Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2020:58

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
10-03-2020
Datum publicatie
10-04-2020
Zaaknummer
CUR201902296 en CUR2019H00410
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ernstige schending zorgplicht notaris. Eigen verantwoordelijkheid van notaris. Eerder gegrond verklaarde klachten. Onvoorwaardelijke schorsing van de duur

van twee maanden en een geldboete van NAf 6.000,-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2020 Vonnis no.:

Registratienummers: CUR201902296 - CUR2019H00410

Uitspraak: 10 maart 2020

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

B E S L I S S I N G

in de zaak van:

[APPELANTE],

wonende te [woonplaats],

oorspronkelijk klaagster,

thans appellante,

gemachtigde: mr. E.S. Rosario,

tegen

[Notaris],

gevestigd in [vestigingsplaats] Curaçao als notaris,

oorspronkelijk beklaagde,

thans geïntimeerde,

procederend in persoon.

De partijen worden hierna [appellante] en de notaris genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Bij appelschrift, met producties, ingekomen ter griffie op 25 november 2019 is [appellante] in hoger beroep gekomen van de beslissing van de Kamer van Toezicht voor het notariaat (hierna: de Kamer) van het tussen partijen gewezen beslissing van 11 november 2019. De inhoud van die beslissing geldt als hier ingevoegd.

1.2

De notaris heeft geen verweerschrift ingediend.

1.3

De mondelinge behandeling, waarvan schriftelijke aantekeningen zijn gemaakt, heeft plaatsgevonden op 28 januari 2020. [appellante] is verschenen bij haar gemachtigde voornoemd. De notaris is in persoon verschenen. De gemachtigde van [appellante] heeft het standpunt van [appellante] mondeling nader toegelicht. De notaris heeft mondeling verweer gevoerd.

1.4

Vervolgens is beslissing gevraagd en bepaald op heden.

2 De feiten

2.1

De heer [erflater 1] (hierna: erflater 1) is in algehele gemeenschap van goederen gehuwd geweest met [erflater 2] (hierna: erflater 2), welk huwelijk op [datum] 2001 is ontbonden door echtscheiding. De ontbonden huwelijksgemeenschap is onverdeeld gebleven. Erflater 2 is op [datum] 2013 overleden en erflater 1 op [datum] 2016.

2.2

Uit het huwelijk van erflater 1 en erflater 2 zijn vier kinderen geboren: [broer 1 van appellante], [broer 2 van appellante], [zus van appellante] en [appellante]. Op [datum] 2016 heeft erflater 1 ten overstaan van de notaris een testament opgemaakt, waarbij hij zijn vier kinderen tot erfgenamen heeft benoemd. [zus van appellante] is als executeur van zijn nalatenschap benoemd.

2.3

Bij beschikking van 21 november 2018 van de rechtbank Rotterdam is
mr. B.H. Bergsma benoemd tot vereffenaar van de nalatenschap van erflater 2. Zij heeft bij brief van 6 december 2018 aan de erfgenamen en aan de notaris bericht dat de nalatenschap van erflater 2 met haar medewerking dient te worden afgewikkeld.

2.4

Naar aanleiding van een door de executeur van de nalatenschap van erflater 1 ingediend verzoekschrift heeft het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao op 29 november 2018 middels een stempelbeschikking toestemming verleend voor verkoop van twee in de nalatenschap van erflater 1 vallende onroerende zaken, gelegen aan de [pand 1] en [pand 2] te Curaçao. Deze onroerende zaken vallen deels ook in de nalatenschap van erflater 2.

2.5

Op 9 januari 2019 heeft [appellante] hoger beroep ingesteld tegen voornoemde beschikking van 29 november 2018. Zij heeft daar samengevat aan ten grondslag gelegd dat voor de tegeldemaking van de onroerende zaken medewerking van de vereffenaar van de nalatenschap van erflater 2 is vereist dan wel van alle erfgenamen van erflater 1 en dat de executeur van erflater 1 niet bevoegd is om bij gebreke van deze medewerking over te gaan tot het te gelde maken van de onroerende zaken.

2.6 [

appellante] heeft vervolgens alle op Curaçao gevestigde notarissen – onder wie ook de notaris – per e-mailbericht van 11 januari 2019 op de hoogte gesteld van het door haar ingestelde hoger beroep tegen de stempelbeschikking van 29 november 2018.

2.7

Het hoger beroep is behandeld op 11 juni 2019. Tijdens die behandeling is gebleken dat de onroerende zaak aan de [pand 2] op [datum] 2019 is verkocht aan de heer [koper] en dat de notaris de verkoopakte heeft gepasseerd zonder medeweten en medewerking van de vereffenaar en [appellante].

2.8

Voordat [koper] tot de koop van het pand overging heeft hij op
12 april 2019 aan de notaris een e-mailbericht gestuurd met de vraag wie tot vereffenaar is benoemd van de nalatenschap van erflater 2. Per e-mailbericht van 14 mei 2019 heeft [koper] nog nadere vragen gesteld aan de notaris. De notaris heeft op beide berichten niet gereageerd.

3 De procedure in eerste aanleg en in hoger beroep

3.1

In eerste aanleg heeft [appellante] een klaagschrift ingediend bij de Kamer. Kort samengevat heeft [appellante] in het klaagschrift gesteld dat de notaris in strijd heeft gehandeld met de zorg die hij als notaris dient te betrachten door zonder medewerking van en kennisgeving aan de vereffenaar van erflater 2 de akte voor de verkoop van het pand aan de [adres pand 2] te passeren. De Kamer heeft de klacht gegrond verklaard en de notaris een onvoorwaardelijke geldboete van NAf 6.000,00 opgelegd en hem geschorst voor de duur van twee maanden en daarbij bepaald dat deze schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de Kamer later anders zou bepalen op grond dat de notaris binnen de proeftijd van een jaar zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een in artikel 57 lid 1 LNA (Landsverordening op het Notarisambt) bedoelde gedraging.

3.2

In hoger beroep heeft [appellante] gevorderd de bestreden beslissing te vernietigen en opnieuw rechtdoende, de notaris uit zijn ambt te ontzetten en hem te veroordelen tot betaling van materiële en immateriële schadevergoeding.

4 De beoordeling

4.1

Het hoger beroep is gericht tegen de opgelegde maatregelen. [appellante] stelt zich, verkort weergegeven, op het standpunt dat de maatregelen – gelet op de ernst van de tekortkoming die de notaris kan worden verweten in combinatie met de eerder gegrond bevonden klachten tegen de notaris – niet toereikend en proportioneel zijn.

4.2

Het Hof overweegt als volgt. Artikel 57 LNA bepaalt dat de notaris die zijn ambtsplichten verwaarloost, zich schuldig maakt aan enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die hij behoort te betrachten ten opzichte van degene ten behoeve van wie hij optreedt, of aan enig handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris niet betaamt, door de Kamer ambtshalve of naar aanleiding van een klacht in een met redenen omklede beslissing aan de navolgende maatregelen kan worden onderworpen:

a. waarschuwing;

b. berisping;

c. oplegging van een geldboete van ten hoogste tienduizend gulden;

d. schorsing in de uitoefening van zijn ambt voor ten hoogste een jaar;

e. voordracht tot ontzetting uit zijn ambt, gericht aan het Hof van Justitie.

4.3

De zaak wordt in hoger beroep opnieuw in volle omvang behandeld en beoordeeld. De zorgplicht van notarissen houdt in dat de notaris gehouden is de zorgvuldigheid te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Voor de invulling daarvan moet steeds worden gekeken naar alle omstandigheden van het concrete geval. Het Hof is van oordeel dat de notaris zijn zorgplicht in onderhavige zaak ernstig heeft geschonden. Hij wist althans behoorde te weten – zeker nu hij door [appellante] en door de vereffenaar van de nalatenschap van erflater 2 daar expliciet op is gewezen – dat voor de verkoop van de zich in de nalatenschap van erflater 1 bevindende onroerende zaak aan de [adres pand 2] medewerking nodig was van de vereffenaar van de nalatenschap van erflater 2 omdat de betreffende onroerende zaak tevens deel uitmaakte van de nalatenschap van erflater 2. Dat de executeur door een stempelbeschikking van het Gerecht toestemming heeft gekregen voor de verkoop van deze onroerende zaak doet daaraan niet af. De notaris heeft een eigen verantwoordelijkheid in deze. Dat geldt te meer nu de notaris wist dan wel behoorde te weten dat een hoger beroepsprocedure lopende was tegen de stempelbeschikking. Het niet controleren, dit alles wetende, of de notariële akte op deze wijze kon worden gepasseerd, én het niet althans te laat reageren op berichten van de vereffenaar, van [appellante] en van [koper], rekent het Hof de notaris ernstig aan. Dit getuigt van laks gedrag dat niet verenigbaar is met de functie van notaris en de belangrijke rol die hij speelt in het rechtsverkeer. De notaris dient zich de belangen van alle bij de beide nalatenschappen betrokken belanghebbenden aan te trekken en niet enkel het belang van de executeur van de nalatenschap van erflater 1. Verder moet de maatschappij – omwille van de rechtszekerheid – erop kunnen vertrouwen dat er geen aktes worden gepasseerd die in strijd zijn met wet- en regelgeving. De notaris heeft ter zitting geen verklaring kunnen geven voor dit onzorgvuldig handelen, behalve dat hij destijds (te) veel cliënten had en een (te) drukke praktijk. Zo dit al het geval was, dan kunnen die omstandigheden zijn handelen en/of nalaten niet rechtvaardigen of verontschuldigen.

4.4

Gelet op de ernstige mate van schending van zijn zorgplicht en daarmee van zijn ambtsplicht en het feit dat in het recente verleden (2017 en 2019) eveneens klachten jegens de notaris gegrond zijn verklaard wegens misleiding, het niet reageren op verzoeken en lakse gedragingen, is het Hof van oordeel dat in deze zaak een onvoorwaardelijke schorsing van de notaris in de uitoefening van zijn ambt voor de duur van twee maanden passend is. De in eerste aanleg opgelegde geldboete van NAf. 6.000,00 zal het Hof in stand laten.

4.5

De grieven slagen dus voor zover gericht tegen de door de Kamer opgelegde maatregel van de voorwaardelijke schorsing voor de duur van twee maanden. De andere grieven kunnen onbesproken blijven omdat, ook indien zij zouden slagen, dit niet tot een andere beslissing zou leiden. De bestreden beslissing dient, gelet op het voorgaande, deels te worden vernietigd.

4.6

Voor de door [appellante] gevorderde schadevergoeding is in deze procedure geen plaats.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

vernietigt de beslissing waarvan beroep, voor zover daarin is bepaald dat de schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de Kamer later anders mocht bepalen op grond dat de notaris zich binnen de hierna vermelde proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een in artikel 57, eerste lid, LNA bedoelde gedraging en de vastgestelde proeftijd van een jaar, ingaande op de dag dat de beslissing onherroepelijk wordt;

bevestigt de beslissing van de Kamer van 11 november 2019 voor het overige;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beslissing is genomen door mrs. Th.G. Lautenbach, M.B. van den Enden en W.J. Geurts-de Veld, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 10 maart 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.