Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2020:319

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
03-12-2020
Datum publicatie
12-08-2021
Zaaknummer
100.00324/19; 100.00015/17 (tul) H-226/2019
Rechtsgebieden
Penitentiair strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Het binnen smokkelen van drugs in een penitentiaire inrichting. Verwerping beroep op overmacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: H-226/2019

Parketnummer: 100.00324/19; 100.00015/17 (tul)

Uitspraak: 3 december 2020 Tegenspraak

Vonnis

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: het Gerecht) van 16 oktober 2019 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats],

adres: [adres] te [woonplaats].

Hoger beroep

Het Gerecht heeft bij zijn vonnis het ten laste gelegde bewezen verklaard en de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging. Daarnaast heeft het Gerecht de vordering tot tenuitvoerlegging afgewezen.

De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal,

mr. R.H. den Haan, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. M.K.A. Hart, naar voren is gebracht.

De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis. De procureur-generaal heeft voorts gevorderd dat de proeftijd van de vordering tot tenuitvoerlegging met een jaar wordt verlengd, en als dat niet mogelijk is, dat die vordering wordt afgewezen. In dat laatstbedoelde geval acht de procureur-generaal het aangewezen dat van de door hem gevorderde werkstraf een gedeelte groot 20 uren voorwaardelijk zal worden opgelegd.

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging omdat sprake was van psychische overmacht. Subsidiair heeft de raadsman een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het Hof tot een andere beslissing komt.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op 9 juni 2019 te Sint Maarten, in zijn bezit heeft gehad en/of aanwezig heeft gehad en/of heeft aangewend, ongeveer 82,2 gram, in elk geval een hoeveelheid, hennep, althans hars die uit hennep wordt getrokken, althans een gebruikelijke bereiding waaraan de hars die uit hennep wordt getrokken ten grondslag ligt (zoals hashish), zijnde hennep een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening en/of in de Regeling aanwijzing gecontroleerde middelen.

Bewezenverklaring

Het Hof acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

hij op 9 juni 2019 te Sint Maarten, in zijn bezit heeft gehad en/of aanwezig heeft gehad en/of heeft aangewend, ongeveer 82,2 gram, in elk geval een hoeveelheid, hennep, althans hars die uit hennep wordt getrokken, althans een gebruikelijke bereiding waaraan de hars die uit hennep wordt getrokken ten grondslag ligt (zoals hashish), zijnde hennep een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening en/of in de Regeling aanwijzing gecontroleerde middelen.

Het Hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Indien tegen dit verkorte vonnis beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het Hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het vonnis. Deze aanvulling zal vervolgens aan het vonnis worden gehecht.

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 4, eerste lid, aanhef, onder b en B van de Opiumlandsverordening 1960 en strafbaar gesteld in artikel 11, tweede lid, aanhef, onder b van die verordening. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

handelen in strijd met artikel 4, eerste lid, van de Opiumlandsverordening 1960.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

De strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte een beroep op psychische overmacht toekomt. Hij heeft daartoe – naar het Hof de raadsman begrijpt – gesteld dat de verdachte direct voorafgaand aan zijn poging tot binnensmokkelen van het pakketje hennep zodanig ernstig is bedreigd dat de verdachte niet anders kon handelen dan hij heeft gedaan.

Voor een geslaagd beroep op psychische overmacht is ten eerste vereist dat de door de verdachte gestelde feiten en omstandigheden waarmee hij stelt te zijn geconfronteerd aannemelijk zijn geworden. Vervolgens ligt ten tweede de vraag ter beantwoording voor of moet worden aangenomen dat die feiten en omstandigheden voor de verdachte een zodanige drang hebben opgeleverd dat van hem redelijkerwijs niet kon worden gevergd daaraan weerstand te bieden.

Het Hof stelt vast dat de verdachte over wat aan het plegen van zijn misdrijf vooraf is gegaan sterk wisselend heeft verklaard. Daarbij komt, dat de inhoud van verdachtes verklaring zich op onderdelen niet verdraagt met wat door politieambtenaren bij proces-verbaal is vastgelegd.

De verdachte heeft beschreven dat hij in een auto is gesleurd en door drie personen in die auto is ontvoerd, mishandeld en ernstig is bedreigd en door hen is beplakt met een pakketje (waarin de marihuana was verpakt). Vervolgens is hij op de weg naar Point Blanche uit die auto geschopt. De auto is weggereden en de verdachte is aldaar alleen achtergelaten. Vervolgens zou hij de weg naar (het politiestation van) Point Blanche verder zijn gelopen, en daar aangekomen het pakket op zijn arm hebben getoond en zijn verhaal hebben gedaan.

Door hoofdagent van politie [verbalisant] is onderzoek gedaan en hij heeft zijn bevindingen neergelegd in zijn proces-verbaal van 17 juni 20191. Daaruit volgt dat de verdachte zich met een ander bij de receptie van Point Blanche heeft gemeld met het oog op hun voorgenomen bezoek aan een aldaar gedetineerd persoon. Bij gelegenheid van een fouillering bleek dat de verdachte zijn arm niet kon strekken, waarna het op die arm geplakte pakketje is ontdekt, waarop door het dienstdoend personeel de politie is gebeld. Vervolgens is de verdachte - zonder het plengen van tranen - in huilen uitgebarsten.

Verdachtes schets van de loop der dingen staat in overwegende mate op zichzelf, bevestiging daarvan kan in het dossier niet worden gevonden. Bovendien verdraagt die schets op onderdelen zich niet met wat uit onderzoek wél is gebleken, in het bijzonder op het in dit verband meest wezenlijke aspect: heeft de verdachte zichzelf direct gemeld en zijn verhaal bij het dienstdoend personeel gedaan? Die stand van zaken laat voor het Hof geen andere conclusie toe dan dat de feitelijke grondslag waarvan het beroep op psychische overmacht is voorzien niet aannemelijk is geworden en dat het beroep al daarom faalt.

Nu ook overigens niet is gebleken van feiten en omstandigheden die verdachtes strafbaarheid opheffen of uitsluiten is hij strafbaar.

Oplegging van straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft ongeveer 82 gram hennep in zijn bezit gehad en heeft geprobeerd om dit in de penitentiaire inrichting Point Blanche te smokkelen. Het gebruik van hennep kan schadelijke gevolgen hebben voor de gezondheid van de gebruikers en het gebruik hiervan is bezwarend voor de samenleving, onder meer vanwege de daarmee gepaard gaande andere vormen van criminaliteit. Het behoeft geen betoog dat het naar binnen smokkelen van contrabande, zoals hennep in een penitentiaire inrichting als zeer ernstig wordt beschouwd. Ook vanuit het oogpunt van generale preventie dient hiertegen streng te worden opgetreden.

Het Hof zoekt aansluiting bij de oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden. Daarin wordt bij het voorhanden hebben van een hoeveelheid hennep van tussen de 5 gram en 250 bij een first offender – zoals verdachte - als indicatie een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, waarvan 45 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren gegeven.

In strafverzwarende zin houdt het Hof er rekening mee dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft gepleegd terwijl voor hem een proeftijd gold uit hoofde van een eerder aan hem opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf. Zo bezien lijkt voorshands de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aangewezen te zijn. Daar staat echter het volgende tegenover.

Het van verdachtes persoonlijkheid verkregen beeld is dat hij enigszins kwetsbaar is. Met de procureur-generaal is het Hof van oordeel dat in het licht van wat over de persoon van de verdachte is gebleken, het louter benemen van verdachtes vrijheid onvoldoende het strafdoel van voorkomen van recidive dient.

Het is aldus van belang dat de aan de verdachte op te leggen straf in het bijzonder bijdraagt aan het voorkomen dat de verdachte nogmaals in de verleiding komt om (soortgelijke) strafbare feiten te plegen en aan dat doel dient de op te leggen straf in het bijzonder bij te dragen. Met oplegging van de door de procureur-generaal gevorderde werkstraf wordt dat doel niet genoegzaam bereikt.

Het Hof ziet daarom aanleiding om een gevangenisstraf van langere duur dan uit de oriëntatiepunten blijkt op te leggen doch deze aan de verdachte geheel voorwaardelijk op te leggen. Voorts zal het Hof daaraan als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringscontact verbinden. De verdachte heeft verklaard dat hij eerder contact had met de reclassering in het kader van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf en dat hij daar baat bij had.

Op grond van al het voorgaande acht het Hof na te melden straf passend en geboden.

Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

De officier van justitie heeft bij vordering van 15 juli 2019 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van het Gerecht van 1 maart 2017 (in de zaak met parketnummer 100.00015/17) opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden.

In hetgeen hiervoor in de strafmotivering is overwogen ziet het Hof aanleiding af te zien van tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf. Omdat de proeftijd reeds is verstreken, kan deze niet worden verlengd. Het Hof zal daarom conform het subsidiaire verzoek van de procureur-generaal de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:19, 1:20, 1:21 en 1:22 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het Hof:

vernietigt het vonnis van het Gerecht en doet opnieuw recht;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 4 (vier) maanden;

bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

als bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens de Stichting Reclassering Sint Maarten, zulks zolang deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt;

wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 100.00015/17 bij vonnis van het Gerecht d.d. 1 maart 2017 aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van 6 maanden voorwaardelijk.

Dit vonnis is gewezen door mrs. R. Veldhuisen, A.J.M. van Gink en W.J. Geurts-de Veld, leden van het Hof, bijgestaan door mr. A.F. van der Heide (zittings)griffier, en op 3 december 2020 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten.

mr. A.J.M. van Gink en de uitspraakgriffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Proces-verbaal van bevindingen met documentcode 20190617 van 17 juni 2019, in de wettelijke vorm opgemaakt door verbalisant [verbalisant]