Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2020:41

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
17-03-2020
Datum publicatie
27-03-2020
Zaaknummer
CUR201900131, CUR2019H00084, CUR2019H00087, CUR2019H00424, CUR201602059, CUR201601408, CUR2019H00112 en CUR2020H00025
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Verzet griffierecht direct geldelijk belang in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2020 Vonnis no.:

Registratienummers: CUR201900131 (eerste aanleg) – CUR2019H00084 en CUR2019H00087 (hoger beroep) – CUR2019H00424 (verzet griffierecht)

en

CUR201602059 en CUR201601408 (eerste aanleg) – CUR2019H00112 (hoger beroep) – CUR2020H00025 (verzet griffierecht)

Uitspraak: 17 maart 2020

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

B E S C H I K K I N G

op het verzet ex artikel 35 lid 3 Ltbz in de zaak CUR2019H00424 van:

1 de erven van [NAAM 1],

2. de naamloze vennootschap MISS ANN BOAT-TRIPS AND RENTALS N.V.,

3. de naamloze vennootschap SECOND CHANCE WATERSPORTS N.V.,

wonende respectievelijk gevestigd in Curaçao, domicilie gekozen hebbende bij hun gemachtigden,

hierna gezamenlijk te noemen: de erven [naam 1] c.s.,

gemachtigden: mrs. M.G. Woudstra en H.M. Weijand,

tegen

DE GRIFFIER van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba,

hierna: de griffier,

en op het verzet ex artikel 35 lid 3 Ltbz in de zaak CUR2020H00025 van:

1 de erven van [NAAM 1],

2. de naamloze vennootschap MISS ANN BOAT-TRIPS AND RENTALS N.V.,

wonende respectievelijk gevestigd in Curaçao, domicilie gekozen hebbende bij hun gemachtigden,

hierna gezamenlijk te noemen: de erven [naam 1] c.s.,

gemachtigden: mrs. M.G. Woudstra en H.M. Weijand,

tegen

DE GRIFFIER van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba,

hierna: de griffier,

1. Het verloop van de procedure

Verzet CUR2019H00424

1.1.

De oorspronkelijk gedaagden [naam 1] c.s. – [naam 1] was toen nog in leven – zijn bij akte van hoger beroep op 15 maart 2019 in hoger beroep gekomen van het kort gedingvonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 25 februari 2019 tussen hen als gedaagden en Woerdeman c.s. als eisers.

1.2.

Ter gelegenheid van het indienen van de memorie van grieven is NAf 900,- aan griffierecht betaald.

1.3.

De griffier heeft echter op 28 november 2019 NAf 14.100,- aan griffierecht nageheven. Dit bedrag is door de erven [naam 1] c.s. voldaan.

1.4.

Op 12 december 2019 hebben de erven [naam 1] c.s. tijdig een verzetschrift ex artikel 35 lid 3 Landsbesluit tarieven in burgerlijke zaken (Ltbz) ingediend en het Hof verzocht om het griffierecht vast te stellen op NAf 900,-, de griffier te bevelen tot restitutie van NAf 14.100,- met wettelijke rente vanaf 28 november 2019, met veroordeling van het Hof in de kosten van het verzet.

1.5.

De griffier heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het Hof.

Verzet CUR2020H00025

1.6.

De oorspronkelijk gedaagden [naam 1] c.s. – [naam 1] was toen nog in leven – zijn bij akte van hoger beroep op 5 april 2019 in hoger beroep gekomen van het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van het vonnis van 25 februari 2019 tussen hen als gedaagden en Spanish Water Resort N.V. (SWR) als eiseres.

1.7.

Ter gelegenheid van het indienen van de memorie van grieven is NAf 900,- aan griffierecht betaald.

1.8.

De griffier heeft echter op 28 november 2019 NAf 14.100,- aan griffierecht nageheven. De griffier heeft een termijn voor betaling gesteld. Het nageheven bedrag is door de erven [naam 1] c.s. voldaan.

1.9.

Op 31 januari 2020 hebben de erven [naam 1] c.s. tijdig een verzetschrift ex artikel 35 lid 3 Landsbesluit tarieven in burgerlijke zaken (Ltbz) ingediend en het Hof verzocht om het griffierecht vast te stellen op NAf 900,- en de griffier te bevelen tot restitutie van NAf 14.100,- met wettelijke rente vanaf 14 januari 2020, met veroordeling van het Hof in de kosten van het verzet.

1.10.

De griffier heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het Hof.

2. De beoordeling van beide verzetten

2.1.

Het gaat hier om de toepassing van artikel 30 lid 3 Ltbz, luidende:

3. In de gevallen waarin het tweede lid niet van toepassing is, is een vast recht verschuldigd van f 450,--, tenzij de eisende partij een direct geldelijk belang heeft dat op een bepaald bedrag kan worden gewaardeerd. In het laatste geval is het tweede lid van overeenkomstige toepassing.

2.2.

Ingevolge artikel 20 lid 7 Ltbz bedraagt het vast recht bij het Hof, dus inclusief een hoger beroep, het tweevoud van dat bij het Gerecht.

2.3.

De erven [naam 1] c.s. stellen dat in beide zaken de inleidende vordering was: het stopzetten van hinder, hetgeen van onbepaalde waarde is. Ingevolge de hoofdregel vervat in artikel 20 lid 3 Ltbz was in eerste aanleg een griffierecht van NAf 450,- verschuldigd, hetgeen ook is geheven bij Woerdeman c.s. en SWR. Volgens de erven [naam 1] c.s. geldt in hoger beroep nog steeds dat in beide zaken de vordering van onbepaalde waarde is.

2.4.

Naar het oordeel van het Hof moet in hoger beroep zelfstandig worden beoordeeld of sprake is van onbepaalde waarde dan wel dat de ‘eisende partij’ een direct geldelijk belang heeft dat op een bepaald bedrag kan worden gewaardeerd. In hoger beroep geldt de appellant als de ‘eisende partij’. Ook ingevolge het Nederlandse recht, waarop de erven [naam 1] c.s. een beroep doen, geldt dat de hoogte van het griffierecht wordt bepaald aan de hand van de vordering in de appeldagvaarding dan wel in het beroepschrift (artikel 10 Wet griffierechten in burgerlijke zaken; zie ook de conclusie van de Advocaat-Generaal De Bock, ECLI:NL:PHR:2017:287, onder 2.6). Ook in Nederland kan sedert de inwerkingtreding van de Wet griffierechten in burgerlijke zaken de griffier ‘door de vordering heen kijken’ (De Bock, onder 2.5). In Curaçao kan dat al sedert het jaar 2000 (P.B. 2000, no. 55).

2.5.

Het is dus denkbaar dat in eerste aanleg een hoger of lager direct geldelijk belang geldt dan in hoger beroep (bijvoorbeeld: eiser vordert betaling van NAf 100.000, de eerste rechter wijst NAf 60.000 toe, de gedaagde gaat in hoger beroep want hij meent dat de eerste rechter slechts NAf 50.000 had mogen toewijzen; het geldelijk belang in hoger beroep is dan slechts NAf 10.000 en niet NAf 100.000).

2.6.

Ook is denkbaar dat in eerste aanleg een onbepaalde waarde geldt en in hoger beroep een direct geldelijk belang dat op een bepaald bedrag kan worden gewaardeerd. Dit laatste doet zich in de onderhavige zaken voor. In eerste aanleg hadden de eisers (de omwonenden Woerdeman c.s., onderscheidenlijk de ontwikkelaar SWR) stopzetting van hinder gevorderd, hetgeen van onbepaalde waarde is. Het Gerecht heeft verboden en bevelen gegeven waardoor de bedrijfsuitoefening door de erven [naam 1] c.s. vanuit het pand in Jan Sofat (grotendeels) onmogelijk werd. In hoger beroep vorderen de erven [naam 1] c.s. dat de verboden en bevelen worden vernietigd waardoor de oorspronkelijke bedrijfsuitoefening weer mogelijk wordt. Het belang om het bedrijf uit te oefenen vanuit het pand is een direct geldelijk belang dat op een bepaald bedrag kan worden gewaardeerd.

2.7.

Omdat in beide zaken een aantal van 10.000 passagiers per jaar was genoemd, heeft de griffier het direct geldelijk belang geschat op meer dan NAf 750.000,-. Als dit al te hoog zou zijn, dan had het op de weg van de erven [naam 1] c.s. gelegen de schatting cijfermatig te bestrijden, hetgeen niet is geschied.

2.8.

Dat een van de zaken een kort geding is, maakt voor de hoogte van het griffierecht niet uit. Dit is vaste praktijk van het Hof. Zie artikel 129 van het Procesreglement 2018:

Artikel 129. Direct geldelijk belang in kort geding

Indien in kort geding een bepaald bedrag wordt gevorderd of indien in kort geding de eisende partij een direct geldelijk belang heeft dat op een bepaald bedrag kan worden gewaardeerd, is het bedrag bepalend (artikel 20 lid 3 Ltbz, tweede zin). Het tarief van f. 450 [BES:$ 251] geldt dus niet altijd in kort geding.

2.9.

Voor het overige verwijst het Hof naar zijn uitspraak van 4 februari 2003, ECLI:NL:OGHNAA:2003:1, TAR-Justicia 2003/1, p. 61, waarin onder meer is overwogen:

3.7.

Naar het oordeel van het Hof is het, in de beschikking waarbij verlof tot conservatoir beslag is verleend uitgedrukte, “bedrag der schuldvordering, tot welker verzekering het beslag mag worden gelegd” als bedoeld in artikel 592 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering een goede indicatie van het bestaan en het beloop van de waardering van een direct geldelijk belang als bedoeld in artikel 20, derde lid, Ltbz. De eiser zelf meent kennelijk dat zijn direct geldelijk belang ten minste zo hoog is en dat het vermogen van gedaagde tot dat bedrag moet worden geïmmobiliseerd.

3.8.

Voor het hoger beroep, indien ingesteld door de oorspronkelijk eiser, geldt hetzelfde.

3.9.

Voor de oorspronkelijk gedaagde die in de hoofdprocedure in hoger beroep gaat, kan het anders liggen. Het verzet als bedoeld in de artikelen 35 en 36 Ltbz geeft de gelegenheid tot correctie, zo de griffier al niet ambtshalve, naar aanleiding van door appellant bij het instellen van het hoger beroep of het dienen van grieven gemaakte opmerkingen, het direct geldelijk belang op een lager bedrag gesteld heeft dan het maximum waarvoor het conservatoir beslag is gelegd.

3.10.

Ingevolge artikel 21, eerste lid, Ltbz wordt onder meer het vereffenen van kosten, schaden en interessen niet als een afzonderlijk geding beschouwd. Voor de vrees dat dubbel betaald moet worden, eenmaal in de hoofdprocedure en andermaal in de schadestaatprocedure, is dus geen grond.

3.11.

Wel zal, indien in de schadestaatprocedure meer gevorderd wordt dan het in de hoofdprocedure gewaardeerde direct geldelijke belang, moeten worden bijbetaald. Wordt minder gevorderd, dan wordt het griffierecht niet verminderd. Verwezen zij naar het vierde en vijfde lid van artikel 20 Ltbz.

3.12.

Ook is denkbaar dat in de hoofdprocedure te weinig betaald is, bijv. doordat - zoals in casu - ten onrechte van “onbepaalde waarde” is uitgegaan in plaats van een direct geldelijk belang, en dat wegens het rechtszekerheidsbeginsel - waarover hieronder in de rechtsoverwegingen 3.13 en 3.14 - herstel is uitgesloten. In de schadestaatprocedure - waarin een bepaalde geldsom wordt gevorderd - kan dan alsnog aanvulling worden verlangd.

3.13.

Indien te weinig griffiegeld is betaald, kan in beginsel naheffing plaatsvinden. Het Landsbesluit tarieven in burgerlijke zaken verzet zich daartegen niet. Met name voor de bepaling van het direct geldelijk belang is veelal kennis van het dossier nodig. Niet verwacht mag worden dat het met de inning van het griffiegeld belaste griffiepersoneel het dossier doorneemt. In zoverre is de bij de aanvang van de procedure in eerste aanleg onderscheidenlijk in hoger beroep plaatsvindende heffing van het griffiegeld in beginsel een voorlopige. Men kan er niet op vertrouwen dat dit anders is.

3.14.

Pas nadat de rechter, na bestudering van het dossier, eindvonnis heeft gewezen - met in voorkomende gevallen een kostenveroordeling die gebaseerd is op het betaalde griffiegeld - staat het rechtszekerheidsbeginsel aan naheffing in de weg. De betrokkenen zullen dan in beginsel de heffing als definitief mogen beschouwen en erop mogen vertrouwen dat geen aanvullende heffing zal plaatsvinden.

3.16.

In hoger beroep vindt een zelfstandige vaststelling en heffing van het griffiegeld plaats. Dat in eerste aanleg te weinig is betaald, hetgeen in verband met het rechtszekerheidsbeginsel niet kan worden hersteld, baat [naam 2] als appellant niet.

3.17.

De lijst “Tarieven griffierechten”, welke bestemd is voor het griffiepersoneel maar door de griffie op aanvraag wordt verstrekt, bevat een alfabetische trefwoordenlijst, met bij “verklaring voor recht”: 450,00, maar deze lijst is een zeer vereenvoudigde weergave - zonder ruimte voor uitzonderingen - van de inhoud van artikel 20 Ltbz en zeker niet een “uitwerking dan wel nadere specificatie” of “uitwerking van beleid” zoals in het verzetschrift bedoeld, waaraan men aanspraken kan ontlenen. Op de regel dat voor een verklaring voor recht Naf 450,- verschuldigd is, bestaat ingevolge artikel 20, derde lid, Ltbz een uitzondering indien sprake is van een direct geldelijk belang dat op een bepaald bedrag kan worden gewaardeerd. Aan deze lijst kan door de advocatuur of andere betrokkenen geen gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat van die wettelijke regeling wordt afgeweken. Reeds eerder heeft het Hof overigens niet geaccepteerd dat voor “een verklaring voor recht dat gedaagde Naf 500.000,- verschuldigd is” in hoger beroep Naf 900,- (“onbepaalde waarde”) aan griffiegeld was betaald.

3.18.

Sommige advocatenkantoren houden een depot aan bij de griffie. Een redelijke uitleg van de afspraak die daaraan ten grondslag ligt, brengt mee dat bedragen die naar het oordeel van de griffier verschuldigd zijn ingevolge de Ltbz, daarop kunnen worden afgeboekt; en dat in geval van verzet de uitkomst daarvan wordt afgewacht.

3.19.

Het nageheven bedrag aan griffiegeld is verschuldigd krachtens de wet (artikel 20 Ltbz) en de cliënt van de advocaat is deswege krachtens hun onderlinge verhouding tot vergoeding aan de advocaat gehouden. Dat neemt niet weg dat de advocaat een eigen wettelijke verplichting tot betalen heeft ingevolge artikel 44 van de Advocatenlandsverordening 1959, luidende:

“De advocaat is jegens de griffier persoonlijk aansprakelijk voor alle kosten, welke zijn cliënten verschuldigd zijn in zaken die hij heeft behandeld, of voor stukken waarvan hij opmaking of afgifte heeft verzocht.”

2.10.

Uit het voorgaande volgt dat de twee verzetten ongegrond zijn.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

verklaart in beide zaken het verzet ongegrond.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.A. Saleh, S.C. Carmelia en M.B. van den Enden, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 17 maart 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.