Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2020:45

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
20-03-2020
Datum publicatie
27-03-2020
Zaaknummer
GHIS 76493 - HAR 58/15 - SXM2015H00024
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Rw Ned. erkenning gehuwde man. eindbeschikking na twee prejudiciële beslissingen HR.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BURGERLIJKE ZAKEN OVER 2020 BESCHIKKING NO.

ZAAKNRS: GHIS 76493 - HAR 58/15 - SXM2015H00024
UITSPRAAK: 20 maart 2020

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Beschikking in de zaak van:

1 [Verzoeker],

wonende in Sint Maarten,

hierna te noemen: verzoeker,

gemachtigde: mr. N. de la Rosa,

andere belanghebbenden:

2. het Openbaar Ministerie,

3. de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Nederlandse Ministerie van Veiligheid en Justitie ([e-mailadres 1]),

4. de Minister van Justitie,

5. de Minister van Algemene Zaken,

6. het Hoofd van de basisadministratie persoonsgegevens.

1 Verder verloop van de procedure

1.1

Voor het verloop tot dan toe verwijst het Hof naar zijn tussenbeschikkingen van 3 maart 2017 en 12 mei 2017.

1.2

In laatstgenoemde tussenbeschikking heeft het Hof prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad der Nederlanden.

1.3

Bij prejudiciële beslissing van 19 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:59, NJ 2018/227

(hierna te noemen: eerste prejudiciële beslissing) heeft de Hoge Raad antwoord gegeven op de vragen.

1.4

De Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Nederlandse Ministerie van Justitie en Veiligheid (IND) heeft een advies van 18 maart 2019 gegeven.

1.5

Bij tussenbeschikking van 11 juni 2019 heeft het Hof in twee andere zaken (CUR2018H00415 en CUR2018H00417) wederom prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad. Het Hof heeft partijen medegedeeld te willen wachten op de beantwoording daarvan door de Hoge Raad, aangezien deze ook relevant is in de onderhavige zaak.

1.6

Bij prejudiciële beslissing van 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2036 (hierna to noemen: tweede prejudiciële beslissing) heeft de Hoge Raad antwoord gegeven op de vragen.

1.7

De IND heeft een advies van 9 januari 2020 uitgebracht.

1.8

Op de zitting van 14 februari 2020 heeft verzoeker afgezien van het indienen van een memorie.

1.9

Beschikking is bepaald op heden.

2. Beoordeling

2.1

Uitgegaan wordt van de volgende feiten:

i. Verzoeker is op [geboortedatum] [geboortejaar] in de Dominicaanse Republiek geboren
uit een Dominicaanse moeder.

ii De geboorteaangifte heeft (tardief) plaatsgevonden op 6 juni 1990 door
[Naam 1] (hierna: de man), waarbij in de geboorteakte is vermeld: "quien es el padre". Een dergelijke vermelding kan naar het recht van de Dominicaanse Republiek als erkenning worden aangemerkt.

iii. De man had ten tijde van de erkenning de Nederlandse nationaliteit, had
destijds kennelijk zijn gewone verblijfplaats in Sint Maarten en was toen gehuwd met een andere vrouw dan de moeder van verzoeker; met die andere vrouw is hij nog steeds gehuwd.

2.2

Verzoeker verzoekt in deze zaak op de voet van artikel 17 Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: RwNed) om vaststelling van zijn Nederlanderschap. Verzoeker heeft daartoe aangevoerd dat hij het Nederlanderschap heeft verkregen doordat hij door de man is erkend en de man ten tijde van die erkenning de Nederlandse nationaliteit had.

2.3

Ten tijde van de erkenning van verzoeker door de man (op 6 juni 1990) bepaalde artikel 4 lid 1 RwNed dat `Nederlander wordt de minderjarige vreemdeling die door een Nederlander wordt erkend'. Thans volgt uit artikel 4 lid 2 en lid 4 RwNed dat een erkenning door een Nederlander slechts onder aanvullende voorwaarden tot het Nederlanderschap leidt. Artikel 4 (oud en huidig) RwNed verbindt de verkrijging van het Nederlanderschap niet alleen aan een erkenning van een minderjarige die door een Nederlander in het Koninkrijk is gedaan, maar ook aan een door een Nederlander in het buitenland gedane erkenning, indien deze buitenslands tot stand gekomen rechtshandeling van erkenning in aanmerking komt voor erkenning in een land van het Koninkrijk, zoals in dit geval Sint Maarten.

2.4

Het ongeschreven internationaal privaatrecht van Sint Maarten in deze komt overeen met het bepaalde in de artikelen 10:100 en 10:101 BW-NL en moet op dezelfde wijze worden uitgelegd als voornoemde bepalingen van het BW-NL. Dit

2

strookt met het in artikel 39 lid 1 van het Statuut voor het Koninkrijk neergelegde concordantiebeginsel, dat ertoe strekt het burgerlijk recht binnen het Koninkrijk zoveel mogelijk op overeenkomstige wijze te regelen (eerste prejudiciële beslissing, rov. 3.4.2).

2.5

Ingevolge artikel 10:101 lid 1 BW-NL in verbinding met artikel 10:100 lid 1 BW-NL worden buitenslands tot stand gekomen rechtsfeiten of rechtshandelingen waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld of gewijzigd, en die zijn neergelegd in een door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte akte, in Nederland van rechtswege erkend. Artikel 10:101 leden 1 en 2 BW-NL in verbinding met artikel 10:100 lid 1, onderdeel c, BW-NL bepaalt dat de erkenning echter achterwege blijft indien zij kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde. Ingevolge artikel 10:101 lid 2 onder c BW-NL is een buitenlandse erkenning verricht door een Nederlander die naar Nederlands recht niet bevoegd zou zijn het kind te erkennen in elk geval in strijd met de openbare orde.

2.6

Het tot 15 januari 2001 in Sint Maarten geldende artikel 330 lid 1, aanhef en onder b, BW-NA (oud) bepaalde:

I. Een erkenning is nietig, indien zij is gedaan:
(. • .)

b. door een gehuwde man, wiens huwelijk meer dan 306 dagen voor de geboortedag van het kind is voltrokken;.

2.7

Verzoeker heeft beroep gedaan op de bescherming van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In de tweede prejudiciële beslissing heeft de Hoge Raad ter verduidelijking van zijn eerste prejudiciële beslissing omtrent artikel 8 EVRM overwogen:

2.6.3

(• • .)

( i) Het ongeclausuleerde erkenningsverbod van art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA (oud) moet naar hedendaagse maatstaven worden beschouwd als een ontoelaatbare inbreuk op het door art. 8 lid I EVRM beschermde recht op privéleven van de verwekker en op dat van het kind.

(ii) Art. 8 EVRM kan meebrengen dat het ongeclausuleerde erkenningsverbod in een concreet geval buiten toepassing moet blijven.

(iii) Aan een erkenning die in het buitenland is gedaan voor het tijdstip waarop art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA (oud) is vervallen (voor Curaçao, Sint Maarten en de BES-eilanden op 15 januari 2001, voor Aruba op 1 januari 2002), komen in Curaçao, Aruba, Sint Maarten en de BES-eilanden in beginsel rechtsgevolgen toe met ingang van het tijdstip waarop die wetsbepaling is vervallen.

(iv) Hetgeen hiervoor onder (iii) is overwogen, sluit niet uit dat aan een erkenning die in het buitenland is gedaan \Mor het tijdstip waarop art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA (oud) is vervallen, in Curaçao, Aruba, Sint Maarten en de BES-eilanden rechtsgevolgen, zoals familierechtelijke rechtsgevolgen, toekomen met ingang van een tijdstip dat is gelegen voor het tijdstip waarop die wetsbepaling is vervallen.

( v) Hetgeen hiervoor onder (iii) en (iv) is overwogen, laat onverlet dat art. 4 (oud en huidig) RWN in verbinding met art. 2 lid 1 (oud en huidig) RWN aldus moet worden uitgelegd dat geen nationaliteitsrechtelijke gevolgen toekomen aan een in het buitenland verrichte erkenning

3

die op het moment waarop zij wend gedaan in strijd was met art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA (oud), waardoor de erkenning daarvan in Curaçao, Aruba, Sint Maarten en de BES-eilanden afstuitte op de weigeringsgrond van de openbare orde. Een dergelijke buitenlandse erkenning leidt niet tot het Nederlanderschap: noch op het tijdstip waarop art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA (oud) is vervallen, noch op enig voordien gelegen tijdstip, noch op enig nadien gelegen tijdstip.

2.6.4

(...). Ook indien art. 8 EVRM ertoe dwingt om in een concreet geval het ongeclausuleerde erkenningsverbod van art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA (oud) buiten toepassing te laten, leidt dat naar huidig recht niet ertoe dat aan een in het buitenland verrichte erkenning die in strijd met dat erkenningsverbod is gedaan, op enig tijdstip het rechtsgevolg is verbonden van de verkrijging van het Nederlanderschap ingevolge art. 4 (oud en huidig) RWN.

2.8

De werking van artikel 8 EVRM kan dus wel in beginsel ertoe hebben geleid dat tussen verzoeker en de man een familierechtelijke betrekking is ontstaan ten tijde van de erkenning — deze kwestie is in de onderhavige procedure niet aan de orde —maar kan niet tot het Nederlanderschap door de erkenning hebben geleid.

2.9

Blijkens de tweede prejudiciële beslissing (rov. 2.7.1-2.8.3) kan `bezit van staat' als kind van de man als bedoeld in artikel 1:209 BW wel tot het Nederlanderschap leiden, maar het Hof heeft in zijn tussenbeschikking van 3 maart 2017, rov. 2.8 geoordeeld dat er onvoldoende bewijsmateriaal is overgelegd waaruit kan worden geconcludeerd tot `bezit van staat'.

2.10

De man (vader van verzoeker) is nog steeds gehuwd met een andere vrouw dan de moeder van verzoeker. Er bestaat geen aanleiding in dit geval bekrachtiging van de erkenning als bedoeld in artikel 3:58 lid 1 in verbinding met art. 3:59 BW (waarover de tweede prejudiciële beslissing, rov. 2.9.1-2.9.2) of wettiging (waarover de tweede prejudiciële beslissing, rov. 2.11.1-2.11.4) aan te nemen.

2.11

Het recht van de Europese Unie kan verzoeker evenmin soelaas brengen, zoals is geoordeeld in de tweede prejudiciële beslissing, rov. 2.12.1-2.12.5.

2.12

Uit het voorgaande volgt dat het verzoek moet worden afgewezen.

3. Beslissing

Het Hof wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.W. Scholte, F.W.J. Meijer en J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten op 20 maart 2020 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

4