Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2020:84

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
21-04-2020
Datum publicatie
29-04-2020
Zaaknummer
AUA2019H00038
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Consumentenkrediet rente (APR van meer dan 27% per jaar in strijd met de goede zede en openbare orde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RF 2020/56
JOR 2020/209 met annotatie van Frielink, K.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2020 Vonnis no.:

Registratienummers: AUA201600860 – AUA2019H00038

Uitspraak: 21 april 2020

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

ISLAND FINANCE ARUBA N.V.,

gevestigd in Aruba,

oorspronkelijk eiseres,

thans appellante,

gemachtigden: mrs. M.E.D. Brown, A.E. Barrios en E.H.J. Martis,

tegen

[GEȈNTIMEERDE],

wonende in Aruba,

oorspronkelijk gedaagde,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. M.O. Lopez.

De partijen worden hierna IFA en [geïntimeerde] genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Bij akte van appel van 28 februari 2019 is IFA in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 30 januari 2019 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (verder: het Gerecht).

1.2

Bij op 10 april 2019 ingekomen memorie van grieven, met producties, heeft IFA grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht en haar eis gewijzigd. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en haar vorderingen integraal zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties.

1.3

Bij memorie van antwoord, met producties, heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden en bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van IFA in de proceskosten in hoger beroep.

1.4

Op de daarvoor bepaalde dag hebben partijen pleitnotities overgelegd.

1.5

Vonnis is gevraagd en nader bepaald op vandaag.

2 De beoordeling

2.1

In hoger beroep kan (mede gelet op de in appel niet bestreden oordelen van het Gerecht) worden uitgegaan van het volgende.

2.1.1

IFA is de Arubaanse vestiging van een onderneming die haar bedrijf maakt van het verstrekken van kredieten.

2.1.2

Partijen zijn op 3 februari 2012 een overeenkomst van verbruikleen (geldlening) overeengekomen. De overeenkomst vermeldt onder meer

1. Schuldenaar ontvangt ter leen van Island Finance Aruba N.V. een bedrag groot Afl. 14.999,27.

2. Schuldenaar dient terug te betalen dit bedrag vermeerderd met de overeengekomen rente als zo in totaal Afl. 27.920,40.

3. Schuldenaar verbindt zich dit totaal bedrag ad Afl. 27,920,40 terug te betalen aan Island Finance N.V. in totaal 60 maandelijkse termijnen elk groot Afl. 465,34 waarvan de eerste termijn vervalt op 04/17/2012 en de laatste op 03/17/2017. Het bedrag van de laatste termijn kan afwijken van de maandelijkse termijnen.

4. Effectieve rente 27,25% Nominale rente 27,25%.

5. Elke betaling wordt steeds geacht te zijn geschied ter voldoening van die termijn die het langste vervallen is.

6. Schuldenaar zal indien een vervallen termijn of een gedeelte daarvan niet wordt betaald binnen 15 dagen na vervaldatum van die afzonderlijke termijn over die termijn dan wel over het niet betaalde deel daarvan een eenmalige boeterente van 5% verschuldigd zijn aan Island Finance N.V.

7. Hoofdsom, rente, boeterente en al wat Island Finance N.V. verder terzake te vorderen heeft zal terstond opeisbaar zijn, zonder waarschuwing of ingebrekestelling, bij faillissement, overlijden of onder curatelestelling, van de schuldenaar, bij zijn/haar aanvraag om surseance van betaling, bij niet op tijd betalen der verplichte aflossingen en bij niet nakomen van een of meer zijner/harer verplichtingen uit deze overeenkomst.

8. Alle redelijk door Island Finance N.V. gemaakte kosten, daaronder begrepen, doch niet beperkt tot porto-, telegram-, telefoon-, telex-, telefaxkosten en bemiddelingskosten naar aanleiding van een geschil met de schuldenaar of een derde, worden door de schuldenaar gedragen. De buitengerechtelijke incassokosten bedragen 15% van het door de schuldenaar verschuldigde bedrag. Alle gerechtelijke kosten, daaronder begrepen doch niet beperkt tot advocatenkosten, deurwaarderskosten en griffierechten worden geheel door de schuldenaar gedragen.

9. Schuldenaar verklaart het in artikel 1 van deze overeenkomst genoemde bedrag ontvangen te hebben en voegt ter erkenning van de verschuldigdheid hieronder een goedschrift aan de overeenkomst toe.[….].

2.1.3

Op het moment dat [geïntimeerde] de lening aanging had zij een betaalde vaste baan. Zij is op enig moment in 2013 tijdelijk arbeidsongeschikt geraakt en zij is sinds 2014, na even zonder werk te hebben gezeten, in vaste dienst bij Medwork.

2.1.4

Tot april/mei 2013 heeft [geïntimeerde] de overeengekomen termijnen stipt voldaan. Nadien zijn haperingen ontstaan, ook in de betaling van de lagere bedragen die zij aan IFA had toegezegd; zo is in 2014 slechts eenmaal fl. 300,-. betaald. In de periode tot 31 augustus 2015 heeft [geïntimeerde] in totaal Afl. 8.734,78 aan IFA betaald.

2.15

IFA heeft de lening opgeëist. Nadat betaling uitbleef heeft IFA op 24 februari 2016 ten laste van [geïntimeerde] derdenbeslag gelegd onder haar werkgever Medwork.

2.2

Bij dit geding inleidend verzoekschrift van 7 maart 2016 heeft IFA [geïntimeerde] in rechte betrokken en gevorderd dat het Gerecht, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde] zal veroordelen tot betaling van de som van Afl. 12.857,58, vermeerderd met de overeengekomen rente van 1,4% per maand vanaf 31 januari 2014 tot een maximum van Afl. 12.921,13 en na het bereiken van dit maximum te vermeerderen met de wettelijke rente en 15% als overeengekomen vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Een en ander met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten, waaronder de kosten van het beslag.

2.3

Het Gerecht heeft na twee comparities, gevolgd door aktewisselingen, bij eindvonnis de vordering van IFA toegewezen tot een bedrag van Afl. 6.264,49 (Afl. 14.999,27 minus 8.734,38) te vermeerderen met de door het Gerecht gematigd vastgestelde rente van 18% jaarlijks of 1,5% maandelijks gerekend vanaf 1 september 2015 tot en met 17 maart 2017 en vanaf 18 maart 2017 tot aan de dag van voldoening de wettelijke rente. De kosten heeft het Gerecht tussen partijen gecompenseerd.

2.4

Het toegewezen bedrag heeft het Gerecht bepaald op basis van een herberekening die IFA desverzocht had gemaakt nadat het Gerecht als zijn voorlopig oordeel te kennen had gegeven dat ook in dit geval het bedingen van een hogere rente dan 18% in strijd is met de goede zeden, met het gevolg dat de overeenkomst (slechts) voor zover deze tot meer verplicht nietig is.

Dat oordeel heeft het Gerecht in zijn eindvonnis gehandhaafd, nadat het met partijen had gesproken over de betekenis voor deze zaak van de uitspraak van dit Hof van 24 juli 2018 in de zaak met nummer CUR2015H00014 (ECLI:NL:OGHACMB:2018:122). Bij zijn uiteindelijke oordeel heeft het Gerecht veel gewicht toegekend aan de inlichtingen die ter comparitie waren verschaft door medewerkers van de Centrale Bank van Aruba en een binnen die Bank opgesteld wetsvoorstel zoals de bankpresident [Naam y] dat 22 juni 2016 aan de toenmalige minister van Financiën en Overheidsorganisatie [Naam x] had aangeboden.

2.5

Het is vooral tegen die, tot deze concrete zaak beperkte, maar niettemin principieel getoonzette beslissing waartegen de klachten van het hoger beroep zijn gericht. Die klachten worden als volgt beoordeeld.

2.6

Tot de - welbekende - voorgeschiedenis van deze kwestie behoort een drietal in kort geding gegeven Hofuitspraken in Curaçaose zaken (GHvJ 25 mei 1999 of 24 juni 1999, ECLI:NL:OGHNAA:1999:AD3334, NJ 1999/703 (Banco di Caribe/Casiana), GHvJ 25 mei 1999, ECLI:NL:OGHNAA:1999: AH7917, KG 1999/182 (MCB/Reinita) en GHvJ 25 mei 1999, H 639/98, niet gepubliceerd (Diner’s Club International/Domitilia)), waarin telkens als volgt is overwogen:

“Het Hof stelt voorop dat partijen in beginsel vrij zijn overeen te komen welke rente over het geleende bedrag verschuldigd zal zijn. Die vrijheid is echter begrensd. Naar het oordeel van het Hof is bedoelde grens in het onderhavige geval overschreden.

De overeenkomst van partijen zoals deze is neergelegd in de schuldbekentenis is naar het oordeel van het Hof in strijd met de goede zeden. Voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter te zijner tijd tot het oordeel zal komen dat een rente van 18 procent per jaar ofwel 1,5 procent per maand tussen partijen zal hebben te gelden.”

2.7

Deze uitspraken hebben een aanzienlijke invloed gehad op de rechtsontwikkeling op de eilanden, in elk geval in die zin dat nadien in de rechtspraak een tijd lang vrij algemeen en categorisch - ongeacht het type overeenkomst - werd geoordeeld dat een rente van meer dan 18% op jaarbasis nietig is wegens strijd met de goede zeden. Hogere percentages - die bleven voorkomen - werden door de Arubaanse rechter door middel van matiging teruggebracht tot het maximum van 18%.

2.8

Die praktijk - die in de literatuur niet geheel zonder kritiek was gebleven - heeft zich in de loop der jaren in zoverre gewijzigd dat de eenstemmigheid is weggevallen. In een reeks recente uitspraken - uit Aruba en van de andere eilanden - werd bij het ontbreken van specifieke wetgeving, en onder verwijzing naar de contractsvrijheid, afgezien van het ingrijpen op grond van de goede zeden of de redelijkheid en billijkheid (zie bijv. GEA Aruba 9 september 2015 in de zaak BB 2014/1738; niet gepubliceerd) of werd voor een specifiek type overeenkomst een hoger rentepercentage toelaatbaar gevonden (zie bijv., inzake een overeenkomst van pandbelening, GHvJ 23 februari 2016, ECLI:NL:OGHACMB:2016:6).

2.9

In de hierboven onder 2.4 al genoemde uitspraak van dit Hof (ECLI:NL:OGHACMB:2018:122) ging het om een kortlopend krediet van een jaar met een APR van, naar werd aangenomen, 332.40% per jaar. Ten aanzien van de vraag of de voor deze lening overeengekomen rente in strijd kwam met de goede zeden overwoog het Hof toen het volgende:

“2.6 Het Hof moet bij zijn beoordeling rekening houden met de omstandigheid dat RHM sinds april 2009 beschikt over een door de Centrale Bank verleende ontheffing van het verbod om kredietverleningsactiviteiten uit te oefenen tot (uiteindelijk) een bedrag van NAf 2.500,=. RHM heeft die ontheffing gekregen na toetsing van haar bedrijfsplan en de daarin opgenomen “total cost of credits”. Niet gebleken is dat de onderhavige overeenkomst, ook als uitgegaan wordt van een APR van 332,40%, afwijkt van de gangbare ondernemingsactiviteiten van RHM op basis waarvan het goedgekeurde bedrijfsplan is opgesteld. Met andere woorden, RHM mocht erop vertrouwen dat de overeenkomst ook door de Centrale Bank maatschappelijk aanvaardbaar werd geacht toen haar de ontheffing werd verleend en toen zij op 4 september 2013 de overeenkomst van geldlening met […] sloot.

2.7

Het Hof moet bij zijn beoordeling er ook rekening mee houden dat RHM en soortgelijke geldverstrekkers aan een behoefte in de lokale markt voorzien. Niet gebleken is dat het (van overheidswege getoetste) bedrijfsmodel van RHM en soortgelijke geldverstrekkers hen in staat stelt exorbitante winsten te maken. Onbetwist is verder dat RHM zich houdt aan de door de Centrale Bank gepubliceerde “provisions preventing over extension of credit”. Kennelijk is op de BES-eilanden door het hierna te noemen ministerieel ingrijpen de microkredietverstrekking geheel van de markt verdreven. RHM heeft gewezen op bezwaren verbonden aan het mogelijkerwijs ontstaan van een “zwart” microkredietverstrekkingscircuit. RHM heeft voorts gesteld dat voor de Franse overzeese departementen in het Caribisch gebied meerdere APR’s gelden, afhankelijk van de aard van de kredietverlening.

2.8

Alles bijeengenomen gaat het de rechtsvormende taak van de rechter te

buiten om in alle gevallen van kredietverlening zonder zekerheidstelling en

ongeacht of sprake is van microkredietverstrekking of niet, te oordelen dat het

in strijd met de goede zeden is om een hogere rente te bedingen dan 18%,

zoals de oordelen in de drie kort geding vonnissen van 1999 in de

rechtspraktijk zijn opgevat, of 24% zoals de wetgever voor de BES-eilanden

heeft vastgesteld, of 27% zoals vanaf 5 mei 2017 (met een overgangsperiode

van 2 maanden) door de Centrale Bank wordt gehanteerd als beleidsmaatstaf

voor het verlenen van vergunningen en/of ontheffingen op basis van de

Landsverordening Toezicht Bank- en Kredietwezen.

2.9

Het is aan de wetgever of aan een overheidsorgaan zoals de Centrale Bank

om, door middel van wetgeving, respectievelijk het instrument van

vergunningverlening of ontheffing en binnen de marges van de

Landsverordening Toezicht Bank- en Kredietwezen, al dan niet rekening

houdend met een overgangsperiode en/of al dan niet met terugwerking,

algemene regels te stellen met betrekking tot een toelaatbaar maximumtarief

voor verschillende of voor alle financieringsvormen.”

2.10

Zoals in deze uitspraak mede tot uitdrukking is gebracht, gaat achter de vraag of rentepercentages aan een maximum gebonden behoren te zijn een complexe maatschappelijke problematiek schuil. Enerzijds is er het gegeven dat in Aruba en de omringende landen een grote behoefte bestaat aan diverse vormen van kredietverlening, ook bij personen die bij de reguliere banken niet (meer) kunnen lenen. De realiteit is anderzijds echter ook dat deze leningen mensen in ernstige financiële problemen kunnen brengen en dat deze schuldenproblematiek hoge maatschappelijke kosten veroorzaakt. Het kan daarom nodig zijn in bepaalde gevallen leningen, ook als daarmee geen woekerwinsten zouden worden gemaakt, te ontmoedigen of te verhinderen en zo de consument tegen zijn eigen behoefte in bescherming te nemen. Vast te stellen in welke gevallen dat zo is, en hoe zwaar factoren als de dreiging van zwart circuit wegen, vergt het maken van lastige afwegingen waarvoor veel markt- en andere informatie nodig en consulatie van vertegenwoordigers van de betrokken partijen wenselijk is. Voor die informatievergaring en het maken van die afwegingen is de rechter niet geëquipeerd en het is ook niet zijn taak. Aan dat oordeel houdt het Hof onverminderd vast. Het is in hoge mate wenselijk dat de Arubaanse wetgever zijn verantwoordelijkheid neemt en op dit vlak regelgevend optreedt. Dat lijkt op dit moment ook te gebeuren: naar verluidt bestaat het voornemen om het onder 2.4 bedoelde wetsvoorstel in behandeling te nemen.

2.11

Tot die tijd echter is het ontbreken van regelgeving in Aruba niet alleen een gegeven, maar ook - in Koninkrijksverband bezien - een anomalie. Mede gelet op de vele vergelijkbare zaken waarmee het Gerecht in Aruba (en overigens ook in Curaçao) wordt geconfronteerd, en de verschillende uitkomsten die de Arubaanse beslissingen tot op heden vertonen, ziet het Hof thans aanleiding om binnen zijn rechtelijke taak en competentie het volgende te overwegen.

2.12

Tot de rechterlijke taak behoort de beoordeling of in een concreet geval - of in een groep identieke of met elkaar gelijk te stellen gevallen - sprake is van strijd met de openbare orde en/of de goede zeden (in de zin van artikel 3:40 lid 1 BW). Dit is een open norm die de rechter weinig houvast biedt. Beslissend voor de inhoud van de goede zeden is het maatschappelijk oordeel omtrent hetgeen behoort, dat wil zeggen de opvatting die op de grootst mogelijk maatschappelijke consensus steunt. Ter bepaling van de inhoud van de goede zeden zal de rechter zich laten leiden door objectieve aanknopingspunten, zoals verdrags- en wetsbepalingen, rechterlijke beslissingen en algemene rechtsbeginselen en rechtsovertuigingen. Maatgevend zijn de actuele en lokale opvattingen, in dit geval dus (primair) die van Aruba. Sterk verwant en daarom zelden van de goede zeden onderscheiden is de openbare orde, te omschrijven als de fundamentele beginselen die wezenlijke belangen van de samenleving betreffen en die vorm geven aan grondslagen waarop de ethische, juridische en economische orde van de samenleving steunt.

2.13

Bij de toetsing van contractueel overeengekomen rentepercentages aan deze open norm(en) dient te worden bedacht dat de wetgever van het huidige Nederlandse Burgerlijk Wetboek - dat in verband met het concordantiebeginsel in 2002 grotendeels in Aruba is gevolgd - uitdrukkelijk afstand heeft genomen van de leer van het iustum pretium (letterlijk: rechtvaardige, redelijke of juiste prijs); voor de bescherming van consumenten tegen woekerpraktijken of anderszins onverantwoordelijke overeenkomsten wordt vertrouwd op specifieke wet- en regelgeving aangevuld met de wilsgebreken en - meer recent - de bijzondere (bancaire) zorgplichten. Ook aan de rechtspraak van de Hoge Raad is te ontlenen dat een wanverhouding tussen de over en weer bedongen prestaties een overeenkomst nog niet onzedelijk maakt; daarvoor zijn bijkomende omstandigheden nodig, zoals misbruik van omstandigheden.

2.14

Toepassing van deze tot terughoudendheid stemmende maatstaf leidt dan tot het volgende.

2.15

Het is naar het Hof voorkomt een algemeen ervaringsfeit dat veel mensen, bij de huidige lage rentestand, rentepercentages van ruim boven de tien percent - ook al zijn die in de markt niet zeldzaam - snel als exorbitant en onaanvaardbaar aanmerken. Daarbij is niet altijd duidelijk of die veroordeling betrekking heeft op de vermeende exorbitante winsten die met dergelijke percentages zouden worden gemaakt of dat deze meer fundamenteel berust op de overtuiging dat het niet juist is om een ander tot zulke hoge lasten te verplichten. Vaak zal het een combinatie van beide zijn. De (overigens tot enkele commentaren van een handvol auteurs beperkte) vakliteratuur over dit onderwerp getuigt eveneens van een au fond kritische bejegening van hoge rentepercentages. Die grondhouding vindt men tevens terug in de rechtspraak: ook waar terughoudendheid wordt betracht heeft dat - zoals in de onder 2.8 aangehaalde uitspraak van het Gerecht en het onder 2.9 geciteerde Hofvonnis - meer te maken met de complexiteit van de problematiek en de daarmee verband houdende (staatsrechtelijke) bezwaren dan met een oordeel dat hoge rentes niet problematisch en in sommige gevallen verwerpelijk zouden zijn.

2.16

De veruit belangrijkste en krachtigste objectieve aanwijzing op dit punt is echter dat, met uitzondering tot op heden van Aruba, in alle delen van het Koninkrijk de noodzaak is gevoeld om de rente op consumentenkrediet met een maximum aan banden te leggen. Daarbij gaat het in Nederland en de BES-eilanden om wetgeving die voor alle vormen van consumentenkrediet geldt en in Nederland is bij het van toepassing verklaren van het maximum van 12% plus de wettelijke rente (thans 2%) op flitskredieten uitdrukkelijk onder ogen gezien dat de aanbieders van die kredieten hadden becijferd dat hun break-even point pas werd bereikt wanneer bij een gemiddeld krediet van enkele weken 16% kredietvergoeding in rekening kan worden gebracht (wat volgens de minister bijna 600% op jaarbasis zou zijn). Bij de BES-landen is begonnen met 24% en werd voorzien in een verdere afbouw; thans geldt nog 23%. In Curaçao en Sint Maarten hanteert de Centrale Bank bij het verlenen van vergunningen een maximale APR van 27%. Uit de begeleidende stukken blijkt dat bij al deze interventies de leidende gedachte is geweest dat een hoger percentage niet behoort te (kunnen) worden bedongen gelet op de sociale en maatschappelijke kosten die het gevolg zijn van kredietverlening tegen (te) hoge percentages aan mensen die deze eigenlijk niet - of bij een terugval in inkomen niet meer - kunnen opbrengen.

2.17

Tegen die achtergrond kunnen voor de soort overeenkomst waar het in deze zaak over gaat - kredietverlening aan consumenten met een vaste baan voor een looptijd van een jaar of langer, waarbij geen of louter persoonlijke zekerheden (zoals borgtocht) zijn bedongen - worden aangenomen dat een APR hoger dan 27% nietig is wegens strijd met de Arubaanse goede zeden en openbare orde. In alle delen van het Koninkrijk zijn die percentages immers in de ban gedaan en is er geen reden om aan te nemen dat het ontbreken van regelgeving in Aruba berust op principieel andere inzichten en afwegingen betreffende de geschetste problematiek. Voor in elk geval deze groep overeenkomsten is door de relevante regelgevende instanties, naar mag worden aangenomen op basis van voldoende onderzoek van de betrokken belangen en opvattingen, geoordeeld dat een hoger rentepercentage marktpartijen in staat stelt om exorbitante winsten te maken en/of om hun kredietverlening uit te breiden tot een zodanig grote groep kredietzoekenden dat die ook (te veel) consumenten omvat die zo’n lening eigenlijk niet kunnen dragen.

2.18

In deze zaak, door IFA als principieel opgevat en dienovereenkomstig bepleit, is niet gebleken dat het bij de kredietovereenkomsten van IFA anders ligt. IFA heeft wel gesteld dat zij de rentepercentages afstemt op het risico, maar dat zij dit per klant doet, en dat daarmee bovenstaande bezwaar wordt ondervangen, is niet gebleken. De kans dat dit in een andere zaak wel gebeurt acht het Hof niet groot en ook dan nog tast dat de hierboven omschreven consensus, zoals die in vooral de regelgeving tot uitdrukking komt, niet aan. Het belang van de rechtszekerheid en de hanteerbaarheid van het recht - vooral ook in verstekzaken die in deze materie veel voorkomen - rechtvaardigt dat een zaak overstijgende lijn wordt gevolgd.

2.19

Dat IFA met haar huidige bedrijfsvoering een vergunning heeft verkregen leidt ten slotte evenmin tot een ander oordeel. Gelet op meergenoemde consensus en de omstandigheid dat aan het vergunningenbeleid van de Arubaanse Centrale Bank geen eenduidige opvatting over de toelaatbaarheid van hoge rentes ten grondslag ligt, kon IFA aan die vergunning niet het vertrouwen ontlenen dat de door haar toegepaste percentages (mochten die hoger en - anders dan in deze zaak het geval is - zelfs ruim hoger liggen dan 27%) iedere toetsing, ook die aan de goede zeden en de openbare orde, zouden kunnen doorstaan.

2.20

Voor een lager percentage van 18% zoals door het Gerecht is aangenomen, bestaan op dit moment onvoldoende argumenten. De verwijzing naar een breed gedragen aanvaarding van dat percentage acht het Hof te wankel. Op het overgelegde wetsvoorstel kan, gelet op de het ontbreken van iedere zekerheid dat het in die vorm zal worden aangenomen, niet worden geanticipeerd. Als uitdrukking van het geïnformeerde standpunt van de Centrale Bank, althans enkele van haar medewerkers die de markt bij uitstek zullen kennen, legt het stuk zeker gewicht in de schaal maar toch te weinig om zoals het Gerecht deed te kunnen concluderen tot een maatschappelijke consensus of een Arubaanse meerderheidsopvatting die de grens van het toelaatbare op 18% stelt. Overigens valt op dat de Centrale Bank er tot op heden kennelijk niet toe is overgegaan om deze norm toe te passen bij haar vergunningenbeleid, althans dat zij er niet in is geslaagd om de daartoe vereiste medewerking te verkrijgen. Een bezwaar is ten slotte ook dat vooralsnog onvoldoende duidelijk is hoeveel onderzoek en consultatie aan het voorstel ten grondslag ligt.

2.21

Het belangrijkste bezwaar is echter dat het oordeel dat een rente van 18% in strijd komt met de Arubaanse goede zeden niet valt te verenigen met de realiteit dat in de andere tot het Koninkrijk behorende Caraïbische eilanden recent nog is gekozen voor een hoger percentage, terwijl niet aannemelijk is dat de sociaaleconomische situatie en de zedelijke opvattingen in die landen zozeer afwijken van die in Aruba dat in dit land onzedelijk is wat in andere landen bewust en weloverwogen wordt toegestaan. Dat (zoals [geïntimeerde] stelt) de praktijk in Aruba zich, naar mag worden aangenomen onder invloed van de toenmalige rechtspraak, lange tijd in grote meerderheid aan die 18% heeft gehouden is

- mede gelet op de latere rechtspraak - onvoldoende. Indien de volksvertegenwoordiging van Aruba daar anders over denkt, heeft zij de middelen in handen om die opvatting tot wet te verheffen.

2.22

Tot nader order van de wetgever zal het Hof daarom, in zowel Aruba als in Curaçao en Sint Maarten, een APR van meer dan 27%, ook al is deze expliciet overeengekomen en zijn de daaruit voortvloeiende verplichtingen duidelijk omschreven, beschouwen als nietig op grond van artikel 3:40 lid 1 BW. Zoals dat overigens ook al gebeurt bij het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, zowel in verstekzaken als in procedures waarbij de consument wel verschijnt. Omdat deze lijn de weerslag is van een breed gedragen maatschappelijke opvatting, en IFA ook op grond van de rechtspraak als gewaarschuwd kan worden beschouwd, is een overgangsregel - zo het Hof (ander dan de Hoge Raad) al bevoegd zou zijn die te geven - niet aan de orde, nog daargelaten dat het percentage niet of amper lijkt te afwijken van wat IFA doorgaans in rekening brengt.

2.23

Dit alles neemt het belang van de andere, vaak betere instrumenten van consumentenbescherming niet weg. Onverminderd kritisch dient daarom in zaken waarin kredietverlening aan consumenten aan de orde is, te worden gekeken naar de aanwezigheid van wilsgebreken en naar de naleving van de op de aanbieders als IFA rustende zorgplicht om de consument goed voor te lichten over de inhoud van de producten en om te waken voor overkreditering, wat in voorkomen gevallen mede inhoudt dat de aanbieder naast het inkomen ook een overzicht van de andere lopende vaste lasten dient op te vragen.

2.24

In de onderhavige zaak zijn de maandelijkse bedragen en het nominale en het effectieve rentepercentage (van 27,25%) in de overeenkomst afdoende omschreven en bieden de stellingen van [geïntimeerde] verder geen aanknopingspunten voor een nader onderzoek naar de aanwezigheid van wilsgebreken of het niet naleven door IFA van de op haar als financiële instelling rustende zorgplichten.

2.25

Wel dient IFA bij akte nog toe te lichten wat zij van [geïntimeerde] heeft te vorderen wanneer zij van meet af aan, bij de berekening van de annuïteiten en bij de vertragingen tot het opeisen van de lening, het maximale rentepercentage van 27% (in de zin van de APR zoals die blijkens de overlegde informatie van de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten dient te worden berekend) in rekening brengt. Daarbij wordt erop gewezen dat ingevolge 6:119 leden 2 en 3 BW geldt dat een overeengekomen rente die hoger is dan de wettelijke rente bij vertraging doorloopt en dat deze rente maandelijks berekend mag worden. Alleen de wettelijke rente (op die rente) is jaarlijks verschuldigd.

2.26

De eiswijziging van IFA in hoger beroep is tijdig gedaan en als zodanig niet in strijd met een goede procesorde. Wel rijst de vraag hoe die eisvermeerdering zich verhoudt tot de eerdere uitlatingen van IFA en, vooral, de overgelegde schuldbekentenis van 5 januari 2016 (2e blad van productie III bij inleidend verzoekschrift). Ook daarop dient IFA in haar akte in te gaan. Met het oog op de nadere beoordeling van de eiswijziging dient IFA ook een berekening te maken op basis van haar oorspronkelijke vordering.

2.27

De zaak zal worden verwezen naar de rol, waarbij mede gelet op de huidige beperkingen die de Coronacrisis met zich meebrengt, een ruime termijn van zeven weken zal worden genomen. Daarna zal [geïntimeerde] bij antwoordakte kunnen reageren. Uiteraard verdient het de voorkeur als partijen de zaak - met inachtneming van het bovenstaande - in onderling overleg weten te regelen.

2.28

Verder wordt iedere beslissing eerst aangehouden.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 9 juni 2020 voor akte uitlating door IFA;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. M.W. Scholte, F.W.J. Meijer en J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en is, door de oudste rechter ondertekend, ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 21 april 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.