Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2020:47

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
20-03-2020
Datum publicatie
27-03-2020
Zaaknummer
SXM2018H00235
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Erkenning gehuwde man. bekrachtiging. art.17.RwNed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BURGERLIJKE ZAKEN OVER 2020 BESCHIKKING NO.

ZAAKNR: SXM2018H00235

UITSPRAAK: 20 maart 2020

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Beschikking in de zaak van:

1 [verzoeker],

verzoekster tot vaststelling van het Nederlanderschap,

wonende in [woonplaats],

gemachtigde: mr. B. Brooks,

andere belanghebbenden:

2. het Openbaar Ministerie, hierna: OM,

3. de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Nederlandse Ministerie van Veiligheid en Justitie, hierna: IND ([Naam, e-mailadres]),

4. de Minister van Justitie,

5. de Minister van Algemene Zaken,

6. het Hoofd van de basisadministratie persoonsgegevens.

1. Verloop van de procedure

1.1

Bij op 10 december 2018 ter griffie van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten ingediend verzoekschrift ingevolge artikel 17 Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: RWN), met producties, heeft verzoekster het Hof verzocht vast te stellen dat zij met ingang van de erkenning op 26 februari 1990 het Nederlanderschap bezit.

1.2

Op 25 februari 2019 heeft de IND de suggestie gedaan dat de erkenner, [erkenner], een verklaring van de autoriteiten in de Verenigde Staten tracht te verkrijgen dat hij niet de Amerikaanse nationaliteit heeft verkregen. Deze suggestie is aan verzoekster doorgegeven door het Hof.

1.3

Op 15 augustus 2019 heeft verzoekster een ‘Certificate of Nonexistence of Record’ ingezonden waarin verklaard wordt dat de erkenner niet genaturaliseerd is tot Amerikaans staatsburger.

1.4

De IND heeft een advies van 19 november 2019 gegeven.

1.5

De zaak is aangehouden in afwachting van een prejudiciële beslissing van de Hoge Raad op vragen die het Hof in twee andere zaken (CUR2018H00415 en CUR2018H00417) op 11 juni 2019 had gesteld. Bij prejudiciële beslissing van 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2036 (hierna te noemen: tweede prejudiciële beslissing) heeft de Hoge Raad antwoord gegeven op de vragen.

1.6

Eerder had het Hof prejudiciële vragen gesteld die door de Hoge Raad zijn beantwoord bij prejudiciële beslissing van 19 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:59, NJ 2018/227 (hierna te noemen: eerste prejudiciële beslissing).

1.7

De IND heeft een aanvullend advies van 3 februari 2020, met producties, uitgebracht.

1.8

Op de zitting van 14 februari 2020 heeft verzoekster een memorie na prejudiciële beslissing ingediend.

1.9

Beschikking is bepaald op heden.

2. Beoordeling

2.1

Uitgegaan wordt van de volgende feiten:

i. Verzoekster is op [datum] 1989 in [plaats] in de Verenigde Staten geboren.

ii. Haar geboorteakte, ‘filed’ op [datum] 1990 (productie 1 bij inleidend verzoekschrift), vermeldt dat haar vader is: ‘[erkenner]’ (hierna: de man), hetgeen duidt op een erkenning naar Sint Maartens recht.

iii. De man had ten tijde van de erkenning de Nederlandse nationaliteit, de moeder van verzoekster destijds niet.

iv. Ten tijde van de erkenning was de man gehuwd met een andere vrouw dan de moeder van verzoekster. Dit huwelijk is op [datum] 1991 door echtscheiding ontbonden.

v. De man is op [datum] 1998 in Dominica gehuwd met de moeder van verzoekster.

vi. De moeder van verzoekster is bij Koninklijk Besluit van [datum] 2005 genaturaliseerd tot Nederlander. Verzoekster is niet als minderjarig kind meegenaturaliseerd omdat men ervan uitging dat verzoekster al door de erkenning door de man Nederlander was geworden.

vii. Blijkens een DNA-rapportage (productie 10 bij inleidend verzoekschrift) is de man de biologische vader van verzoekster.

viii. In 2018 hebben de met de uitvoering van de RWN belaste autoriteiten geweigerd het Nederlands paspoort van verzoekster te verlengen.

2.2

Het standpunt van de met de uitvoering van de RWN belaste autoriteiten dat verzoekster geen Nederlander is, berust op de grond dat de man ten tijde van de erkenning gehuwd was met een andere vrouw dan de moeder van verzoekster.

2.3

Ten tijde van de erkenning van verzoekster door de man (op 26 februari 1990) bepaalde artikel 4 lid 1 RwNed dat ‘Nederlander wordt de minderjarige vreemdeling die door een Nederlander wordt erkend’. Thans volgt uit artikel 4 lid 2 en lid 4 RwNed dat een erkenning door een Nederlander slechts onder aanvullende voorwaarden tot het Nederlanderschap leidt. Artikel 4 (oud en huidig) RwNed verbindt de verkrijging van het Nederlanderschap niet alleen aan een erkenning van een minderjarige die door een Nederlander in het Koninkrijk is gedaan, maar ook aan een door een Nederlander in het buitenland gedane erkenning, indien deze buitenslands tot stand gekomen rechtshandeling van erkenning in aanmerking komt voor erkenning in een land van het Koninkrijk, zoals in dit geval Sint Maarten.

2.4

Het ongeschreven internationaal privaatrecht van Sint Maarten in deze komt overeen met het bepaalde in de artikelen 10:100 en 10:101 BW-NL en moet op dezelfde wijze worden uitgelegd als voornoemde bepalingen van het BW-NL. Dit strookt met het in artikel 39 lid 1 van het Statuut voor het Koninkrijk neergelegde concordantiebeginsel, dat ertoe strekt het burgerlijk recht binnen het Koninkrijk zoveel mogelijk op overeenkomstige wijze te regelen (eerste prejudiciële beslissing, rov. 3.4.2).

2.5

Ingevolge artikel 10:101 lid 1 BW-NL in verbinding met artikel 10:100 lid 1 BW-NL worden buitenslands tot stand gekomen rechtsfeiten of rechtshandelingen waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld of gewijzigd, en die zijn neergelegd in een door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte akte, in Nederland van rechtswege erkend. Artikel 10:101 leden 1 en 2 BW-NL in verbinding met artikel 10:100 lid 1, onderdeel c, BW-NL bepaalt dat de erkenning echter achterwege blijft indien zij kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde. Ingevolge artikel 10:101 lid 2 onder c BW-NL is een buitenlandse erkenning verricht door een Nederlander die naar Nederlands recht niet bevoegd zou zijn het kind te erkennen in elk geval in strijd met de openbare orde.

2.6

Het tot 15 januari 2001 in Sint Maarten geldende artikel 330 lid 1, aanhef en onder b, BW-NA (oud) bepaalde:

1. Een erkenning is nietig, indien zij is gedaan:

(…)

b. door een gehuwde man, wiens huwelijk meer dan 306 dagen voor de geboortedag van het kind is voltrokken;.

2.7

Dat de man mogelijkerwijs ten tijde van de erkenning zijn gewone verblijfplaats in de Verenigde Staten had, is hier niet van belang. De omstandigheid dat de verwijzingsregel van art. 7 Algemeene bepalingen der wetgeving leidt tot aanknoping bij de gewone verblijfplaats van de erkenner, is in het kader van de erkenning van een in het buitenland gedane erkenning irrelevant. Ook overigens is bij de toepassing van art. 10:101 lid 1 BW in verbinding met art. 10:100 lid 1 BW – welke bepalingen het ongeschreven internationaal privaatrecht van Sint Maarten weergeven – niet van belang in welk land de erkenner zijn gewone verblijfplaats had ten tijde van de erkenning van het kind. Zie de tweede prejudiciële beslissing rov. 2.5.1-2.5.5.

2.8

Verzoekster heeft beroep gedaan op de bescherming van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In de tweede prejudiciële beslissing heeft de Hoge Raad ter verduidelijking van zijn eerste prejudiciële beslissing omtrent artikel 8 EVRM overwogen:

2.6.3

(…)

( i) Het ongeclausuleerde erkenningsverbod van art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA (oud) moet naar hedendaagse maatstaven worden beschouwd als een ontoelaatbare inbreuk op het door art. 8 lid 1 EVRM beschermde recht op privéleven van de verwekker en op dat van het kind.

(ii) Art. 8 EVRM kan meebrengen dat het ongeclausuleerde erkenningsverbod in een concreet geval buiten toepassing moet blijven.

(iii) Aan een erkenning die in het buitenland is gedaan vóór het tijdstip waarop art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA (oud) is vervallen (voor Curaçao, Sint Maarten en de BES-eilanden op 15 januari 2001, voor Aruba op 1 januari 2002), komen in Curaçao, Aruba, Sint Maarten en de BES-eilanden in beginsel rechtsgevolgen toe met ingang van het tijdstip waarop die wetsbepaling is vervallen.

(iv) Hetgeen hiervoor onder (iii) is overwogen, sluit niet uit dat aan een erkenning die in het buitenland is gedaan vóór het tijdstip waarop art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA (oud) is vervallen, in Curaçao, Aruba, Sint Maarten en de BES-eilanden rechtsgevolgen, zoals familierechtelijke rechtsgevolgen, toekomen met ingang van een tijdstip dat is gelegen vóór het tijdstip waarop die wetsbepaling is vervallen.

( v) Hetgeen hiervoor onder (iii) en (iv) is overwogen, laat onverlet dat art. 4 (oud en huidig) RWN in verbinding met art. 2 lid 1 (oud en huidig) RWN aldus moet worden uitgelegd dat geen nationaliteitsrechtelijke gevolgen toekomen aan een in het buitenland verrichte erkenning die op het moment waarop zij werd gedaan in strijd was met art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA (oud), waardoor de erkenning daarvan in Curaçao, Aruba, Sint Maarten en de BES-eilanden afstuitte op de weigeringsgrond van de openbare orde. Een dergelijke buitenlandse erkenning leidt niet tot het Nederlanderschap: noch op het tijdstip waarop art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA (oud) is vervallen, noch op enig voordien gelegen tijdstip, noch op enig nadien gelegen tijdstip.

2.6.4

(…). Ook indien art. 8 EVRM ertoe dwingt om in een concreet geval het ongeclausuleerde erkenningsverbod van art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA (oud) buiten toepassing te laten, leidt dat naar huidig recht niet ertoe dat aan een in het buitenland verrichte erkenning die in strijd met dat erkenningsverbod is gedaan, op enig tijdstip het rechtsgevolg is verbonden van de verkrijging van het Nederlanderschap ingevolge art. 4 (oud en huidig) RWN.

2.9

De werking van artikel 8 EVRM kan dus wel in beginsel ertoe hebben geleid dat tussen verzoeker en de man een familierechtelijke betrekking is ontstaan ten tijde van de erkenning – deze kwestie is in de onderhavige procedure niet aan de orde – maar kan niet tot het Nederlanderschap door de erkenning hebben geleid.

2.10

Blijkens de tweede prejudiciële beslissing (rov. 2.7.1-2.8.3) kan ‘bezit van staat’ als kind van de man als bedoeld in artikel 1:209 BW wel tot het Nederlanderschap leiden. De Hoge Raad overwoog:

2.7.2

Bij de beantwoording van deze prejudiciële vraag dient tot uitgangspunt dat – anders dan besloten ligt in de toelichting van het hof op zijn vraagstelling – de Hoge Raad zich in zijn hiervoor in 2.5.2 en 2.6.2 vermelde prejudiciële uitspraak van 19 januari 2018 niet heeft uitgelaten over de betekenis van bezit van staat of bekrachtiging van de erkenning in verband met de verkrijging van het Nederlanderschap. In de zaak die heeft geleid tot die prejudiciële uitspraak, lag uitsluitend de vraag voor of het Nederlanderschap was verkregen door, kort gezegd, de enkele erkenning in Sint Maarten van een in het buitenland gedane erkenning (zie rov. 3.2.1-3.2.2 van die uitspraak).

De hiervoor in 2.5.4 vermelde uitspraak van de Hoge Raad van 19 mei 2017 ziet evenmin op de betekenis van bezit van staat of bekrachtiging van de erkenning in verband met de verkrijging van het Nederlanderschap, maar uitsluitend op, kort gezegd, de mogelijke verkrijging van het Nederlanderschap ingevolge geboorte (zie rov. 3.4.1-3.4.2 van die uitspraak).

Ten slotte heeft de Hoge Raad in zijn hiervoor in 2.6.3 vermelde uitspraak van 21 december 2018 uitsluitend geoordeeld over de mogelijke verkrijging van het Nederlanderschap ingevolge een in het buitenland gedane erkenning (zie rov. 3.2.1 van die uitspraak).

2.8.1

Art. 1:209 BWC (gelijkluidend aan art. 1:209 BW) bepaalt dat iemands afstamming volgens zijn geboorteakte door een ander niet kan worden betwist, indien hij een staat overeenkomstig die akte heeft. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is sprake van zogeheten bezit van staat in de zin van deze bepaling indien de wijze waarop iemand met een zekere duurzaamheid aan het maatschappelijk verkeer deelneemt, naar zijn uiterlijke vorm erop duidt dat hij in een bepaalde familiebetrekking staat tot een ander.[noot 4:

HR 7 november 2003, ECLI:NL:2003:AI0360, rov. 3.4; HR 21 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB5084, rov. 3.5; HR 9 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9884, rov. 5.3.2]

2.8.2

De Hoge Raad heeft eerder beslist dat de rechtszekerheid en de bescherming van het belang van het kind die bezit van staat als bedoeld in art. 1:209 BW beoogt te bieden, zich mede uitstrekken tot een buitenlandse geboorteakte waaraan een gebrek kleeft.[noot 5: HR 9 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9884, rov. 5.3.6] Dit geldt ook indien het gebrek in de buitenlandse geboorteakte erin is gelegen dat de daarin vastgelegde erkenning van het kind door een gehuwde man nietig is op grond van schending van het erkenningsverbod van art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA (oud).[noot 6: HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:179, rov. 3.5, en HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:186, rov. 3.5] Daarbij is tevens aanvaard dat, indien met een geslaagd beroep op bezit van staat het vaderschap van de erkenner komt vast te staan, diens Nederlanderschap ertoe leidt dat het door hem in het buitenland erkende kind het Nederlanderschap verkrijgt.[noot 7: HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:186, rov. 3.6]

2.8.3

Indien sprake is van een in het buitenland gedane erkenning in strijd met het erkenningsverbod van art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA (oud), vindt de hiervoor in 2.8.2 bedoelde verkrijging van het Nederlanderschap die is verbonden aan een geslaagd beroep op bezit van staat, van rechtswege plaats op het tijdstip van de erkenning die in de buitenlandse geboorteakte is vermeld. Hieraan staat niet in de weg dat de Hoge Raad in zijn uitspraak van 19 januari 2018 (zie de hiervoor in 2.6.2 aangehaalde overwegingen) heeft geoordeeld dat de gevolgen van een erkenning voor de verkrijging van het Nederlanderschap moeten worden beoordeeld naar het tijdstip waarop die erkenning plaatsvindt, en evenmin dat de in het buitenland gedane erkenning in een geval als in deze zaak aan de orde is, op zichzelf beschouwd nietig is op grond van schending van het erkenningsverbod en niet voor erkenning in het Koninkrijk in aanmerking komt. Een geslaagd beroep op bezit van staat brengt immers mee dat het gebrek in de buitenlandse geboorteakte, die het gevolg is van de nietige erkenning, niet tegen de betrokken persoon kan worden ingeroepen. In dat geval berust het rechtsgevolg van de verkrijging van het Nederlanderschap op het tijdstip van de in het buitenland gedane erkenning op de toepassing van art. 1:209 BWC in verbinding met de art. 4 en 2 lid 1 (oud en huidig) RWN, en is dat rechtsgevolg door de wetgever dus aanvaard.

2.11

De producties bij inleidend verzoekschrift en bij de ‘memorie na cassatie’ (bedoeld is: na prejudiciële beslissing) duiden genoegzaam op ‘bezit van staat’ van verzoekster als kind van de man. Dat de man wellicht in Haïti ook gehuwd is omdat hij daar een kind heeft (advies IND 3 februari 2020, p. 2-3), is weersproken en te speculatief om in aanmerking te nemen.

2.12

Ook bekrachtiging van de nietige erkenning komt in het onderhavige geval in aanmerking. De Hoge Raad overwoog dienaangaande in zijn tweede prejudiciële beslissing:

2.9.1

De Hoge Raad heeft eerder beslist dat de erkenning van een kind die nietig is op grond van schending van het erkenningsverbod van art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA (oud), kan worden bekrachtigd op de voet van art. 3:58 lid 1 in verbinding met art. 3:59 BWC (gelijkluidend aan art. 3:58 lid 1 en 3:59 BW).8 Daarbij is tevens aanvaard dat indien door bekrachtiging van de erkenning het vaderschap van de erkenner komt vast te staan, diens Nederlanderschap ertoe leidt dat het door hem in het buitenland erkende kind het Nederlanderschap verkrijgt.[noot 9: HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:186, rov. 3.6]

2.9.2

Indien sprake is van een in het buitenland gedane erkenning in strijd met het erkenningsverbod van art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA (oud), vindt de hiervoor in 2.9.1 bedoelde verkrijging van het Nederlanderschap die is verbonden aan de bekrachtiging van de erkenning, van rechtswege plaats op het tijdstip van de erkenning die in de buitenlandse geboorteakte is vermeld. Ook hieraan staat niet in de weg hetgeen de Hoge Raad heeft geoordeeld in de hiervoor in 2.6.2 aangehaalde overwegingen in zijn uitspraak van 19 januari 2018. De bekrachtiging heeft immers terugwerkende kracht tot het tijdstip waarop de erkenning van het kind in het buitenland is gedaan, zodat die erkenning vanaf dat tijdstip als steeds rechtsgeldig moet worden aangemerkt. In dat geval berust het rechtsgevolg van de verkrijging van het Nederlanderschap op het tijdstip van de in het buitenland gedane erkenning op de toepassing van art. 3:58 lid 1 BWC in verbinding met art. 3:59 BWC en de art. 4 en 2 lid 1 (oud en huidig) RWN, en is dat rechtsgevolg door de wetgever dus aanvaard.

2.13

De man (vader van verzoeker) is op [datum] 1991 van echt gescheiden van de andere vrouw dan de moeder van verzoekster. Daarmee is de nietigheidsgrond weggevallen. Geen van de onmiddellijk belanghebbenden heeft zich in het tijdvak tussen het verrichten van de onderhavige rechtshandeling (de erkenning) en de vervulling van een voor haar geldigheid gesteld wettelijk vereiste (dat de man niet is gehuwd met een ander dan de moeder), op de nietigheid beroepen of zich gedragen op een wijze die onverenigbaar is met de geldigheid van de erkenning. Voorwaarde is niet dat het bevolkingsregister en de burgerlijke stand van Sint Maarten van het een of ander op de hoogte waren (advies IND 3 februari 2020, p. 3) en zij de geldigheid ook effectief hebben kunnen betwisten. De enkele afwezigheid van contraire gedragingen is voldoende (vgl. HR 28 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3460 rov. 3.6.2) .

2.14

De man is op [datum] 1998 in Dominica gehuwd met de moeder van verzoekster. De vraag of verzoekster daarmee gewettigd is laat het Hof in het midden, gelet op hetgeen door de IND is aangevoerd omtrent de wetgeving van Dominica (advies 19 november 2019, p. 4).

2.15

Uit het voorgaande volgt dat het verzoek op twee zelfstandige gronden moet worden ingewilligd.

3 Beslissing

Het Hof stelt vast dat verzoekster het Nederlanderschap bezit vanaf 26 februari 1990.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.W. Scholte, F.W.J. Meijer en J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten op 20 maart 2020 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.