Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2020:291

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
11-12-2020
Datum publicatie
21-12-2020
Zaaknummer
SXM2019H00056
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verdeling huwelijkgoederengemeenschap

Formele relatie: SXM201800756

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2020

Registratienummers: SXM201800756-SXM 2019H00056

Uitspraak: 11 december 2020

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

VONNIS

in de zaak van:

[Appellant],

wonende te Sint Maarten,

in eerste aanleg gedaagde in conventie, tevens eiseres in reconventie,

thans appellante in het principaal appel tevens geïntimeerde in het incidenteel appel,

gemachtigde: mr. R.E. Duncan,

tegen

[Geïntimeerde],

wonende te Sint Maarten,

in eerste aanleg eiser in conventie, tevens verweerder in reconventie,

thans geïntimeerde in het principaal appel tevens appellant in het incidenteel appel,

gemachtigde: mr. M. Hoeve,

De partijen zullen hierna de vrouw en de man worden genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Voor de procesgang in eerste aanleg en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: het Gerecht) wordt verwezen naar het vonnis van 2 april 2019 in de zaak met nummer SXM20180756 (hierna: het bestreden vonnis).

1.2

Bij akte van appel van 14 mei 2019 is de vrouw in hoger beroep gekomen van dat vonnis.

1.3

Bij memorie van grieven heeft de vrouw zeven grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, alsnog rechtdoende, de vordering(en) in conventie van de man zal afwijzen en de vorderingen in reconventie van de vrouw zal toewijzen, kosten en rente rechtens.

1.4

Bij memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel inclusief eisvermeerdering heeft de man de grieven in het principaal appel bestreden en zijnerzijds incidenteel appel ingesteld, één grief voorgesteld en zijn vordering vermeerderd. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof in principaal appel het bestreden vonnis, al dan niet met verbetering van gronden, zal bevestigen met veroordeling van de vrouw in de kosten in beide instanties en in incidenteel appel de vrouw zal veroordelen aan hem te betalen [het Hof leest:] US$ 4.350,- per maand vanaf 8 mei 2017 althans een in goede justitie te bepalen datum tot de datum van feitelijke verdeling van het onroerend goed, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 mei 2017 tot de dag der algehele voldoening.

1.5

Bij memorie van antwoord in incidenteel appel heeft de vrouw de grieven in incidenteel appel bestreden en geconcludeerd dat het Hof het bestreden vonnis – wat betreft het incidenteel appel – zal bevestigen en de verzochte vermeerdering van eis zal afwijzen, met veroordeling van de man in de kosten van beide instanties.

1.6

Op de daartoe bepaalde dag hebben partijen hun pleitnotities overgelegd.

1.7.

Vonnis is gevraagd en nader bepaald op heden.

2 De feiten

2.1

In hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende, door het Gerecht onder 2.1 tot en met 2.7 van het bestreden vonnis vastgestelde, feiten.

2.1.1

Partijen zijn in gemeenschap van goederen gehuwd geweest. Op 8 mei 2017 heeft de man een verzoek tot echtscheiding ingediend. Bij (deel)beschikking van het Gerecht van 6 november 2017, is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De beschikking is op 19 april 2018 ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand.

2.1.2

Partijen hebben twee minderjarige kinderen. Bij beschikking van 12 maart 2018, is de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van kinderalimentatie van in totaal US$ 267,00 per maand. Het verzoek van de vrouw tot partneralimentatie is daarbij afgewezen. Er is geen hoger beroep tegen deze beschikking ingesteld.

2.1.3

Gezamenlijk eigendom van partijen is een recht van erfpacht op een perceel te Philipsburg, Sint Maarten en het daarop staande gebouw (meetbriefnummer 383/1971) en een appartementsgebouw te China (real estate certificate nummer 0005457 te Lingmei Huayuan #50, appartement #1703). Hier rust geen hypothecaire lening op. De hypotheeklening op het onroerend goed te Sint Maarten is in juli 2017 geheel afbetaald.

2.1.4

Bij real estate appraisal d.d. 7 november 2018 (prod. 1 bij brief d.d. 4 februari 2019 zijdens de man) is de marktwaarde van het onroerend goed te China gewaardeerd op omgerekend US$ 96.785,00.

2.1.5

Het gebouw te Sint Maarten bestaat uit drie verdiepingen. De begane grond is bedrijfsruimte en wordt verhuurd voor US$ 4.500,00 per maand. De eerste verdieping betrof ook winkelruimte maar de vrouw heeft deze recentelijk laten verbouwen tot appartementen, waarvan er inmiddels vier zijn verhuurd. De tweede verdieping betreft de voormalige echtelijke woning waar de vrouw met de minderjarigen woont.

2.1.6

Bij appraisal report van ICE d.d. 13 april 2018 (prod. A bij conclusie van antwoord in conventie, conclusie van eis in reconventie) is de marktwaarde van het onroerend goed te Sint Maarten gewaardeerd op US$ 1.230.000,00.

2.1.7

Bij appraisal report van ICE d.d. 25 januari 2019 (prod. 3 bij brief d.d. 4 februari 2019 zijdens de man) is de marktwaarde van het onroerend goed te Sint Maarten gewaardeerd op een bedrag van US$ 1.400.000,00. Verder vermeldt het rapport het volgende:

“We estimate the potential gross rental income:

The ground floor only to be US$ 6.000,= per [vrouw]]nth.

The second floor only could not be established presently because we were not allowed to see the units.

However, our previous appraisal report #218-AP-107, dated April 13, 2018. We have based the rental value as an commercial open floor to be US$ 8.700,= per month.

The third floor only to be US$ 1.300,= per month.”

3 De beoordeling

het geschil

3.1

Het geschil tussen partijen betreft enerzijds de verdeling van hun huwelijksgoederengemeenschap en anderzijds vorderingen die niet de verdeling betreffen maar wel verband houden met het huwelijk respectievelijk de gemeenschap tussen partijen.

3.2

De man vordert (in conventie) “bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

  1. De scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen vast te stellen met dien verstande dat het onroerend goed gelegen te Philipsburg, Sint Maarten […] aan gedaagde (de vrouw, Hof) wordt toebedeeld althans in het openbaar wordt verkocht onder de voorwaarde dat gedaagde eiser (de man, Hof) voor de helft van de marktwaarde van de onroerende zaak dient te vergoeden wegens overbedeling dan wel dat eiser (de man, Hof) de helft van de verkoopopbrengst vergoed krijgt;

  2. De scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen vast te stellen met dien verstande dat het onroerend goed gelegen te China […] aan eiser wordt toebedeeld althans in het openbaar wordt verkocht onder de voorwaarde dat eiser gedaagde voor de helft van de marktwaarde van de onroerende zaak dient te vergoeden wegens overbedeling dan wel dat gedaagde de helft van de verkoopopbrengst vergoed krijgt;

  3. Gedaagde te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen het bedrag gelijk aan de helft van de huuropbrengsten van het verhuurde onroerend goed gelegen te Sint Maarten ad US$ 4,500 per maand vanaf 8 mei 2017 tot de dag der scheiding en deling van de boedel – te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 mei 2017 tot de dag der algehele voldoening;

  4. Gedaagde te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen het bedrag gelijk aan de helft van de gebruiksvergoeding van de echtelijke woning bewoond door gedaagde vanaf 8 mei 2017 tot de dag der scheiding en deling van de boedel – te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 mei 2017 tot de dag der algehele voldoening;

  5. Gedaagde te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen het bedrag gelijk aan de helft van het saldo op 8 mei 2017 van de bankrekeningen van partijen althans de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen vast te stellen met dien verstande dat het saldo op 8 mei 2017 van alle bankrekening met het daarop staande bedragen tussen partijen wordt verdeeld;

  6. Primair: Te bepalen dat indien gedaagde nalaat haar medewerking te verlenen aan de scheiding en deling zoals verzocht onder punt 1 en 2 van dit petitum, dat deze uitspraak in de plaats treedt van de handtekening van gedaagde dat vereist is voor het verlijden van de notariële akte van scheiding en deling en/of in de plaats treedt van de notariële akte van scheiding en deling of andere rechtsmiddelen vereist voor de inschrijving van eisers eigendomsverkrijging van de onder punt 1 en/of punt 2 omschreven onroerende goederen;

  7. Subsidiair: Indien gedaagde nalaat haar medewerking te verlenen aan de scheiding en deling zoals verzocht onder punt 1 tot en 2 van dit petitum, gedaagde te bevelen om haar medewerking te verlenen aan de scheiding en deling van de gemeenschapsgoederen, met dien verstande dat gedaagde binnen veertien (14) dagen van de uitspraak in deze zaak (i) zich zal wenden tot het notariskantoor mr. M. Mingo en de opgestelde notariële aktes van overdracht althans notariële aktes van scheiding en deling zoals omschreven onder sub 1 tot en met sub 4 van het petitum zal ondertekenen zulks onder verbeurte van een dwangsom van NAfl 10,000.00 per dag of een gedeelte daarvan dat gedaagde in strijd handelt met dit bevel;

  8. Gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het in deze te wijzen vonnis.”

en voorts, na eisvermeerdering in het incidenteel appel:

“ Geïntimeerde in het incidenteel appel te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan appellant in het incidenteel appel te betalen het bedrag van [het Hof leest:] US$ 4,350.00 per maand , zijnde de helft van de gecollecteerde huurpenningen van de eerste verdieping van het onroerend goed te Sint Maarten […], vanaf 8 mei 2017 althans een door U E.A. in goede justitie te bepalen datum tot de datum van de feitelijke verdeling van het onroerend goed – te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 mei 2017 tot de dag der algehele voldoening.”.

3.3

De vrouw vordert (in reconventie) bij “vonnis, zoveel mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad,

  1. De scheiding en deling van de huwelijkse gemeenschap van partijen te bevelen, met toebedeling van de onroerende zaak op Sint Maarten aan partij [vrouw] en de onroerende zaak te China aan partij [man], met bepaling dat partijen over en weer gehouden zijn de helft van de marktwaarde van de aan hen toebedeelde onroerende zaak aan de andere te betalen en hun medewerking aan de bevolen scheiding en deling dienen te verlenen;

  2. Voorts, te [het Hof leest:] bepalen dat indien [man] niet binnen 30 dagen, nadat uw eindbeslissing in deze in kracht van gewijsde zal zijn gegaan, zijn medewerking aan de uitvoering van uw eindbeslissing verleent, uw eindbeslissing in deze in de plaats van zijn handtekening bij de nodige notariële akte(s) en alle verdere relevante rechtshandelingen zal komen.

  3. [man], verder, te veroordelen om aan – tegen behoorlijk bewijs van kwijting – aan [vrouw] te betalen:

a) Achterstallige alimentatie t.b.v. partijen minderjarige kinderen over de jaren 2013 t/m 2017;

b) Achterstallige onderhoud van [vrouw]] over genoemde periode 2013 t/m 2017;

c) Achterstallige bijdrage in de kosten van huishouding over genoemde periode 2013 t/m 2017;

d) De helft van de herstelkosten van de onroerende zaak op Sint Maarten t.g.v. orkaanschade;

e) De helft van de pro resto hypotheeklening betaald door de [vrouw], zijnde US$ 74,366.36 althans de tegenwaarde in Ned. Ant. Courant.

Kosten en rente rechtens.”

het bestreden vonnis

3.4

Bij het bestreden vonnis heeft het Gerecht:

- de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen onder rov. 3.3 C sub a tot en met c;

- het appartementsrecht te China (real estate certificate nummer 0005457 te Lingmei Huayuan #50, appartement #1703) toegedeeld aan de man;

- het recht van erfpacht op een perceel te Philipsburg, Sint Maarten en het daarop staande gebouw (meetbriefnummer 383/1971) toegedeeld aan de vrouw;

- partijen veroordeeld tot medewerking aan de levering van de onroerende zaken in 5.2 en 5.3 bedoeld, binnen vier weken na betekening van dit vonnis, en met bepaling dat indien partijen aan deze veroordelingen niet voldoen dit vonnis in de plaats treedt van hun respectieve handtekeningen onder de leveringsaktes zodat de levering zal plaatsvinden door inschrijving van dit vonnis samen met de notariële akte in de daartoe bestemde openbare registers;

- bepaald dat de vrouw ter zake van over-/onderbedeling aan de man verschuldigd is een bedrag van US$ 550,491.60;

- de vrouw veroordeeld tot betaling aan de man van de helft van de huurinkomsten van het onroerend goed te Sint Maarten ad US$ 4.500,00 per maand vanaf augustus 2017 tot aan de dag der scheiding en deling, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

- de vrouw veroordeeld tot betaling aan de man van een gebruiksvergoeding van US$ 450.00 per maand vanaf 1 juni 2018 tot de dag der scheiding en deling, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

- de proceskosten gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

- het meer of anders gevorderde afgewezen.

het ontvankelijkheidsverweer van de vrouw

3.6

De vrouw heeft bij pleidooi aangevoerd dat de man niet-ontvankelijk is in zijn incidenteel appel omdat hij, in strijd met het bepaalde in artikel 270 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), heeft verzuimd de verklaring af te leggen dat hij hoger beroep wil instellen en die ter griffie te deponeren en eveneens heeft verzuimd de verschuldigde griffierechten te betalen.

3.7

Daaromtrent wordt overwogen dat artikel 270 Rv uitsluitend geldt voor het principaal appel. Het incidenteel appel is op de juiste wijze ingesteld, te weten overeenkomstig het daarvoor geldende artikel 274 lid 2 Rv. Ten slotte wordt opgemerkt dat de man wel degelijk tijdig zijn griffierecht heeft betaald, namelijk per cheque op 18 juli 2019. Het ontvankelijkheidsverweer wordt daarom verworpen.

het bezwaar van de vrouw tegen de vermeerdering van eis door de man

3.8

De vrouw heeft bezwaar gemaakt tegen de eisvermeerdering van de man. Dat bezwaar stoelt op haar verwachting dat deze de procedure aanzienlijk zal vertragen omdat de huurwaarde van de tweede verdieping alsnog zal moeten worden vastgesteld. Op zichzelf kan vertraging van de procedure tot de conclusie leiden dat een vermeerdering van eis in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Naar het oordeel van het Hof is dat voor de onderhavige vermeerdering van eis niet het geval, waarvoor het volgende redengevend is. Indien al als gevolg van de eisvermeerdering vertraging van de procedure zou optreden, acht het Hof in onderhavige procedure het belang dat alle geschillen tussen partijen zo veel mogelijk ineens, dus in deze procedure, kunnen worden afgedaan, van meer gewicht dan het voorkomen van vertraging van deze procedure. Bovendien heeft de vrouw zelf de deskundige, die het appraisal report van 16 januari 2019 heeft opgesteld, volgens dat rapport niet toegelaten tot de tweede verdieping, zodat hij dit niet bij zijn beoordeling/taxatie heeft kunnen betrekken. Het bezwaar van de vrouw tegen de vermeerdering van eis wordt gepasseerd en het Hof zal derhalve recht doen op de vermeerderde eis.

plan van behandeling

3.9

De vorderingen in conventie en in reconventie en de daarop gerichte grieven hangen zo nauw met elkaar samen dat het Hof deze gezamenlijk zal behandelen, eerst (r.ov. 3.10 – 3.39) die betreffende de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en daarna (r.ov. 3.40 – 3.60) die betreffende de overige geschilpunten. Daarbij zullen tevens de (principale en incidentele) grieven worden besproken. Mede omwille van de overzichtelijkheid en de leesbaarheid van dit vonnis zal het Hof vervolgens zelf opnieuw recht doen.

de peildata

3.10

Met betrekking tot de peildata wordt het volgende overwogen.

De datum waarop de huwelijksgoederengemeenschap wordt ontbonden, is de datum waarop de samenstelling en omvang van het te verrekenen vermogen worden bepaald.

In geval van de ontbinding van de gemeenschap door de beëindiging van het huwelijk door echtscheiding is dit de datum van indiening van het verzoek tot echtscheiding (artikel 1:99 lid 1 onder b Burgerlijk Wetboek (BW)). Die datum is in dit geval 8 mei 2017.

De peildatum voor de bepaling van de waarde van de vermogensbestanddelen die tot de gemeenschap behoren, is de datum van verdeling.

3.11

Het Gerecht heeft overeenkomstig dit uitgangspunt en dus met juistheid overwogen en beslist in r.ov. 4.2 van het bestreden vonnis:

“4.2 Voorts neemt het Gerecht tot uitgangspunt dat de peildatum voor de omvang van de gemeenschap 8 mei 2017 is, de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding (artikel 1:99 lid 1 sub b BW)”

en in r.ov. 4.5 van het bestreden vonnis:

“4.5 Bij gebreke van een vastgestelde of overeengekomen peildatum voor de verdeling wordt als peildatum de datum van verdeling (heden) genomen.”

3.12

Grief 1 van de vrouw, die inhoudt dat het Gerecht in r.ov. 4.5 van het bestreden vonnis ten onrechte de peildatum van de verdeling op de dag van de uitspraak van het bestreden vonnis heeft bepaald, dat die peildatum zonder basis is gegeven en dat de beide geciteerde rechtsoverwegingen tegenstrijdig zijn, gaat dan ook niet op.

de huwelijksgoederengemeenschap

3.13

Tot de huwelijksgoederengemeenschap behoren:

  • -

    het onbezwaard eigendom van het recht van erfpacht van een stuk perceel nader omschreven in meetbrief 383/1971, gelegen te Philipsburg met een oppervlakte van 492 m², verder omschreven in de notariële akte van overdracht d.d. 2 augustus 2004, met daarop een bouwwerk van drie verdiepingen (hierna ook: het onroerend goed te Sint Maarten);

  • -

    een recht van appartement gelegen in China, omschreven in real estate certificate 0005475, gelegen te Lingmei Huayuan #50, appartement #1703 op de 17de verdieping (hierna ook: het onroerend goed in China);

  • -

    het saldo van de bankrekening;

  • -

    de gemeenschapsschulden

het onroerend goed te Sint Maarten

3.14

In de bestreden beschikking is het onroerend goed te Sint Maarten toegedeeld aan de vrouw. Noch de vrouw noch de man grieft tegen deze beslissing van het Gerecht. Ook het Hof zal dit onroerend goed derhalve toedelen aan de vrouw.

3.15

In het licht van r.ov. 3.10 moet het genoemde onroerend goed worden gewaardeerd tegen de waarde op 2 april 2019, de datum van het bestreden vonnis. Het Hof verwijst in dit verband naar Hoge Raad 23 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB6176, waarin wordt overwogen:

“Onderdeel 1, dat opkomt tegen de hiervoor weergegeven rov. 4.3, klaagt dat het hof heeft miskend dat de rechtbank in haar eindvonnis van 13 oktober 2004 de woning reeds heeft toegedeeld aan de man, zodat de waardering van de woning moet geschieden per 13 oktober 2004 en niet tegen de datum van het arrest van het hof. De klacht is terecht voorgesteld. De rechtbank heeft in haar vonnis van 13 oktober 2004 de woning toegedeeld aan de man. Nu partijen in hoger beroep niet de toedeling van de woning aan de man, doch (slechts) de waarde van de woning aan de orde hebben gesteld, heeft de datum van het vonnis van de rechtbank te gelden als datum van de verdeling van de woning.”

3.16

In de procedure is een tweetal rapporten (“appraisal reports”) in het geding gebracht (r.ov. 2.1.6 en 2.1.7). Gezien het hiervoor overwogene, heeft het Gerecht voor de waardebepaling van het onroerend goed te Sint Maarten terecht het meest recente rapport van ICE d.d. 25 januari 2019 tot uitgangspunt genomen. Grief 3 van de vrouw, die inhoudt dat uitgegaan moet worden van het eerste rapport omdat dat rapport dateert van een datum die het meest ligt bij de datum ontbinding van de huwelijksgemeenschap, wordt dan ook verworpen. Overeenkomstig het in r.ov. 3.15 geciteerde arrest (waarin is bepaald dat voor de waardebepaling uitgegaan moet worden van de datum van verdeling en dat is onderhavig geval 2 april 2019) zal ook het Hof dat rapport d.d. 25 januari 2019, als de meest bij de verdelingsdatum liggende datum, voor de waardebepaling tot uitgangspunt nemen. Grief 3 van de vrouw gaat niet op.

3.17

In het rapport van ICE d.d. 25 januari 2019 is het onroerend goed te Sint Maarten gewaardeerd op een marktwaarde van US$ 1.400.000,-.

3.18

De vrouw voert aan dat zij in het onroerend goed investeringen heeft gedaan en herstelkosten heeft gemaakt in verband met de schade als gevolg van de orkaan Irma en dat de man daarvan niet behoort te profiteren zonder daaraan te hebben bijgedragen.

3.19

In haar taxatierapport van 13 november 2017 taxeert Taliesin Construction N.V. de herstelkosten van de schade op US$ 233.106,40 en de vrouw stelt dat zij reeds US$ 15.825,74 aan reparatiekosten heeft uitgegeven.

3.20

Het Gerecht heeft daaromtrent in het bestreden vonnis in r.ov. 4.9 en 4.10 het volgende overwogen:

“4.9. […] Tegen de waardering zelf is onvoldoende gemotiveerd verweer gevoerd door de vrouw. Zij stelt wel terecht aan de orde dat rekening gehouden moet worden met haar kosten en investeringen na 8 mei 2017. Tijdens de comparitie van 1 november 2018 is in dit verband afgesproken: “[vrouw] brengt alle door haar betaalde facturen voor herstelwerk aan het onroerend goed te Sint Maarten in het geding, duidelijk geordend en met een index”. De vrouw heeft hieraan niet voldaan en in zoverre nagelaten haar vordering deugdelijk te onderbouwen.

4.10.

Het Gerecht acht echter op basis van de stellingen van partijen en de ingebrachte stukken wel aannemelijk dat na 8 mei 2017, althans na orkaan Irma, herstelwerkzaamheden door de vrouw zijn verricht. Ter comparitie van 1 november 2018 is met partijen afgesproken dat ICE om een aanvullend rapport zal worden gevraagd ter beantwoording van de vraag of de orkaanschade reeds is verdisconteerd in haar taxatie van april 2018 en of de door Taliesan begrote herstelkosten redelijk zijn. ICE heeft in haar aanvullende rapport (prod. 2 bij brief van 4 februari 2019 zijdens de man) vermeld dat uit de foto’s die zijn gevoegd bij de begroting van Taliesan blijkt dat werkzaamheden aan het gebouw waren uitgevoerd (de daken waren gerepareerd, enkele muren, de porch en een raam) en dat, hoewel de exacte orkaanschade en daarmee ook de herstelkosten niet meer kan/kunnen worden vastgesteld, zij een bedrag van US$ 202,231.80 aan herstelkosten redelijk acht (15% minder dan Taliesan). Bij gebreke van een voldoende onderbouwd verweer tegen de inhoud van dit aanvullende rapport, zal het Gerecht ervan uitgaan dat de orkaanschade reeds (deels) is gerepareerd door het door ICE redelijk geachte bedrag aan herstelkosten , en dat dit is verdisconteerd in de door ICE begrote waarde van het onroerend goed ad US$ 1,400,000.00. Het Gerecht zal daar rekening mee houden in die zin dat de herstelkosten, die voor rekening van de vrouw komen/zijn gekomen, van de taxatiewaarde wordt afgetrokken. Het Gerecht gaat daarom uit van de tussen partijen geldende waarde van het onroerend goed te Sint Maarten van (US$ 1,400,000.00 – US$ 202,231.80 =) US$ 1.197,768,20.”

3.21

Deze overwegingen, waartegen niet is gegriefd, maakt het Hof tot de zijne.

het onroerend goed in China

3.22

In het bestreden vonnis is het onroerend goed te China toegedeeld aan de man. Noch de vrouw noch de man grieft tegen deze beslissing van het Gerecht.

Ook het Hof zal dit onroerend goed dan ook toedelen aan de man.

3.23

Met betrekking tot de waardering van het onroerend goed in China geldt eveneens hetgeen hiervoor is overwogen in r.ov. 3.10 en 3.15. Het

Real estate appraisal report van 17 november 2018 zal voor de waardebepaling als uitgangspunt worden genomen.

3.24

In dat rapport is de marktwaarde van het onroerend goed te China gewaardeerd op (omgerekend) US$ 96.785,-.

3.25

Wat er ook zij van de stelling van de vrouw dat in genoemd Real estate appraisal report karakters en zinnen missen, zij betwist niet dat daarin de waarde van het onroerend goed in China is getaxeerd op US$ 96.785,-.

3.26

De vrouw is niet meer ingegaan op het verweer van de man dat het ‘Certificate on Housing Price Appraisal of Lingmei Garden”, waarnaar zij heeft verwezen ter motivering van haar stelling dat het onroerend goed te China meer waard is, slechts de prijs vermeldt waarvoor hij het onroerend goed te China in het verleden heeft gekocht. Zij heeft het Real estate appraisal report evenmin anderszins betwist. Met het gerecht is het Hof daarom van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft ingebracht tegen het Real estate appraisal report van 17 november 2018. Er zal daarom van worden uitgegaan dat het onroerend goed te China een waarde heeft van US$ 96.785,-.

3.27

Grief 2 van de vrouw, die ziet op de waardebepaling van het onroerend goed in China, is ongegrond.

de bankrekening

3.28

Naar het Hof begrijpt, is de enige bankrekening een RBC-bankrekening ten name van [man] met een negatief saldo van US$ 215,06. De vrouw en de man zullen dit negatieve saldo elk voor de helft, dus US$ 107,53, dienen te dragen en aldus zal deze schuld (aan elk voor de helft) worden toegedeeld.

de gemeenschapsschulden

3.29

De vrouw heeft aangevoerd dat zij vanaf januari 2013 tot en met 13 juli 2017 de hypothecaire lening geheel en alleen heeft afbetaald.

3.30

De hypotheekschuld vormt een gemeenschapsschuld. Dat de aflossingen tot 8 mei 2017 – de datum van ontbinding van het huwelijk - zijn gedaan uit eigen middelen van de vrouw die niet tot de gemeenschap behoren, heeft zij niet onderbouwd en is ook niet gebleken. Ook heeft de vrouw niet gesteld dat zij überhaupt naast haar deel in het gemeenschapsvermogen nog over een privévermogen beschikte. Aan de stelling dat zij de aflossingen uit eigen middelen heeft voldaan, wordt daarom voorbijgegaan. Er zal daarom in rechte van worden uitgegaan dat die aflossingen ten laste zijn gekomen van de gemeenschap. Grief 6 wordt verworpen.

3.31

Dat laatste geldt eveneens met betrekking tot het bedrag van US$ 5.716,56 dat de vrouw na 8 mei 2017 als aflossing heeft voldaan. De vrouw heeft een ingevulde en ondertekende “local transfer order form” d.d. 21 juli 2017 in het geding gebracht, maar zonder toelichting, die ontbreekt, kan dit geld ook afkomstig zijn van een gezamenlijke bankrekening. In elk geval valt daaruit niet af te leiden dat de vrouw die schuld niet uit middelen die tot de gemeenschap behoren, maar uit eigen middelen heeft voldaan. Ook hiervoor geldt dat de vrouw niet heeft gesteld dat zij de beschikking had over privé vermogen. Nu de feitelijke verdeling op dat moment nog niet had plaatsgevonden, is voorts niet aannemelijk dat de vrouw in zo’n kort tijdsbestek na de ontbinding van het huwelijk maar nog voordat de echtscheiding is uitgesproken een privé vermogen heeft opgebouwd. Voor zover zij heeft willen betogen dat dit privé vermogen is opgebouwd met de huurinkomsten die zij zelf heeft behouden, dan faalt dit omdat de huurinkomsten, zoals hierna in r.ov. 3.41 wordt overwogen, aan beide partijen gelijkelijk toekomen.

De vrouw heeft in haar memorie van grieven, ter toelichting op de zesde grief, nog gesteld dat zij tussen 8 mei en 12 juli 2017 in totaal US$ 6.138,01 in mindering op de hypothecaire lening heeft betaald. Die nieuwe stelling heeft zij niet toegelicht en daarvan is het Hof ook niet gebleken, zodat die wordt gepasseerd.

3.32

Uit het bovenstaande volgt als conclusie dat de vrouw ter zake de gedane aflossingen geen vordering (reprise) heeft op de gemeenschap of de man. Grief 5 gaat niet op.

3.33

Tussen partijen staat vast dat de hypothecaire geldlening is afgelost en nu overigens niet is gebleken van gemeenschapsschulden, staat vast dat die er niet zijn.

3.34

Voor zover de vrouw haar vorderingen “[a] alimentatie voor haar en de kinderen over de periode dat hij uit huis is geweest , [b] zijn bijdrage in de kosten van de huishouding en [vrouw]’ s onderhoud en [c] overige relevante bijdragen tot het huwelijk en de huwelijkse gemeenschap” (conclusies van antwoord in conventie en van eis in reconventie, randnummer 4.1) als gemeenschapsschulden kwalificeert, is dat ook in het licht van de eigen stellingen van de vrouw niet begrijpelijk. Uit die stellingen kan immers niet anders worden afgeleid dan dat zij meent ter zake vorderingen te hebben op de man en niet op de gemeenschap. Hierna (r.ov. 3.52-3.59) zullen deze vorderingen worden besproken.

de omvang van de gemeenschap

3.35

Gezien al het bovenstaande bestaat de huwelijksgoederengemeenschap uit:

het onroerend goed in Sint Maarten US$ 1.197,768,20

het onroerend goed in China US$ 96.785,00

het saldo van de RBC-bankrekening -/- US$ 215,06

totaal US$ 1.294.338,14

de verdeling

3.36

Dat bedrag van US$ 1.294.338,14 behoort aan elk van partijen voor de helft, dus US$ 647.169,07, toe.

3.37

Het onroerend goed te Sint Maarten zal worden toegedeeld aan de vrouw en het onroerend goed te China aan de man, met verrekening van de waardes. Het saldo op de bankrekening zal aan elk van partijen bij helfte worden toegedeeld. De vrouw dient een bedrag van US$ 550.491,60 wegens overbedeling te betalen aan de man.

3.38

Grief 4 is ongegrond.

3.39

De vorderingen van partijen te bepalen dat beide partijen gehouden zijn hun medewerking aan deze verdeling te verlenen, bij gebreke waarvan dit vonnis in de plaats zal treden van die medewerking, zijn toewijsbaar.

de huuropbrengsten uit het onroerend goed te Sint Maarten tot 8 mei 2017

3.40

De huuropbrengsten uit het onroerend goed te Sint Maarten tot 8 mei 2017 zijn – nu het tegendeel is gesteld noch gebleken – als inkomsten in de huwelijksgoederengemeenschap gevallen en behoeven dus niet separaat in de verdeling te worden betrokken.

de huurinkomsten uit het onroerend goed te Sint Maarten vanaf 8 mei 2017

3.41

De vrouw heeft de begane grond en de eerste verdieping van het onroerend goed te Sint Maarten verhuurd en vanaf 8 mei 2017 de huurinkomsten zelf behouden. Omdat het inkomsten betreft uit een onroerende zaak die valt in de onverdeelde huwelijksgoederengemeenschap, waarin beide partijen deelgenoten zijn, is uitgangspunt dat deze huurinkomsten aan beide partijen gelijkelijk toekomen.

3.42

De inkomsten uit de verhuur van de begane grond bedragen USD$ 4.500,- per maand en die uit de verhuur van de eerste verdieping 4 x US$ 400,- volgens de vrouw en UD$ 4.350,- per maand volgens de man. Van de zijde van de vrouw ontbreekt elke onderbouwing van haar stelling betreffende die laatstbedoelde huurinkomsten, de man baseert zich op de huurwaarde volgens het rapport van 25 januari 2019 van ICE. Nu de vrouw de huurpenningen ontvangt, lag het op haar weg te onderbouwen dat zij uit de verhuur van de eerste verdieping 4 x US$ 400,- ontvangt. Dat heeft zij nagelaten. Het Hof zal daarom uitgaan van de juistheid van het door de man gestelde bedrag met ingang van 8 mei 2017.

3.43

De incidentele grief van de man is dan ook gegrond.

3.44

Volgens de vrouw heeft zij na de orkaan Irma uit de verhuur van de begane grond minder huurinkomsten ontvangen. Aan die stelling zal het Hof voorbijgaan omdat de vrouw ook in hoger beroep geen enkel inzicht heeft gegeven in de precieze omvang van de door haar ontvangen huurbedragen.

3.45

De vrouw heeft aangevoerd dat de hypotheeklasten na 8 mei 2017 gedeeltelijk uit die huurinkomsten zijn betaald. De vrouw heeft deze stelling niet geconcretiseerd en productie B bij de conclusies van antwoord in conventie en van eis in reconventie geeft geen steun aan deze stelling. Uit productie B kan immers niet worden afgeleid dat na 8 mei 2017 betalingen ter zake de hypotheek hebben plaatsgevonden, behoudens de in r.ov. 3.31 bedoelde aflossing van US$ 5.716,56. En die aflossing is volgens de stellingen van de vrouw ten laste van haar eigen vermogen – en dus kennelijk niet uit de huurinkomsten – verricht.

3.46

Het Hof ziet geen grond af te wijken van het in r.ov. 3.41 verwoorde uitgangspunt en de man heeft dus op grond van het bovenstaande aanspraak op de helft van de huurinkomsten uit de begane grond en de eerste verdieping vanaf 8 mei 2017 tot de datum van de feitelijke verdeling van het onroerend goed te Sint Maarten.

de gebruiksvergoeding

3.47

De vrouw bewoont de derde verdieping van het onroerend goed te Sint Maarten en gebruikt daardoor, met uitsluiting van de man, een gemeenschapsgoed. Daarom heeft de man jegens de vrouw aanspraak op een gebruiksvergoeding.

3.48

Het Hof verenigt zich met de overwegingen en de beslissing van het Gerecht in r.ov. 4.16 – 4.19 van het bestreden vonnis en maakt deze tot de zijne.

3.49

Daaraan wordt nog het volgende toegevoegd. De vrouw voert aan dat de man in haar ogen in een groot aantal opzichten in gebreke is gebleven (voldoende) financieel bij te dragen (kosten van de huishouding, kinderalimentatie, herstel schade, etc.). Wat daarvan ook zij, de vraag of en zo ja, in hoeverre de man aanspraak heeft op een gebruiksvergoeding, moet los daarvan worden beoordeeld. Die door de vrouw genoemde posten staan immers niet in rechtstreeks verband met de gebruiksvergoeding. Voor zover die posten in deze procedure een rol spelen, zal het Hof die separaat beoordelen.

3.50

Het beroep van de vrouw op artikel 3:169 Burgerlijk Wetboek (BW), voor zover al begrijpelijk, gaat niet op. De aanspraak van de man op een gebruiksvergoeding is ook niet te kwader trouw (of, zo de vrouw dat mocht bedoelen, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar) en evenmin in strijd met het recht van de vrouw om schadeloos gesteld te worden.

3.51

Grief 7 van de vrouw wordt verworpen. De vrouw zal worden veroordeeld aan de man te voldoen een gebruiksvergoeding van US$ 450,- per maand over de periode van 1 juni 2018 tot aan de dag der verdeling.

de vorderingen van de vrouw in het petitum, letter C

sub a, b en c

3.52

De vorderingen in het petitum, letter C onder a, b en c, weergegeven in r.ov. 3.3, zullen hierna gezamenlijk worden besproken. Naar het Hof begrijpt, verzoekt de vrouw niet de vaststelling van de desbetreffende bedragen maar vordert zij de veroordeling van de man tot betaling van hetgeen naar haar oordeel achterstallig is. Aldus verstaan is sprake van een geldvordering, waarin de vrouw ontvankelijk is.

3.53

Gezien de onderbouwing door de vrouw hebben deze vorderingen betrekking op de periode dat partijen nog met elkaar gehuwd waren. Met betrekking tot die huwelijkse periode geldt artikel 1:84 lid 1 BW, dat luidt:

“De kosten der huishouding, daaronder begrepen de kosten der verzorging en opvoeding van de kinderen, komen ten laste van het gemene inkomen der echtgenoten en, voor zover dit ontoereikend is, ten laste van hun eigen inkomens in evenredigheid daarvan; voor zover de inkomens ontoereikend zijn, komen deze kosten ten laste van het gemene vermogen en, voor zover ook dit niet toereikend is, ten laste van de eigen vermogens naar evenredigheid daarvan. Een en ander geldt niet, voor zover bijzondere omstandigheden zich er tegen verzetten.”

3.54

De kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen en van het levensonderhoud van de vrouw alsmede de kosten van de huishouding moeten daarom geacht worden ten laste te zijn gekomen van de inkomens respectievelijk de vermogens op de wijze als in dat artikel 1:84 lid 1 BW bepaald. De vrouw stelt overigens zelf dat zij de kosten van levensonderhoud van haar en de kinderen heeft betaald uit de huurinkomsten van de eerste verdieping van het onroerend goed te Sint Maarten; deze vielen in de gemeenschap, dus die kosten zijn ten laste gekomen van het gemeenschappelijk inkomen der echtgenoten. Deze vorderingen zijn dan ook niet toewijsbaar.

3.55

Voor zover de man alimentatiebedragen is verschuldigd op basis van eerdere rechterlijke beslissingen- hetgeen naar het Hof begrijpt het geval is ten aanzien van de alimentatiebijdragen ten behoeve van de vrouw en de kinderen –, beschikt de vrouw reeds over een titel en is een vordering tot betaling (ook) op die grond niet toewijsbaar.

3.56

Ten slotte stelt het Hof vast dat de vrouw deze vorderingen slechts omschrijft, maar geen concrete bedragen vordert en in haar onderbouwing zelfs geen bedragen vermeldt waaruit de omvang van de vorderingen zou kunnen worden afgeleid. Ook dit zou aan toewijzing van deze vorderingen alsmede aan de verrekening waarop de vrouw zich beroept, in de weg staan.

3.57

De vorderingen van de vrouw in het petitum, letter C onder a, b en c zullen worden afgewezen.

sub d

3.58

De herstelkosten zijn al verdisconteerd in de waarde van het onroerend goed te Sint Maarten (r.ov. 3.20 en 3.21), zodat deze vordering van de vrouw (letter C onder d van het petitum) niet toewijsbaar is.

sub e

3.59

Hierboven is reeds overwogen en beslist dat de vrouw ter zake van de aflossing van de hypotheekschuld geen vordering (reprise) heeft op de gemeenschap of de man. Ook deze vordering is dus niet toewijsbaar.

de wettelijke rente

3.60

Voor zover partijen wettelijke rente hebben gevorderd, geldt het volgende. Volgens artikel 6:119 lid 1 BW is – behoudens het hier niet ter zake doende geval van handelsovereenkomsten – wettelijke rente pas verschuldigd ingeval de schuldenaar met de verplichting tot betaling van een geldsom in verzuim is geraakt. Dit geldt ook ten aanzien van vorderingen die zijn gebaseerd op de verdeling van een tot een gemeenschap behorende bate. Daaromtrent heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 8 juli 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2623 overwogen:

“Zolang de verdeling van een tot de gemeenschap behorende bate niet is vastgesteld, kan immers de daarop gebaseerde vordering nog niet worden beschouwd als een vordering tot betaling van een geldsom ter zake waarvan de debiteur in verzuim kan zijn”.

Of sprake is van verzuim, moet worden vastgesteld aan de hand van artikel 6:81 e.v. BW. Niet is gesteld of gebleken dat een der partijen ten aanzien van enige verbintenis waarover partijen in deze onderhavige procedure debatteren, in verzuim is geraakt. Geen der vorderingen tot betaling van wettelijke rente is dus toewijsbaar.

slotsom

3.61

Zoals hierboven reeds overwogen zal het Hof het bestreden vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

3.62

In het feit dat partijen voormalige echtelieden zijn, ziet het Hof aanleiding de proceskosten in beide instanties te compenseren als hierna omschreven.

4 De beslissing

Het Hof:

in conventie en in reconventie

vernietigt het bestreden vonnis d.d. 2 april 2019 en, opnieuw rechtdoende:

- deelt het recht van erfpacht op een perceel te Philipsburg, Sint Maarten en het daarop staande gebouw (meetbriefnummer 383/1971) toe aan de vrouw;

- deelt het appartementsgebouw te China, omschreven in real estate certificate nummer 0005457, toe aan de man;

- veroordeelt partijen tot het verlenen van medewerking aan de levering van het onroerend goed te Sint Maarten respectievelijk het onroerend goed te China, binnen vier weken na betekening van dit vonnis, en met bepaling dat, indien partijen dat nalaten, dit vonnis in de plaats treedt van hun respectieve handtekeningen onder de leveringsaktes zodat de levering zal plaatsvinden door inschrijving van dit vonnis samen met de notariële akte in de daartoe bestemde openbare registers;

- deelt het negatieve saldo van de RBC-bankrekening ten name van [man] ten bedrage van US$ 215,06 bij helfte toe aan elk van beide partijen;

- bepaalt dat de vrouw aan de man verschuldigd is een bedrag van US$ 550.491,60 wegens overbedeling;

- veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van de helft van de huurinkomsten van het onroerend goed te Sint Maarten ten bedrage van in totaal US$ 8.850,- per maand, vanaf 8 mei 2017 tot aan de dag van verdeling;

- veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van een gebruiksvergoeding van US$ 450,- per maand vanaf 1 juni 2018 tot aan de dag van de verdeling;

- compenseert de kosten van dit geding in beide instanties in die zin dat elke partij haar eigen kosten draagt;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mrs. E.M. van der Bunt, Th.G. Lautenbach en

O. Nijhuis, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 11 december 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.