Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2020:299

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
02-02-2021
Zaaknummer
CUR2018H00277
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medisch Tarief – lage vergoedingen niet ism art. Prot. Nr. 1 EVRM – niveau zorg en niveau vergoeding

formele relatie: CUR201601559

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN

ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN

BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Vonnis in de zaak van:

de besloten vennootschap LIBI DE B.V.,
gevestigd in Curaçao,

oorspronkelijk eiseres, thans appellante,

hierna te noemen: Libi,

gemachtigde: mr. M.F. Murray,

tegen

de openbare rechtspersoon

Het LAND CURAÇAO,

zetelend in Curaçao,

oorspronkelijk gedaagde, thans geïntimeerde,

hierna te noemen: het Land,

gemachtigden: mrs. S.S.J. Vierbergen.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Voor hetgeen in het vonnis in eerste aanleg is gesteld en verzocht, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao wordt verwezen naar het tussen partijen in de zaak met nummer CUR201601559 gewezen en op 25 juni 2018 uitgesproken vonnis. De inhoud van dat vonnis geldt als hier ingevoegd.

1.2.

Libi is bij akte van appel op 6 augustus 2018 in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis. In een op 17 september 2018 ingekomen memorie van grieven heeft Libi één grief opgeworpen en toegelicht. Zij heeft geconcludeerd dat het Hof het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende alsnog de vorderingen van Libi zal toewijzen met veroordeling van het Land in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep.

1.3.

Het Land heeft geen memorie van antwoord ingediend.

1.4.

Op 17 september 2019 hebben beide partijen pleitnotities met producties ingediend.

1.5.

Vonnis is nader bepaald op vandaag.

2 Ontvankelijkheid

2.1.

Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat appellante daarin kan worden ontvangen.

3 De beoordeling

3.1.

Het Gerecht heeft de volgende feiten vastgesteld:

2.1.

Totdat zij failliet werd verklaard, exploiteerde Kliniek Dr. J. Taams B.V. (hierna: Taams) een ziekenhuis te Curaçao. Zij was aangemerkt als ziekenhuisvoorziening in de zin van de Landsverordening Zorginstellingen.

2.2.

Aandeelhouder van Taams is Taams Group Holding (TGH) B.V. (hierna: TGH).

2.3.

Voor zover Taams zorg verleende aan verzekerden bij de sociale verzekeringsbank (hierna: SVB), was Taams voor de vergoeding van die verrichtingen gebonden aan de van overheidswege vastgestelde tarieven overeenkomstig het Landsbesluit Medisch Tarief Sociale Verzekeringen (hierna: het Landsbesluit).

2.4.

De hoogte van die tarieven is door het Land voor de laatste keer vastgesteld in 2001.

2.5.

Vanaf 2008 heeft Taams bij het Land aangedrongen op verhoging van de tarieven en/of compensatie voor de (volgens Taams) te lage geldende tarieven.

2.6.

In 2013 en in 2014 heeft de SVB een voorschot betaald op in de toekomst te betalen vergoedingen voor het verlenen van gezondheidszorg door Taams.

2.7.

Bij vonnis in kort geding van 10 februari 2015 heeft het gerecht het Land veroordeeld om aan Taams een voorschot te betalen van NAf 1,8 miljoen. Dit vonnis is in hoger beroep door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie bij vonnis van 24 november 2015 vernietigd, waarbij de vordering van Taams alsnog is afgewezen.

2.8.

In 2015 is Taams failliet verklaard.

2.9.

Libi is in mei 2016 opgericht. Zij en TGH hebben dezelfde bestuurders.

2.10.

Een “Verklaring van cessie” van 8 augustus 2016, ondertekend door de curator van Taams, luidt als volgt:

VERKLAART HIERBIJ:

dat op 16 juni 2016, na verkregen toestemming van de rechter-commissaris belast met faillissementen de vordering van de failliet [Taams] op de openbare rechtspersoon het Land Curaçao ter zake van gederfde inkomsten en/of schade die zij misgelopen respectievelijk geleden heeft, wegens het uitblijven van de nodige wetswijzigingen ter vaststelling en verhoging van de tarieven voor de geleverde zorg en de verbruikskosten van materialen, medicijnen, verband en hulpmiddelen, is overgedragen aan [Libi].

2.11.

Ook TGH heeft haar vordering op het Land overgedragen aan Libi.

3.2.

Libi vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, een verklaring voor recht dat het Land onrechtmatig jegens Taams en TGH heeft gehandeld en daarmee aansprakelijk is, veroordeling van het Land tot betaling van schadevergoeding nader op te maken bij staat en veroordeling van het Land in de proceskosten. Deze vordering is door het Gerecht afgewezen.

3.3.

Hiertegen richt zich het hoger beroep van Libi. In hoger beroep gaat het om de vraag of artikel 1 van Protocol nr. 1 bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is geschonden doordat geen ‘fair balance’ bereikt is. De authentieke Engelse tekst van dit artikel luidt:

Article 1. Protection of property

Every natural or legal person is entitled to the peaceful enjoyment of his possessions. No one shall be deprived of his possessions except in the public interest and subject to the conditions provided for by law and by the general principles of international law.

The preceding provisions shall not, however, in any way impair the right of a State to enforce such laws as it deems necessary to control the use of property in accordance with the general interest or to secure the payment of taxes or other contributions or penalties.

3.4.

Het Gerecht heeft geen schending van artikel 1 Protocol nr. 1 EVRM aangenomen. Wat betreft de ‘fair balance’ oordeelde het Gerecht:

4.10.

Voor wat betreft de vraag of voldaan is aan het vereiste van een fair balance is vooral van belang dat de inmenging niet mag resulteren in een individual and excessive burden. Er moet dus sprake zijn van een redelijke mate van evenredigheid tussen de gebruikte middelen en het doel dat wordt nagestreefd. Hierbij geldt dat aan de overheid een ruime beoordelingsvrijheid toekomt. Dat geldt zeker als aan de zijde van degene wiens eigendomsrecht in het geding is belangen van financiële aard aan de orde zijn (zoals hier) en niet belangen gemoeid met de menselijke waardigheid, zoals bij het recht op leven.

4.11.

Het gerecht is van oordeel dat een dergelijke buitensporigheid in dit geval niet kan worden aangenomen. Dat de tarieven te laag zijn om de exploitatiekosten van Taams te dekken is op zichzelf onvoldoende reden om te kunnen spreken van strijdigheid met artikel 1 EP. Onjuist is in dit verband het kennelijke standpunt van Taams dat het Land haar in staat zou moeten stellen een decent profit te realiseren om niet in strijd met artikel 1 EP te handelen. Een dergelijke regel kan niet uit de rechtspraak van het EHRM worden afgeleid (zie HR 26 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:110, met verwijzing naar rechtspraak van het EHRM). Van belang zijn steeds alle omstandigheden van het geval. Behalve de maximale hoogte van de tarieven (waarop de inmenging in het eigendomsrecht specifiek betrekking heeft), valt in dat verband ook te denken aan de maatregelen die Taams zelf heeft genomen om de kosten te drukken (dat is immers van belang voor het al dan niet kostendekkend zijn van de tarieven) en de mate waarin de overheid Taams uiteindelijk feitelijk heeft gefinancierd. Het gerecht is van oordeel dat Taams hieromtrent onvoldoende concrete feiten naar voren heeft gebracht. Zij is ter comparitie wel ingegaan op door haar gepleegde investeringen, maar niet (concreet) op de wijze waarop zij heeft geprobeerd haar exploitatiekosten naar beneden te brengen, terwijl het verweer van het Land bij conclusie van antwoord daartoe wel aanleiding gaf. Verder is in dit verband van belang dat, zoals vast staat, de SVB in 2013 en 2014 bijdragen tot in totaal NAf 3 miljoen aan Taams heeft verstrekt.

4.12.

Uit het betoog van Libi kan worden afgeleid dat Taams heeft gehandeld op basis van een toezegging van de minister van Financiën om Taams structureel tegemoet te komen. Zij beroept zich op de als productie 3 overgelegde brief. Uit die brief kan in redelijkheid echter geen toezegging worden afgeleid dat de tarieven zouden worden verhoogd, nog daargelaten of het Land aan een dergelijke toezegging – opgenomen in een ongedateerde en ongenummerde brief – zou kunnen worden gehouden. In de brief wordt in voorzichtige termen een mogelijke herziening van de tariefstructuur aangekondigd alsook de mogelijkheid dat de regering een “bijdrage” aan Taams zal verstrekken, waarover volgens de brief naar verwachting begin 2012 meer duidelijkheid zal bestaan, een en ander allemaal onder het voorbehoud van goedkeuring door de staten. Dit alles bijeen genomen is te vaag om te kunnen bijdragen aan het oordeel dat het ontbreken van dergelijke maatregelen leidt tot strijd met artikel 1 EP.

4.13.

Ter comparitie heeft Taams haar standpunt dat het Land erop uit is geweest om haar te laten doodbloeden nader uitgewerkt. Zij heeft gesteld dat het Land wilde dat Taams zou opgaan in het nieuw te bouwen algemene ziekenhuis en dat in dat kader door de vertegenwoordiger van de verantwoordelijke minister tegen Taams is gezegd dat zij wordt “geslachtofferd” in het belang van het nieuwe ziekenhuis. Meerdere overleggen hebben plaatsgevonden. Taams bleek nog niet aan de kwaliteitsnormen te voldoen, maar zij heeft vertrouwd op de brief van de minister aan de bank – aldus Taams. Deze uiteenzetting werpt naar het oordeel van het gerecht geen ander licht op de zaak. Het komt erop neer dat het Land aanvankelijk kennelijk mogelijkheden heeft onderzocht om Taams te betrekken in de voorzieningen op het gebied van de gezondheidszorg na de bouw van het nieuwe ziekenhuis, waar het Land klaarblijkelijk later op is teruggekomen. Een dergelijke wijziging van opvattingen is op zichzelf niet onrechtmatig. Niet gebleken is dat het Land al zover in het overleg met Taams was gevorderd dat het hem, op grond van de precontractuele redelijkheid en billijkheid, niet meer vrij stond andere keuzes te maken. De referte door Taams aan “de brief” maakt dit niet anders, nu hiervoor al is overwogen dat Taams aan die brief geen aanspraken heeft kunnen ontlenen.

4.14.

Al met al is dus niet gebleken van een handelen door het Land in strijd met het vereiste van een fair balance. De vorderingen van Taams gebaseerd op artikel 1 EP zijn daarom niet toewijsbaar.

3.5.

Het hoger beroep faalt. Het Hof sluit zich aan bij dit oordeel van het Gerecht. Het Hof voegt het navolgende toe.

3.6.

Libi beroept zich op het arrest van de Grote Kamer van het Europese Hof voor de rechten van de mens in de zaak Hutten-Czapska v. Poland, Application no. 35014/97. Deze zaak betrof vergaande wettelijke bescherming van huurders in een voormalige communistische staat ten détrimente van de rechten van particuliere verhuurders. De Kamer had geoordeeld:

186. The Court once again acknowledges that the difficult housing situation in Poland, in particular an acute shortage of dwellings and the high cost of acquiring flats on the market, and the need to transform the extremely rigid system of distribution of dwellings inherited from the communist regime, justified not only the introduction of remedial legislation protecting tenants during the period of the fundamental reform of the country’s political, economic and legal system but also the setting of a low rent, at a level beneath the market value ... Yet it finds no justification for the State’s continued failure to secure to the applicant and other landlords throughout the entire period under consideration the sums necessary to cover maintenance costs, not to mention even a minimum profit from the lease of flats.

187. Some five years ago the Polish Constitutional Court found that the operation of the rent-control scheme based on the provisions necessarily and unavoidably entailing losses for landlords had resulted in a disproportionate, unjustified and arbitrary distribution of the social burden involved in the housing reform and that the reform had been effected mainly at the expense of landlords. It reiterated that statement in its subsequent judgments, clearly indicating that the failure to abolish the rent-control system by 31 December 2004 might result in a breach of the constitutional principle of the rule of law and undermine citizens’ confidence in the State. It repeatedly held that the adopted measures amounted to a continuing violation of the property rights of landlords. It stressed that the manner in which the authorities calculated increases in rent made it impossible, for purely mathematical reasons, for landlords to receive an income from rent or at least recover their maintenance costs ...

In the circumstances, it was incumbent on the Polish authorities to eliminate, or at least to remedy with the requisite promptness, the situation found to have been incompatible with the requirements of the applicant’s fundamental right of property in line with the Constitutional Court’s judgments. Furthermore, the principle of lawfulness in Article 1 of Protocol No. 1 and of the foreseeability of the law ensuing from that rule required the State to fulfil its legislative promise to repeal the rent‑control scheme – which by no means excluded the adoption of procedures protecting the rights of tenants in a different manner ...

188. Having regard to all the foregoing circumstances and, more particularly, to the consequences which the operation of the rent-control scheme entailed for the exercise of the applicant’s right to the peaceful enjoyment of her possessions, the Court holds that the authorities imposed a disproportionate and excessive burden on her, which cannot be justified by any legitimate interest of the community pursued by them. ...”

De Grote Kamer gaat hierin mee maar voegt toe:

224. The Grand Chamber agrees with this assessment of the impugned situation. It would, however, add that, as established above, the violation of the right of property in the present case is not exclusively linked to the question of the levels of rent chargeable but, rather, consists in the combined effect of defective provisions on the determination of rent and various restrictions on landlords’ rights in respect of the termination of leases, the statutory financial burdens imposed on them and the absence of any legal ways and means making it possible for them either to offset or mitigate the losses incurred in connection with the maintenance of property or to have the necessary repairs subsidised by the State in justified cases.

3.7.

De onderhavige zaak betreft een geheel ander geval met geheel andere omstandigheden. Het gaat niet om een excessieve bescherming van particulieren ten koste van andere particulieren, maar om een wettelijke beperking van de uit de collectieve middelen te dekken kosten van medische zorg.

3.8.

Het is van algemene bekendheid dat de financiële situatie van Curaçao – vóór 10 oktober 2010 gold hetzelfde voor de Nederlandse Antillen – zorgelijk was en is. De lage tarieven dienen, in de woorden van het EHRM (o.a. EHRM [Grote Kamer] 5 September 2017, Fábián v. Hungary, Application no. 78117/13, § 67) ‘the general interest of the protection of the public purse’.

3.9.

Het Hof wijst erop dat het bij vonnis van 1 juni 2004 de stellingen dat het Landsbesluit Medisch Tarief Sociale Verzekeringen 2001 geen wettelijke basis heeft en tot stand gekomen is in strijd met het zorgvuldigheids- en rechtszekerheidsbeginsel alsmede het verbod van willekeur heeft afgewezen (Gemeenschappelijk Hof 1 juni 2004, ECLI:NL:OGHNAA:2004:1, Tijdschrift voor Antilliaans Recht- Justicia 2004/3, p. 227 e.v., Stichting Mariadal v. het Land en SVB).

3.10.

De kern van Libi’s klacht is dat een ziekeninrichting als Taams verplicht is structureel de zorgverlening op een hoger niveau te houden dan overeenstemt met de vergoedingen. Naar het oordeel van het Hof staat niet vast dat deze verplichting bestaat. De redelijkheid en billijkheid, zowel aanvullend als beperkend, alsmede de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zouden zich – afgezien van artikel 1 Protocol nr. 1 EVRM – daartegen verzetten. Als de overheid met het oog op de beheersing van de collectieve middelen kiest voor een bepaald niveau van vergoedingen, mag de ziekeninrichting het niveau van zorg daaraan aanpassen. Dat er verband is tussen het niveau van de zorgverlening en de vergoedingen werd kennelijk ook begrepen door de overheid, blijkens de voorschotbetalingen van de SVB in 2013 en 2014. Niet staat vast dat de tarieven zo laag zijn dat daarmee een onaanvaardbaar niveau van zorg – waardoor het recht op leven of de waardigheid van de patiënt in zodanige mate in de knel komt dat er strijd is met het EVRM – wordt bereikt.

3.11.

Libi gaat er dus ten onrechte vanuit dat het zorgverleningsniveau niet kon worden verlaagd ten einde een ‘excessive burden’ als gevolg van de lage tarieven te vermijden. Voorts was geen sprake van een ‘individual burden’: het Landsbesluit Medisch Tarief Sociale Verzekeringen 2001 geldt voor alle ziekeninrichtingen.

3.12.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden vonnis moet worden bevestigd. Libi dient de kosten van het hoger beroep te dragen.

Beslissing

Het Hof bevestigt het bestreden vonnis en veroordeelt Libi in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van het Land tot op heden begroot op NAf 2.000,- aan gemachtigdensalaris.

Dit vonnis is gewezen door mrs. E.M. van der Bunt, Th.G. Lautenbach en J. de Boer, leden van het Hof en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 juni 2020 in Curaçao, in tegenwoordigheid van de griffier.