Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2020:286

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
18-12-2020
Datum publicatie
21-12-2020
Zaaknummer
SXM2019H00042
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekering tegen orkaanschade toepassing eigen risico reikwijdte sublimiet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2020 Vonnis no.:

Registratienummers: SXM2018000894 – SXM2019H00042

Uitspraak: 18 december 2020

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van

de naamloze vennootschappen

1. PEARL DEVELOPMENT N.V.,

hierna: Pearl,

2. IRON SHORE DEVELOPMENT N.V.,

hierna: Iron Shore,

beide gevestigd te Sint Maarten,

in eerste aanleg eiseressen, thans appellanten,

gemachtigde: mr. C.R. Rutte,

tegen

NATIONAL GENERAL INSURANCE CO. (NAGICO) N.V.,

hierna: Nagico,

gevestigd in Sint Maarten,

in eerste aanleg gedaagde, thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. A.A. Kraaijeveld.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Bij een op 14 maart 2019 ingekomen akte van appel zijn Pearl en Iron Shore in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op

5 februari 2019 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: het Gerecht).

1.2

Bij een op 24 april 2019 ingekomen memorie van grieven, met producties, hebben Pearl en Iron Shore grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Hun conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis partieel zal vernietigen en - samengevat - de door het Gerecht afgewezen vorderingen van Pearl en Iron Shore alsnog zal toewijzen, met veroordeling van Nagico in de proceskosten in beide instanties.

1.3

Bij memorie van antwoord heeft Nagico de grieven bestreden. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van Pearl en Iron Shore in, na twee weken met wettelijke rente te verhogen, de proceskosten in hoger beroep.

1.4

Op de daarvoor nader bepaalde dag hebben partijen pleitnotities overgelegd.

1.5

Vonnis is gevraagd en nader bepaald op vandaag.

2 De beoordeling

2.1

In hoger beroep kan worden uitgegaan van het volgende.

  1. Pearl en Iron Shore exploiteren een resort (het Oyster Bay Beach Resort) in Oyster Pond Sint Maarten (hierna: het resort). Ongeveer 2/3 deel van de kamers betreft timeshare appartementen die door Pearl worden verhuurd wanneer ze niet in gebruik zijn bij de timesharehouders.

  2. Nagico is een verzekeraar, actief in het Caraïbisch gebied.

  3. Naar aanleiding van een aanvraag van 13 mei 2011 voor een “Multi Peril Insurance” met (aanvullende) dekking voor “Business Interruption” is tussen partijen een verzekeringsovereenkomst met polisnummer F05354/11 tot stand gekomen.

  4. Het polisblad (“schedule”) voor die verzekering in de periode 1 mei 2017 tot en met 1 mei 2018 vermeldt een premie van US$ 136.619,70 en verzekerde bedragen van US$ 28.682.421,- voor “Buildings, Contents, Pool, Golf Carts, Marina, Dokker, Machinery Plant […]” en US$ 2,5 miljoen voor “Business Interruption”, in totaal US$ 31.182.421,-. Onder het kopje “sublimits” staan onder meer de volgende bedragen:

- US$ 5 miljoen “per occurrence resulting from Hurricane, Storm, Windstorm including rain or flood accompanying these perils”;

- US$ 2,5 miljoen for “Newly acquired property

- US$ 2,5 miljoen “Unscheduled Locations

- US$ 2,5 miljoen “for Earthquake- Property Damage/Business Interruption combined) in respect of Leasehold Improvements”;

- US$ 1,5 miljoen “for outdoor property”;

Als eigen risico (“deductible”) is (onder het kopje” Material Damage”) vermeld:

1. 2% of the Total Sum Insured per building […] for each and every occurrence from Hurricane, Storm, Windstorm, Cyclone, Earthquake, Volcanic Eruption including rain and flood accompanying these perils, subject to a minimum of US$ 5.000,00;

2. US$ 5.000,00 for all other losses for Material Damage;

3. Seven (7) days from the date of loss in respect of Business Interruption.”

De in voormelde periode geldende “Commercial All-Risks” Policy Material Damage” bevat onder meer de volgende bepalingen (blz. 5):

Section IV- Limits of Liability

“The “Limits of Liability” shown in the Schedule shall be understood and deemed to mean the maximum amounts for which we can be liable under this Policy. […] Notwithstanding the above-mentioned, the “Limits of Liability” may be further limited if the “occurrence” is caused by a Covered Cause of Loss to an annual aggregate limit or if the “occurrence” is subject to a sub-limit (such sub-limit being a part of and not in addition to the “Limits of Liability”).

“Section V- Deductible”

“The deductible stated in the Schedule applies to all “physical loss or damage” caused by an “occurrence” which takes place during the policy period”. Our obligation to pay applies only in excess of the deductible”.

De in voormelde periode geldende voorwaarden voor “Fire Policy & Extended Perils Policy”, waarin geen dekking wordt gegeven voor vervolgschade zoals “Business Interruption”, bevatten onder meer de volgende clausules:

Excess Clause”:

“It is understood and agreed that as regards loss or damage (other than fire) to any buildings hereby insured directly caused by any peril to which the Clause is herein before stated to apply, the Company’s liability shall be limited to its ratable proportion of the amount by which such loss or damage exceeds the amount stated in the Deductible Clause” (zevende ongenummerde blad).

Deductible Clause”:

It is hereby declared and agreed that the limit of the Company’s liability as regards loss or damage directly caused by the under mentioned perils where applicable and where further defined under the Policy, shall be limited to is ratable proportion of the amount which such loss or damage exceeds the relevant sums as follows:

i) Hurricane, Cyclone, Tornado, Windstorm including rain accompanying these perils, Earthquake, Volcanic Eruption and Flood (including overflow of the sea) – a sum equivalent to 2% of the Sum Insured per item as stated on the Schedule subject to a minimum amount of US$ 560,00 […]”. (zesentwingste ongenummerde blad)

De in die periode geldende voorwaarden voor de “Business Interruption- Extension” bepalen onder meer:

“Section I – Coverage:

We will pay for: a. loss of gross profit; or b. loss of gross rentals; or c. loss incurred by payment of “wages” resulting from interruption of or interference with the business caused by any “Covered Cause of Loss” occurring during the “Period of Restoration” specified in the Schedule. This is providing that, at the time of the happening of the “Covered Cause of Loss”, there shall be in force a Material Damage section of the Policy covering the business against such “Covered Cause of Loss” and that payment shall have been made or liability admitted under such policy.

Section IV – Limits of Liability

The “Limits of Liability” shown for Business Interruption in the Schedule shall be understood and deemed to mean the maximum amounts for which we can be liable under this EXTENSION. Under no circumstances shall we be liable hereunder for more than, in respect of each item, the amount expressed or the total amount specified in the attached Schedule in respect of any one “occurrence.”

Section V – Deductible

The deductible stated in the Schedule for Business Interruption applies to all losses of or interference with business caused by an “occurrence” which takes place during the “Period of Restoration”. Our obligation to pay for “Covered Cause of Loss” applies only in excess of the deductible.”

Als gevolg van de orkaan Irma is het resort in september 2017 ernstig beschadigd geraakt. De zaakschade is door Pearl en het expertisebureau York Miami Axis International Inc. vastgesteld op US$ 5.799.115,38 en de bedrijfsschade (Business Interruption) op US$ 1.801.250,92.

Nagico heeft in totaal US$ 4.361.867,36 uitgekeerd, zijnde de sublimiet van US$ 5 mio minus de “deductible” van (volgens Nagico) 2% van de “Total Sum Insured” van US$ 31.182.421,- (is: US$ 623.648,42). Nagico heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de sublimiet van vijf miljoen geldt voor zowel de Property Damage als de Business Interruption.

Pearl heeft, onder meer bij brief van haar toenmalige gemachtigde van 5 juni 2018 aanspraak gemaakt op nadere uitkeringen van US$ 1.376.351,58 (“Undisputed claim”), US$ 523.648,42 (“Remainder of Material Damages claim”) en US$ 2.500.000,- “minus deductible of seven days (calculation to be verified)” (“Business Interruption”).

2.2

In dit geding hebben Pearl en Iron Shore gevorderd dat het Gerecht Nagico zal veroordelen tot betaling van:

- de geleden zaakschade voor zover nog niet vergoed, door hen thans gesteld op US$ 623.648,42 (de door Nagico gehanteerde “deductible” zoals zij die op de sublimiet van US$ 5 mio in aftrek heeft gebracht), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 juni 2018;

- een bedrag van US$ 1.801.250,92 ter zake van de tot en met 31 mei 2018 geleden bedrijfsschade, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente van 13 juni 2018;

- een bedrag van US$ 117.155,88, zijnde de kosten ter vaststelling van de schade, met de wettelijke rente daarover vanaf 9 juli 2018 (de datum va het inleidend verzoekschrift;

een en ander met veroordeling van Nagico in de proceskosten.

2.3

Bij het bestreden vonnis heeft het Gerecht de door Nagico voorgestane lezingen van de verzekeringsvoorwaarden voor juist gehouden en de vorderingen ter zake van de zaak- en de bedrijfsschade afgewezen. De expertisekosten werden wel toegewezen, zoals gevorderd, en de proceskosten zijn tussen partijen gecompenseerd.

2.4

Met hun als eerste te bespreken grief 2 klagen Pearle en Iron Shore dat het Gerecht ten onrechte hun standpunt over de overeengekomen wijze van berekening van het eigen risico heeft afgewezen, en dat Nagico is gevolgd in haar uitleg dat het eigen risico in aftrek moet worden gebracht op de door de sublimiet begrensde betalingsverplichting en niet, zoals Pearl en Iron Shore menen, op de schade. Deze vraag van uitleg dient te worden beantwoord aan de hand van de hier relevante variant van de Haviltex-maatstaf. Daarbij is, nu het gaat om door de verzekeraar opgestelde polisvoorwaarden, de tekst van de bepalingen, en de aannemelijkheid van de gevolgen waartoe deze of gene uitleg leidt, een belangrijk, primair, aanknopingspunt. Naar gelang blijkt van onderhandelingen over of een toelichting op deze voorwaarden, of van een voor beide partijen kenbare afwijkende (lokale) betekenis van de gebruikte bewoordingen, spelen ook deze subjectieve elementen een belangrijke, en mogelijk zelfs beslissende, rol. (zie o.m. HR 16 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2793 (https://www.navigator.nl/document/id24220080516c06263hradmusp?idp=LegalIntelligence&anchor=id-242_2008-05-16_c06-263hr__usp), NJ 2008/284 (https://www.navigator.nl/document/id24220080516c06263hrnj2008284dosred?idp=LegalIntelligence) (Chubb/Dagenstaed)).

2.5

Anders dan het Gerecht kennelijk meende, acht het Hof de meest aannemelijke tekstuele uitleg van de hierboven aangehaalde bepalingen - in het bijzonder de onder de v en vii weergegeven Sections IV (“Limits of Liability”) en V (“Deductible”) alsmede de onder vi geciteerde “Excess Clause” - dat steeds (als een eerste stap) het eigen risico van de schade moet worden afgetrokken (en in die zin dus altijd voor rekening van de verzekerde blijft) en dat vanaf die drempel de verplichting van de verzekeraar begint, die vervolgens door de sublimiet wordt begrensd. De “Excess Clause” laat eigenlijk geen andere lezing toe dan deze en de omschrijving van de “Limits of Liability” bevat geen enkele aanwijzing dat (als gevolg van het eigen risico) de facto een verborgen of impliciete sublimiet wordt gehanteerd, in die zin dat het bedrag van de maximale aansprakelijkheid nooit volledig tot uitkering komt. Dat - in weerwil van de door overige bepalingen gewekte indruk - zo’n beperking toch is beoogd valt, anders dan Nagico verdedigt, niet (of in elk geval niet voldoende duidelijk) op te maken uit de omschrijving van “Deductible” zoals weergegeven onder vi, ook niet als met Nagico zou worden aangenomen dat het zinsdeel “where applicable and where further defined under the policy” betrekking heeft op de “limit of the Company’s liability”.

2.6

Los van de constatering dat de lezing van Nagico en het gevolg waartoe deze leidt geen, althans minder steun vindt in de polisvoorwaarden, kan niet worden gezegd dat dit gevolg op zichzelf onredelijk of onaannemelijk is, en ook niet dat het onredelijker en onaannemelijker is dan de consequentie van de uitleg van Pearl en Iron Shore, te weten dat bij een hoge schade (meer dan het totaal van de sublimiet en het eigen risico) het eigen risico door de sublimiet wordt “geabsorbeerd”. In beide gevallen wordt recht gedaan aan de ratio van zowel de sublimiet - beperking van de dekking en de daarbij horende premie - als die van het eigen risico: het voorkomen van bagatelclaims en het stimuleren van de verzekerde om door het nemen van preventieve maatregelen te proberen om schade te voorkomen. Dat in de benadering van Pearl en Iron Shore het eigen risico boven een bepaald schadebedrag geen effect meer heeft is ook geen ongerijmdheid te noemen. Tot die drempel is dat effect er wel en voor die verminderde dekking krijgt de verzekerde korting. Mogelijk heeft Nagico een nog wat lager beschermingsniveau willen bieden, en is daarvoor extra premiekorting gegeven. Daarover valt echter in dit geding bij gebrek aan concrete gegevens niets te zeggen.

2.7

Dat de uitleg die Pearl en Iron Shore aan de polisvoorwaarden (althans wat de in rov. 4.5 van het bestreden vonnis aangehaalde gedeelten daarvan betreft) geven het meest voor de hand ligt, is ook de mening van de door Pearl en Iron Shore geraadpleegde deskundige: de emeritus hoogleraar verzekeringsrecht prof. mr. J.H. Wansink, een erkende autoriteit op dit rechtsgebied met ruime internationale ervaring. Hij wijst er in zijn twee adviezen voorts op dat deze benadering in de verzekeringsrechtelijke wereld de heersende is en in het Nederlandse recht ook tot uitdrukking wordt gebracht in (het ook in Sint Maarten geldende) artikel 7:955 BW.

Nagico stelt hiertegenover dat de lokale commerciële behoeften en gebruiken in Sint Maarten anders zijn dan in Nederland, dat in de Verenigde Staten juist de opvatting van Nagico gemeengoed is en dat zij in de afgelopen dertig jaar nooit met een andere uitleg is geconfronteerd. Deze omstandigheden zouden, indien juist, de gerechtvaardigde verwachtingen van partijen en (vooral) hun Amerikaanse adviseurs kunnen hebben bepaald en daarmee van invloed zijn op de volgens de Haviltex-methode te bepalen inhoud van deze naar het recht van Sint Maarten gesloten overeenkomst. Nagico heeft deze door Pearl en Iron Shore bestreden stellingen echter op geen enkele wijze onderbouwd, niet met een contraexpertise, maar ook niet met verwijzingen naar Amerikaanse rechtspraak en vakliteratuur of andere papieren of digitale bronnen. Aan die blote stellingen gaat het Hof dan ook zonder bewijslevering voorbij.

2.8

Andere relevante uitlegfactoren waaruit zou kunnen worden afgeleid dat partijen iets anders hebben afgesproken dan de door Nagico opgestelde polisvoorwaarden impliceren, zijn niet gesteld, althans niet in voldoende en overtuigende mate. De omstandigheid dat Pearl en Iron Shore ten aanzien van enkele risico’s hebben laten blijken een zo beperkt mogelijke dekking voor een zo laag mogelijke premie te wensen, is onvoldoende om aan te nemen dat die wens ook hier heeft voorgezeten en dat zij zich ervan bewust zijn geweest dat Nagico ingeval van wind/orkaanschade nimmer tot de sublimiet zou uitkeren en dat zij daarmee instemden. Die kennis en instemming ten slotte, volgen ook niet uit de verklaring in het aanvraagformulier (“I agree to bear the first 2 % per building of the Total Sum Insured for each and every occurrence resulting from Hurricane, Storm, Windstorm, Cyclone, Earthquake, Volcanic Eruption including rain and flood following those perils”). Als deze tekst al iets zegt over de manier waarop het eigen risico wordt toegepast, en niet slechts over de hoogte daarvan zoals mr. Wansink meent, dan kan dat even zo goed, zo niet beter, zijn dat de “deductible” steeds van de schade wordt afgetrokken en zo als eerste stap (ondergrens) de aansprakelijkheid van Nagico begrenst.

2.9

Dit betekent dat grief 2 slaagt. Het bedrag van US$ 623.648,42 zal alsnog worden toegewezen. Grief 1 hoeft dan geen behandeling meer omdat de hoogte van het eigen risico waarover partijen strijden dat toe te wijzen bedrag niet meer kan beïnvloeden.

2.10

Grief 3 betreft de door het Gerecht bevestigend beantwoorde vraag of de sublimiet van US$ 5 miljoen betrekking heeft op alle soorten schade als gevolg van de orkaan, dus zowel de zaakschade als de bedrijfsschade. Ook dit is een vraag van uitleg, te beantwoorden aan de hand van de Haviltex-maatstaf.

2.11

Op dit punt valt uit de algemene polisvoorwaarden weinig tot niets af te leiden. De sublimiet en de reikwijdte daarvan zijn de uitkomst - neergelegd in het polisblad - van het overleg - de onderhandelingen zo men wil - die (de tussenpersonen) van partijen hebben gevoerd. Ook dat polisblad en de schaarse gegevens over de totstandkoming - niet meer dan een paar e-mailberichten -geven echter weinig duidelijkheid.

2.12

Enerzijds wordt met de omschrijving van de sublimiet in het relevante e-mailbericht van 22 maart 2011 niet expliciet gesteld dat de limiet voor alle schadesoorten geldt, anderzijds is evenmin met zoveel woorden tot uitdrukking gebracht dat het alleen om de zaakschade gaat. Datzelfde geldt voor de omschrijving op het polisblad. Dat de zowel in dat e-mailbericht als op het polisblad gebruikte term “occurrence” destijds alleen in de polisvoorwaarden “Nagico All Risks of Direct Physical Loss or Damage” werd gedefinieerd, en wel als: “all physical loss or damage occurring during the period of insurance specified in the Schedule that is caused by any one Covered Cause of Loss”, is nog geen krachtige aanwijzing dat alleen de zaakschade werd bedoeld, te minder wanneer daarbij wordt betrokken wat Pearl en Iron Shore zelf benadrukken, te weten dat alleen de bedrijfsschade als gevolg van een beschadiging van de gebouwen is verzekerd. Het gebruik van deze term op zichzelf, zonder enige verwijzing naar de bedrijfsschade, is dan zeer wel verenigbaar met een verzoek om beide schadesoorten te begrenzen.

2.13

Pearl en Iron Shore, de partijen die ten aanzien van de door hen verdedigde uitleg in beginsel de stelplicht en de bewijslast dragen, wijzen er echter ook op dat het zonder meer samennemen van zaak- en bedrijfsschade, ook waar het gaat om de sublimiet, niet logisch is omdat de gevolgschade/bedrijfsschade apart werd verzekerd en, voorts, dat de verzekerde som voor de bedrijfsschade, anders dan bij de zaakschade, al zodanig laag was dat een sublimiet “geen nut” had. In haar reactie hierop stelt Nagico weliswaar dat uiteindelijk alle verzekeringen zijn opgenomen in één polis, maar over het belang van nadere limitering van de bedrijfsschade in verband met het risico - en daardoor: met de premie - zegt zij niets (concreets). Ook niet onder 3.3.2 van de memorie van antwoord; daar gaat het om de kans op beschadiging van de gebouwen (en daarmee hooguit indirect op bedrijfsschade), maar niet over de hoogte van die bedrijfsschade en de gevolgen van een “onbeperkte dekking” tot het verzekerde bedrag voor de (her)verzekerbaarheid van het risico en voor de premie en Nagico motiveert daarmee ook niet dat de door Pearl en Iron Shore gewenste (en betaalde) premie niet mogelijk was wanneer de bedrijfsschade zonder (gecombineerde) sublimiet was verzekerd. De enkele omstandigheid dat Iron Shore en Pearl ten aanzien van een andere oorzaak (aardbeving), met het oog op een zo laag mogelijke premie, hebben verzocht om een minimale dekking zegt dan niet veel. Concrete aanwijzingen dat dit punt in de gesprekken tussen partijen aan de orde is geweest, zijn in het dossier niet te vinden.

2.14

Ten slotte betogen Pearl en Iron Shore dat ten aanzien van een of meer andere verzekerde risico’s op het polisblad wel uitdrukkelijk is bepaald dat de daarvoor geldende sublimiet geldt voor “Property Damage/Business Interruption combined.” Dat is weliswaar, zoals het Gerecht overwoog, geen dwingend argument, maar het roept wel de vraag op waarom ten aanzien van de windschade, toch een zeer wezenlijk deel van de verzekering, niet expliciet is bepaald dat beide schadesoorten gezamenlijk onder de sublimiet vallen. Het antwoord dat Nagico (onder 2.15 van haar conclusie van antwoord) op die vraag heeft gegeven is, zonder nadere toelichting, zo al begrijpelijk, dan toch onvoldoende overtuigend.

2.15

Alles afwegend dient het standpunt van Pearl en Iron Shore te prevaleren en kiest het Hof voor hun uitleg. Uit de - als gezegd: schaarse - gegevens over de contractbesprekingen blijkt niet dat, zoals Nagico (bloot) stelt, het voor beide partijen en hun in de materie geverseerde vertegenwoordigers volstrekt duidelijk moet zijn geweest dat Pearl en Iron Shore de dekking voor orkaanschade voor beide schadesoorten wilden begrenzen. Zonder die nadere gegevens kan slechts worden gekeken naar het e-mailbericht van 22 maart 2011 - het enige relevante stuk over de totstandkomingsfase - en dat polyinterpretabele stuk in combinatie met de onder 2.13 genoemde omstandigheden had voor Nagico aanleiding moeten om bij de wederpartij te verifiëren wat de bedoeling was. Dat Nagico dit heeft gedaan is gesteld noch gebleken. Zij heeft haar interpretatie van de afspraken evenmin duidelijk vastgelegd op het polisblad, wat wel op haar weg had gelegen als zij (ook toen al) meende dat Pearl met het oog op de lagere premie om een gezamenlijke limiet van US$ 5 miljoen had gevraagd, en zoals zij dat ook bij de schade aan de “Leasehold Improvements” ingeval van aardbeving heeft gedaan. Evenmin heeft Nagico - als de op dit punt meest gerede partij; zij bepaalde immers de premies - enigszins inzichtelijk gemaakt welke betekenis de beperking van de dekking waarom het hier gaat had voor de premie. Nu dat niet is gebeurd, kan het verweer dat Pearl en Iron Shore de dekking in rechte oneigenlijk willen uitbreiden niet op zijn merites worden beoordeeld en blijft het verwijt dat Pearl en Iron Shore - kort gezegd - voor een dubbeltje op de eerste rang willen zitten een slag in de lucht.

2.16

Dit betekent dat ook grief 3 doel treft.

2.17

Dat de bedrijfsschade per 1 juni 2018 US$ 1.862.638,- bedraagt is door Nagico niet gemotiveerd betwist en evenmin dat de relevante “deductible” van zeven dagen tot een aftrek van US$ 61.387,08 leidt, zodat US$ 1.801.250,92 resteert. Ook dit bedrag zal daarom alsnog worden toegewezen.

2.18

Nagico heeft onvoldoende gesteld om tot (tegen)bewijslevering te worden toegelaten. Aan haar algemene bewijsaanbod zoals zij dat bij conclusie van antwoord heeft gedaan, en ter zitting bij het Gerecht nog iets heeft toegespitst, zal daarom voorbij worden gegaan.

2.19

De slotsom is dat de grieven 2 en 3 slagen en daarmee ook de voortbouwende grieven 4 en 5. De andere grief (1) kan onbesproken blijven. Het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd en de vorderingen van Pearl en Iron Shore moeten alsnog geheel worden toegewezen. Nagico zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de beide instanties.

2.20

Het vonnis zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard zoals door Pearl en Iron Shore is gevorderd. De door Nagico aangevoerde bezwaren geven geen aanleiding daarvan af te zien of om Pearl en Nagico te verplichten om zekerheid te stellen.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover daarbij de vorderingen van Pearl en Iron Shore zijn afgewezen en doet, het bestreden vonnis voor het overige bevestigend, opnieuw recht:

veroordeelt Nagico om aan Pearl en Iron Shore te betalen een bedrag van in totaal US$ 2.430.899,34 (US$ 623.648,42 plus US$ 1.801.250,92) te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 13 juni 2018;

veroordeelt Nagico in de kosten van de procedure, aan de zijde van Pearl en Iron Shore gevallen en tot op heden voor de eerste aanleg begroot op NAf 7.749,50 aan verschotten en NAf 12.000,- voor salaris van de gemachtigde en wat betreft het hoger beroep op NAf 15.321,50 aan verschotten en NAf 27.000,- voor salaris gemachtigde, deze bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente ingaande de vijftiende dag na betekening van dit vonnis;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. E.M. van der Bunt, M.W. Scholte en F.W.J. Meijer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Sint Maarten uitgesproken op 18 december 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.