Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2020:80

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
05-03-2020
Datum publicatie
28-04-2020
Zaaknummer
820.00001/17 H 87/2018
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

belastingontduiking Sint Maarten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: H-87/2018

Parketnummer: 820.00001-17

Uitspraak: 5 maart 2020 Tegenspraak

Vonnis

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: het Gerecht) van 17 april 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[VERDACHTE],

geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

Het Gerecht heeft de verdachte bij zijn vonnis ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 15 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van drie jaren. Daarnaast heeft het Gerecht de verdachte veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.

Zowel de verdachte als de officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal,

mr. R.H. den Haan, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw,

mr. S.H.M. Ibrahim, naar voren is gebracht.

De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, behoudens ten aanzien van de strafoplegging en – in zoverre opnieuw recht doende – de verdachte zal veroordelen tot gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest, en tot een geheel voorwaardelijke geldboete van NAf 250.000,00, met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft de procureur-generaal gevorderd dat als bijkomende straf de verdachte wordt ontzet uit het recht te worden verkozen in het parlement voor de duur van vijf jaren.

De raadsvrouw heeft primair bepleit dat de strafrechter niet bevoegd is om van dit geschil kennis te nemen. Subsidiair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte. Meer subsidiair heeft zij aangevoerd dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde en meest subsidiair heeft de raadsvrouw een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd met uitzondering van de straf en de motivering daarvan – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het Hof:

  • -

    het in hoger beroep gevoerde verweer ten aanzien van de bevoegdheid van de strafrechter zal bespreken;

  • -

    de motivering van het Gerecht ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie aanvult;

  • -

    een overweging ten aanzien van de overige verweren toevoegt en

  • -

    bewijsmiddel 5 aanvult.

Bevoegdheid strafrechter

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw een uitspraak van het Hof van 27 januari 2020 overgelegd (productie 4 bij de pleitnota, zaaknummer SXM2019H00041). De raadsvrouw heeft betoogd dat uit die uitspraak volgt dat de belastingrechter en niet de strafrechter bevoegd is om van de onderhavige zaak kennis te nemen.

Het Hof is van oordeel dat dit standpunt berust op een verkeerde lezing van voornoemde uitspraak.

Ten overvloede wordt overwogen dat nu de onderhavige zaak de vervolging van strafbare feiten betreft, de strafrechter op grond van artikel 114 juncto 115 van de Staatsregeling Sint Maarten bevoegd is om kennis te nemen van de zaak. Het verweer faalt.

Aanvullende motivering ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Ten aanzien van de bevoegdheid van het openbaar ministerie tot strafvervolging

Het Hof neemt over hetgeen het Gerecht op de pagina’s 3 tot en met 5 in de eerste zes alinea’s onder (i) van het vonnis op treffende wijze heeft overwogen. Het Hof verenigt zich niet met de laatste alinea op pagina 5 van het vonnis en stelt daarvoor de navolgende overweging in de plaats.

Uit de memorie van toelichting bij de oorspronkelijke regeling leidt het Hof evenals het Gerecht af dat de wetgever met artikel 55 Algemene landsverordening landsbelastingen (ALL) vooral de opsporing door belastingambtenaren, opererend onder de verantwoordelijkheid en aansturing van de Inspecteur en/of Directeur, heeft beoogd te reguleren.1 In de onderhavige zaak is de opsporing echter door de in artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering genoemde personen – te weten politieambtenaren van het Team Bestrijding Ondermijning – verricht. Het Hof zal daarom de kanttekeningen die de raadsvrouw heeft geplaatst bij het al dan niet volgen van de in artikel 55 ALL genoemde procedure onbesproken laten.

Daarbij overweegt het Hof dat bovendien niet is gebleken dat de verdachte is geschaad in enig rechtens te respecteren belang.

Ten aanzien van de inkeerregeling

De raadsvrouw heeft betoogd dat de verdachte een geslaagd beroep op de inkeerregeling toekomt omdat de verdachte uit eigen beweging vrijwillig aangiften bij de Belastingdienst heeft ingediend.

Het Hof verenigt zich met hetgeen het Gerecht daaromtrent op pagina 6, derde en vierde alinea, van het vonnis heeft overwogen en neemt deze overwegingen over. Het Hof overweegt voorts het navolgende.

Uit de door de verdediging in eerste aanleg overgelegde stukken volgt dat de aangiften Inkomstenbelasting over de belastingjaren 2010 tot en met 2015 op 19 december 2017 bij de Belastingdienst zijn ingediend. Op de aangifteformulieren over de jaren 2010 tot en met 2013 staat weliswaar als datum van de ondertekening 15 december 2016 vermeld, maar deze stukken zijn pas op 19 december 2017 bij de Belastingdienst ingediend. Die laatste datum is bepalend voor een geslaagd beroep op de inkeerregeling.

Uit dezelfde door de verdediging overgelegde stukken blijkt dat de aangiften Inkomstenbelasting over de jaren 2009 en 2016 op 5 februari 2018 zijn ingediend. Uit die stukken blijkt voorts dat de aangiften voor de Belasting op Bedrijfsomzetten over de jaren 2010 tot en met 2016 op 19 december 2017 zijn ingediend en voor het jaar 2009 in februari 2018.

Op 15 maart 2017 is bij de verdachte een huiszoeking gedaan, is hij aangehouden en is hij in verzekering gesteld. Op 15, 16 en 17 maart 2017 is de verdachte door de politie als verdachte gehoord. Pas geruime tijd later, namelijk vanaf 19 december 2017, heeft de verdachte de aangiften Inkomstenbelasting en Belasting op Bedrijfsomzetten ingediend. Toen wist de verdachte dus al dat de belastingambtenaren ermee bekend waren of bekend zouden worden dat hij ten onrechte geen aangiften van de Inkomstenbelasting en de Belasting op Bedrijfsomzetten had ingediend. Reeds om die reden komt de verdachte geen geslaagd beroep op de inkeerregeling toe.

Het betoog van de raadsvrouw dat de verdachte al door het inschakelen van boekhoudster [naam boekhoudster] op 4 december 2016 vrijwillig is ingekeerd, vindt geen steun in de wet en wordt daarom verworpen.

Overigens sluit het Hof zich aan bij de overwegingen van het Gerecht zoals opgenomen op pagina 6, laatste alinea, en pagina 7, alinea 1 tot en met 3, van het vonnis en neemt deze over. De verdachte heeft ook in hoger beroep, ondanks herhaalde vragen van de procureur-generaal en het Hof, geen verklaring willen geven waarom hij juist zes dagen na de huiszoekingen in de haven een boekhoudster heeft benaderd. Het Hof is met het Gerecht van oordeel dat de verdachte objectief gezien al vanaf de huiszoekingen bij de haven moest vermoeden en ook heeft vermoed dat belastingambtenaren ermee bekend zouden worden dat hij ten onrechte geen aangiften van de Inkomstenbelasting en de Belasting op Bedrijfsomzetten had ingediend.

Het beroep op de inkeerregeling wordt gelet op het voorgaande verworpen.

Overige verweren

Van de verdediging mag volgens vaste jurisprudentie worden verlangd dat ingenomen standpunten duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren worden gebracht. Nu daaraan ten aanzien van de overige door de verdediging gevoerde verweren niet is voldaan, behoeven die verweren geen bespreking.

Aanvulling bewijsmiddel 5

Aan bewijsmiddel 5 voegt het Hof op de derde regel, tussen de woorden ‘Belastingdienst’ en ‘binnengekomen’ de woorden ‘op 19 december 2017’ toe. In voetnoot 12 worden de documenten L, M, N en O toegevoegd in de laatste regel.

Oplegging van straffen

Bij de bepaling van de op te leggen straffen wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich gedurende zeven jaren schuldig gemaakt aan belastingontduiking door niet tijdig aangifte van belastingen te doen. Hierdoor kon aanzienlijk nadeel voor Sint Maarten ontstaan. De verdachte heeft daarmee zijn eigen financiële voordeel boven het algemeen belang van een juiste belastingheffing van Sint Maarten en daarmee de samenleving van Sint Maarten gesteld.

De strafbaarstelling van belastingontduiking beschermt niet alleen de gemeenschapsbelangen die door belastingheffing worden gediend, maar ook de belangen van eerlijke belastingbetalers. Belastingontduiking kan immers leiden tot verdere verzwaring van de belastingdruk voor de inwoners van Sint Maarten. Bovendien kan dit gedrag van de verdachte leiden tot een aantasting van de belastingmoraal en tot gevoelens van onrechtvaardigheid bij diegenen die wel hun belastingverplichtingen nakomen. Aantasting van de belastingmoraal kan ertoe leiden dat meer mensen niet aan hun belastingverplichtingen voldoen en/of meer (met belastinggeld gefinancierde) controle noodzakelijk is.

Het Hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij in de periode toen hij zich als parlementslid verkiesbaar stelde en in de periode dat hij daadwerkelijk parlementslid was, enerzijds als vertegenwoordiger van de inwoners van Sint Maarten een voorbeeldfunctie in de maatschappij vervulde en (kort) als parlementariër een fors inkomen uit de gemeenschapskas ontving en anderzijds zich er niets aan gelegen heeft laten liggen om diezelfde maatschappij en diezelfde gemeenschapskas fors te benadelen. De verdachte heeft ter terechtzitting weliswaar verklaard dat hij niet voor zijn verantwoordelijkheden wilde weglopen, maar hij heeft tot en met zijn hoger beroep geen enkel inzicht gegeven in zijn handelen, laat staan dat hij op overtuigende wijze spijt heeft betoond.

Het Hof houdt er voorts ten nadele van de verdachte rekening mee dat het gaat om een aanzienlijk nadeelbedrag, te weten een bedrag van ruim NAf 890.000,-.

Naar het oordeel van het Hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Om te voorkomen dat de verdachte in herhaling valt, zal het Hof een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen. Om de ernst van het bewezen verklaarde te benadrukken, zal het Hof daarnaast de maximale werkstraf aan de verdachte opleggen.

Het voorgaande voert tot de slotsom dat het Hof het passend en geboden acht om aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, op te leggen in combinatie met een werkstraf voor de duur van 240 uren (subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis).

Nu de wet geen mogelijkheid biedt om de verdachte voor de bewezenverklaarde feiten uit het passieve kiesrecht te ontzetten, gaat het Hof voorbij aan deze door de procureur-generaal gevorderde bijkomende straf.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen zoals genoemd bij de kwalificatie en strafbaarheid van de bewezen verklaarde feiten op pagina 15 en 16 van het vonnis van het Gerecht en op de artikelen 1:19, 1:20, 1:21, 1:45, 1:46 en 1:136 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

vernietigt het vonnis van het Gerecht ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 18 (achttien) maanden;

bepaalt dat een gedeelte van deze straf een gedeelte, groot 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis;

bevestigt het vonnis van het Gerecht voor het overige, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

Dit vonnis is gewezen door mrs. W.J. Geurts-de Veld, M.C.B. Hubben en S.A. Carmelia, leden van het Hof, bijgestaan door mr. A.F. van der Heide, (zittings)griffier, en op 5 maart 2020 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten.

mrs. W.J. Geurts-de Veld en M.C.B. Hubben zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

uitspraakgriffier:

1 Zie Landsverordening houdende algemene bepalingen van formeel belastingrecht (Algemene landsverordening Landsbelastingen), P.B. 2001, no. 89; Staten van de Nederlandse Antillen, Zitting 2000-2001, 2446, nr. 3. De toelichting bij artikel 55 luidt als volgt: “In hun hoedanigheid van opsporingsambtenaar dienen de belastingambtenaren ten spoedigste proces-verbaal op te maken van de door hen opgespoorde strafbare feiten of van hetgeen door hen bij opsporing is verricht of bevonden. In geval van binnentreden wordt zelfs binnen een voorgeschreven termijn van twee etmalen een proces-verbaal opgemaakt. In het kader van een doelmatige werkverdeling tussen het Openbaar Ministerie en de belastingadministratie is voorgeschreven dat alle ter zake van fiscale delicten opgemaakte processen-verbaal worden ingezonden naar de Directeur. De belastingadministratie heeft daarmee een belangrijke invloed op de vervolging. Ingeval bijzondere middelen zijn toegepast, (zoals het betreden van een woning tegen de wil van de bewoner) is de Directeur gehouden altijd het proces-verbaal aan de officier van justitie in te sturen. Het staat het Openbaar Ministerie overigens vrij in geval van belastingfraude op andere grond te vervolgen dan op basis van deze landsverordening. De officier behoeft dan niet het voortouw aan de Directeur te laten. Besluit het Openbaar Ministerie een zaak niet te vervolgen, dan wordt het dossier teruggestuurd aan de Directeur, die de zaak dan administratief kan afhandelen.”