgehad op 26 november 2019 te Oranjestad.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbendes gemachtigden, [A] en [B], alsmede, namens de Inspecteur [C].

1.8.

Aan het einde van de zitting heeft het Hof het onderzoek gesloten.

2 Feiten

Het Gerecht heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt:

2.1

Aan belanghebbende zijn voor de onderhavige jaren aangiftebiljetten winstbelasting uitgereikt. Aan belanghebbende is voor alle jaren tweemaal uitstel verleend voor de indiening van de aangiften.

2.2

Omdat de aangiftebiljetten niet zijn ingediend heeft de Inspecteur aan belanghebbende voor elk jaar een aanmaning gestuurd. Met betrekking tot het jaar 2006 is daarbij aan belanghebbende verzocht om uiterlijk op 14 april 2009 aangifte te doen. Met betrekking tot de jaren 2007 en 2008 is aan belanghebbende verzocht om uiterlijk op 14 juli 2009 (2007) en 17 januari 2011 (2008) aangifte te doen.

2.3

Belanghebbende heeft ook na de aanmaningen geen aangifte gedaan. De Inspecteur heeft hierna ambtshalve aanslagen opgelegd. Op 15 november 2017 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de aanslagen en de boetes. Op 9 juli 2018 zijn voor de onderhavige jaren aangiften ingediend naar een inkomen van nihil.

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Tussen partijen is in geschil of belanghebbende ontvankelijk is in haar bezwaar tegen de aanslagen winstbelasting 2007 en 2008 en de gelijktijdig opgelegde verzuimboetes.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende het hoger beroep tegen de uitspraak van het Gerecht betreffende de aanslag winstbelasting 2006 en de gelijktijdig opgelegde verzuimboete laten varen, omdat zij bij nader inzien van mening is dat zij voor het jaar 2006 te laat beroep bij het Gerecht geeft ingesteld. Het Hof zal de uitspraak van het Gerecht op dit punt bevestigen.

3.3.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, alsmede op hetgeen zij ter zitting hebben bijgebracht.

3.4.

Belanghebbende concludeert tot ontvankelijkheid van het bezwaar voor de jaren 2007 en 2008, vernietiging van de uitspraak van het Gerecht en de uitspraken op bezwaar en terugwijzing naar de Inspecteur.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van het Gerecht.

4 Het oordeel van het Gerecht

Het Gerecht heeft, voor zover van belang, het volgende overwogen:

Ontvankelijkheid bezwaar (2007 en 2008)

4.3

In artikel 17, eerste lid van de ALB is geregeld dat degene die bezwaar heeft tegen een hem opgelegde belastingaanslag, binnen twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet een gemotiveerd bezwaarschrift kan indienen bij de Inspecteur.

4.4

De aanslagen en boetebeschikkingen voor de jaren 2007 en 2008 hebben als dagtekening 31 augustus 2011 (2007) en 31 mei 2012 (2008). Belanghebbende heeft daartegen op 15 november 2017, dus te laat, bezwaar gemaakt. Ingevolge het vijfde lid van artikel 17 ALB blijft niet ontvankelijkheidsverklaring op grond van termijnoverschrijding achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het bezwaar in verzuim is geweest. Dat belanghebbende niet in staat was de wettelijke termijn in acht te nemen is gesteld noch gebleken. Het Gerecht acht de termijnoverschrijding daarom niet verschoonbaar. De Inspecteur heeft de bezwaren terecht niet-ontvankelijk verklaard.

4.5

Gelet op het voorgaande komt het Gerecht aan de inhoudelijke beoordeling van de zaken niet toe.

5 Gronden

Ontvankelijkheid bezwaar 2007

5.1.

De aanslag winstbelasting en de verzuimboete voor het jaar 2007 zijn opgelegd met dagtekening 31 augustus 2011. De daartegen gerichte bezwaren dateren van 15 november 2017. Met inachtneming van artikel 17, lid 1, van de ALB, dat bepaalt dat degene die bezwaar heeft tegen een aan hem opgelegde belastingaanslag binnen twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet een bezwaarschrift kan indienen bij de Inspecteur, stelt het Hof vast dat belanghebbende te laat bezwaar heeft gemaakt.

5.2.

Belanghebbende betwist de aanslag winstbelasting en de boetebeschikking voor het jaar 2007 te hebben ontvangen, althans op of omstreeks de datum van de dagtekening van 31 augustus 2011. Blijkens Hoge Raad 5 juli 2019, ECLI:NL;HR:2019:1102 ligt in die stelling van belanghebbende besloten de betwisting van de verzending van het besluit, hetgeen betekent dat de Inspecteur aannemelijk dient te maken dat de aanslag winstbelasting en de boetebeschikking voor het jaar 2007 op de voorgeschreven wijze bekend zijn gemaakt. Zulks kan de inspecteur doen door bijvoorbeeld een administratie over te leggen waaruit blijkt dat en op welke datum het stuk is verzonden (vgl. HR 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1176).

5.3.

In zijn verweerschrift in hoger beroep, p. 3 en 4, heeft de Inspecteur in meer algemene zin beschreven op welke wijze de verzending van aanslagen plaatsvindt. Een administratie of overzicht betreffende de verzending en aanbieding ter post van de aanslag winstbelasting en de gelijktijdig opgelegde verzuimboete voor het jaar 2007 betreffende belanghebbende is evenwel niet gegeven. Ook overigens heeft de Inspecteur geen bewijs aangaande de verzending aangeleverd. Daarmee heeft de Inspecteur niet het vereiste bewijs voor de voorgeschreven bekendmaking geleverd. Daaraan doet niet af hetgeen de Inspecteur heeft aangevoerd betreffende de onaannemelijkheid van de stelling van belanghebbende, dat hij de aanslag winstbelasting en de gelijktijdig opgelegde boetebeschikking voor het jaar 2007 niet heeft ontvangen.

5.4.

In onderdeel 7 van het hoger beroepschrift heeft belanghebbende aangevoerd:

“Het Gerecht heeft geoordeeld dat er te laat bezwaar is gemaakt tegen de ligitieuze aanslagen. Dit komt mede doordat belanghebbende niet vertegenwoordigd was bij de zitting teneinde aldaar te kunnen toelichten dat zij nimmer enige aanslag had ontvangen en dus aanvankelijk ook geen bezwaar heeft kunnen maken. Zij is eerst in 2017 bekend geworden met de aanslagen (nadat er invorderingsmaatregelen waren getroffen; zie bijgevoegd rekeningenoverzicht: bijlage 13) en heeft daarop onmiddellijk alsnog bezwaar gemaakt. (….)”.

Bijlage 13 bij het hoger beroepschrift betreft een schrijven van de Belastingdienst aan belanghebbende aangaande zogeheten “Rekeninginformatie”. Op het formulier is een dagtekening vermeld van 9 oktober 2017 en een ‘Afdruk-tijdstip’ van 10:41:19. Op de Rekeninginformatie is vermeld:

“Conform uw verzoek is het volgende overzicht voor u gegenereerd”.

Vervolgens zijn aangaande belanghebbende belastingaanslagen, aanmaankosten, vervolgingskosten en rentekosten vermeld (7 pagina’s). Op pagina 5 (van 7) zijn de gegevens vermeld betreffende de aanslag winstbelasting en de boetebeschikking voor het jaar 2007. Ter zitting van het Hof heeft de Inspecteur onweersproken verklaard dat de Rekeninginformatie op 9 oktober 2017 bij de balie van de Belastingdienst door belanghebbende is opgehaald.

5.5.

Met inachtneming van het vermelde in 5.4 acht het Hof het aannemelijk dat belanghebbende uiterlijk op 9 oktober 2017 bekend is geraakt met de aanslag winstbelasting en de boetebeschikking voor het jaar 2007. Vervolgens heeft belanghebbende op 15 november 2017 een bezwaarschrift tegen de genoemde aanslag en boetebeschikking ingediend.

5.6.

Anders dan belanghebbende heeft aangevoerd in haar hoger beroepschrift (zie 5.4) heeft zij, na bekend te zijn geworden met de aanslag winstbelasting en de boetebeschikking voor het jaar 2007, niet ‘onmiddellijk alsnog bezwaar gemaakt’. Gerekend vanaf 9 oktober 2017 heeft belanghebbende pas na ruim 5 weken bezwaar gemaakt. Naar het oordeel van het Hof is dit te laat, en is belanghebbende dan ook in dit licht bezien terecht niet-ontvankelijk in haar bezwaar geacht. In een situatie als de onderhavige dient belanghebbende immers zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs kan worden verlangd een bezwaarschrift in te dienen. De Hoge Raad heeft in dit verband geoordeeld dat de termijn voor het ‘zo spoedig als mogelijk indienen’ afhangt van de omstandigheden van het geval, maar dat belanghebbende in elk geval een termijn van 14 dagen moet worden gegund (Hoge Raad 22 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0078). Gesteld noch gebleken is van omstandigheden die een (veel) ruimere termijn vergen dan de ten minste 14 dagen, zoals genoemd door de Hoge Raad in voornoemd arrest. Naar het oordeel van het Hof had belanghebbende in dit geval dan ook binnen een redelijk te achten termijn van 14 dagen, ten minste pro forma, bezwaar kunnen instellen.

5.7.

Belanghebbende heeft in haar hoger beroepschrift (onderdeel 7) verder aangevoerd dat belanghebbende niet beschikt over afschriften van aanslagen en zodoende niet kan controleren naar welk adres de aanslagen zijn gestuurd, of dat het juiste adres is en of de aanslagen feitelijk niet pas in 2017 zijn opgelegd.

5.8.

Blijkens bijlage 1 van het verweerschrift is de aanslag winstbelasting 2007 (en gelijktijdig de boetebeschikking 2007) gedagtekend op 31 augustus 2011. Het aanslagbiljet vermeldt als verzendadres [adres], het door belanghebbende zelf opgegeven adres.

Voor het antwoord op de vraag of de aanslag tijdig is opgelegd, is in beginsel niet de bekendmaking maar de vaststelling van de aanslag doorslaggevend. Zie in dit verband artikel 5, lid 1, tweede volzin van de ALB:

‘Als dagtekening van een belastingaanslag geldt de dagtekening van het aanslag biljet.’

Niets wijst erop dat de aanslag en de boetebeschikking door de Belastingdienst niet tijdig naar het juiste adres zijn gezonden. Uitgaande van de dagtekening en een verzending uiterlijk op de datum van de dagtekening van de aanslag/boetebeschikking zijn de aanslag en de boetebeschikking binnen de verjaringstermijn opgelegd. Het Hof wijst in dit verband op artikel 10, lid 4, van de ALB (tekst 2007), alwaar is bepaald dat de bevoegdheid tot het vaststellen van een aanslag vervalt door verloop van tien jaar na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. De verjaringstermijn eindigt derhalve pas op 31 december 2017.

5.9.

Gelet op voorgaande oordeelt het Hof voor het jaar 2007 dat belanghebbende terecht niet-ontvankelijk is verklaard in haar bezwaar tegen de aanslag winstbelasting 2007 en de daarbij opgelegde boetebeschikking.

Ontvankelijkheid bezwaar 2008

5.10.

De aanslag winstbelasting en de verzuimboete voor het jaar 2008 zijn opgelegd met dagtekening 31 mei 2012. Het daartegen gerichte bezwaar dateert van 15 november 2017. Met inachtneming van artikel 17, lid 1, van de ALB, dat bepaalt dat degene die bezwaar heeft tegen een aan hem opgelegde belastingaanslag binnen twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet een bezwaarschrift kan indienen bij de Inspecteur, stelt het Hof vast dat belanghebbende te laat bezwaar heeft gemaakt.

5.11.

Belanghebbende betwist de aanslag winstbelasting en de boetebeschikking voor het jaar 2008 te hebben ontvangen en stelt dat de aanslag en de boetebeschikking voor het jaar 2008 niet op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt.

5.12.

Naar het oordeel van het Hof zijn de aanslag winstbelasting en de boetebeschikking voor het jaar 2008 wel op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt. Tot de stukken van het geding, bijlage 5 van het verweerschrift in hoger beroep, behoort een akte van betekening gericht aan [belanghebbende], [adres]. Blijkens deze akte betreft het een openstaande som van Afl. 23.667, ter zake van de aanslag winstbelasting voor het jaar 2008, aanslagnummer 000230040189 en dagtekening 31 mei 2012. Middels deze akte heeft de deurwaarder op 18 mei 2017 om 11.10 uur een dwangschrift betekend aan belanghebbende. Omdat op genoemd adres niemand werd aangetroffen, heeft de deurwaarder op de akte aangekruist:

‘Heb ik, belastingdeurwaarder, aangezien aldaar de schuldenaar, noch een van zijn (haar) huisgenoten werd aangetroffen, afschrift van dit exploot en van het daarin vermelde dwangschrift, in een gesloten envelop achtergelaten conform artikel 2, lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van Aruba.’

De deurwaarder heeft de akte ondertekend.

5.13.

Middels deze akte van betekening en het achterlaten daarvan op het adres waar belanghebbende is gevestigd, acht het Hof de aanslag winstbelasting en de boetebeschikking voor het jaar 2008 aan belanghebbende op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt op 18 mei 2017. Het Hof hecht geloof aan hetgeen de deurwaarder heeft aangekruist en waarvoor hij heeft getekend.

Alle van belang zijnde gegevens zijn op de akte vermeld, zoals het middel van belastingheffing, het jaar van aanslag, het aanslagnummer, de dagtekening van de aanslag en het bedrag van de aanslag. Het bedrag van de aanslag van Afl. 23.667 bestaat uit de aanslag winstbelasting van Afl. 22.540, vermeerderd met de opgelegde verzuimboete van Afl. 1.127.

5.14.

Met inachtneming van het hiervoor overwogene en het feit dat pas bezwaar is gemaakt tegen de aanslag winstbelasting en de boetebeschikking voor het jaar 2008 op 15 november 2017, oordeelt het Hof dat belanghebbende ook voor het jaar 2008 terecht niet-ontvankelijk is verklaard in haar bezwaar tegen de aanslag winstbelasting en de opgelegde boetebeschikking.

Slotsom

5.15.

De Inspecteur heeft het indiende bezwaar tegen de aanslagen winstbelasting en de daarop betrekking hebbende boetebeschikkingen voor de jaren 2007 en 2008 terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het door belanghebbende tegen de uitspraak van het Gerecht ingestelde hoger beroep is ongegrond.

Griffierecht en proceskosten

5.16.

Gelet op het voorgaande acht het Hof geen termen aanwezig voor het vergoeden van het griffierecht aan belanghebbende dan wel voor een veroordeling van de Inspecteur in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het (hoger) beroep heeft moeten maken.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van het Gerecht.

Aldus gedaan door mrs. D. Haan, voorzitter, P.A.M. Pijnenburg en M.J. Leijdekker, leden, in tegenwoordigheid van N.N. Noël-van der Biezen BSc als griffier. De beslissing is op 21 april 2020 in het openbaar uitgesproken.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na dagtekening van het afschrift van de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Partijen hebben ook de mogelijkheid hun beroepschrift in te dienen bij de griffie van het Gerecht in Eerste aanleg dat de zaak in eerste aanleg heeft behandeld. De datum van binnenkomst bij de griffie van het lokale Gerecht in Eerste aanleg is in dat geval bepalend voor de vraag of het beroep tijdig is ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2 onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. waartegen u in beroep komt;

d. waarom u het daar niet mee eens bent (de gronden van het beroep).

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.