Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2020:266

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
17-11-2020
Datum publicatie
02-12-2020
Zaaknummer
CUR201703269 – CUR2019H00265
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

CUR201703269 – CUR2019H00265

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2020 Vonnis no.:

Registratienummers: CUR201703269 – CUR2019H00265

Uitspraak: 17 november 2020

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van

[Appellant],

wonende in Curaçao,

hierna: [Appellant],

in eerste aanleg eiser in conventie, tevens verweerder in reconventie,

thans appellant,

procederende in persoon,

tegen

de openbare rechtspersoon

HET LAND CURAÇAO,

zetelende in Curaçao,

hierna: het Land,

in eerste aanleg gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie,

thans geïntimeerde,

gemachtigden: mrs. L.S. Davelaar en A.C. van Hoof.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Bij een op 10 juli 2019 ingekomen akte van appel is [Appellant] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 10 juni 2019 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht).

1.2

Bij een op 16 augustus 2019 ingekomen memorie van grieven heeft [Appellant] grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en zijn vorderingen in conventie alsnog zal toewijzen, met veroordeling van het Land in de proceskosten in beide instanties.

1.3

Bij memorie van antwoord heeft het Land de grieven bestreden. Zijn

conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, met

veroordeling van [Appellant] in de proceskosten in beide instanties.

1.4

Op de daarvoor nader bepaalde dag hebben partijen pleitnotities overgelegd.

1.5

Vonnis is gevraagd en nader bepaald op vandaag.

2 De beoordeling

2.1

In hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten die deels aan het bestreden vonnis zijn ontleend. Voor zover [Appellant] deze feitenvaststelling van de eerste rechter in hoger beroep bedoelt te bestrijden, heeft hij dat niet afdoende gedaan.

2.1.1.

Ten name van het Land staat in de openbare registers geregistreerd het perceel opgenomen in meetbrief 599 van 1998, register C, deel 1154, nummer 34 (hierna het perceel), groot circa 2.978 m2 en gelegen te Las Almas, Curaçao.

2.1.2

Het perceel is onbewoond, onbebouwd en grotendeels niet omheind. Wel bevindt zich op het perceel een ruïne van wat eens een kunuku-huis is geweest.

2.13

In 2001 is het perceel in opdracht van Domeinbeheer en op kosten van [Appellant] getaxeerd door een taxatiekantoor (onderhandse verkoopwaarde NAf 67.000,-), dit in verband met een beoogde aankoop van het perceel door [Appellant].

2.1.4

Ten name van [Naam] staat of stond een stuk grond te Las Almas omschreven bij rooibrief van 10 januari 1831, volgens het plantageregister groot circa 1,25 hectare, door [Naam] verkregen bij akte van koop en verkoop van 1 augustus 1874.

2.1.5

Een of meer rechtsopvolgers van [Naam] hebben, naar het Hof begrijpt: samen met [Appellant], geprocedeerd over een door de familie [Naam] gebruikt stuk grond ten noorden van het door [Naam] gekochte terrein. Bij vonnis van 3 november 1993 heeft het Hof, evenals eerder het Gerecht bij uitspraak van 9 maart 1992 had gedaan, het beroep van [Naam] op eigendom van de grond als gevolg van verkrijgende verjaring afgewezen. Tegen dat Hofvonnis is geen cassatieberoep ingesteld.

2.2

In dit geding heeft [Appellant] in conventie gevorderd dat het Gerecht bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor recht zal verklaren dat [Appellant] door verjaring de eigendom heeft verkregen van het perceel “met de daarop staande opstallen, zoals omheind en omrasterd, gelegen te Las Almas (…)”, met een bevel dat het te wijzen vonnis wordt overgeschreven in de daartoe bestemde registers, en het Land zal veroordelen tot het betalen aan [Appellant] van een schadeloosstelling van NAf 1.008.000,-, met wettelijke rente, een en ander met veroordeling van het Land in de proceskosten.

In reconventie vorderde het Land een verklaring voor recht dat [Appellant] onrechtmatig handelt jegens het Land door zonder geldige titel gebruik te maken van het perceel, alsmede een bevel aan [Appellant] om het perceel te ontruimen, met veroordeling van [Appellant] in de proceskosten.

2.3

Bij het bestreden vonnis heeft het Gerecht de vorderingen in conventie afgewezen en [Appellant] veroordeeld in de kosten van die procedure.

Op de grond dat tijdens het geding was gebleken dat [Appellant], anders dan hij aanvankelijk had gesteld, geen gebruik maakte van het perceel, en er geen aanwijzingen zijn dat hij inbreuk maakt op het eigendomsrecht van het Land, heeft het Gerecht ook de vordering in reconventie afgewezen en daarbij - gelet op de aanvankelijke stellingname van [Appellant] - de kosten van de procedure in reconventie tussen partijen gecompenseerd.

2.4

Voor zover de twee inleidende grieven van [Appellant] klagen over partijdigheid van de eerste rechter falen zij, niet alleen reeds wegens gebrek aan belang - het hoger beroep biedt immers de gelegenheid voor een volledige herkansing - maar ook omdat noch in de genoemde omstandigheden noch anderszins ook maar een begin van bewijs voor deze aantijging is te vinden.

2.5

In aanvulling hierop wordt nog het volgende overwogen.

2.6

Dat het Gerecht het procesdossier van de onder 2.1.5 bedoelde procedure niet heeft ingezien, althans daarvan niet heeft doen blijken, is om meerdere redenen goed te begrijpen. Allereerst omdat de rechter met het oog op de beoordeling geen procesdossiers in andere zaken raadpleegt; een enkel verzoek het procesdossier in een andere zaak “als thans geïnsereerd en integraal bestanddeel van de zaak te beschouwen” maakt dat niet anders. Het was aan [Appellant] was om de relevante stukken in het geding te brengen en (in elk geval om) toe te lichten welke passages uit het andere dossier van belang zijn.

Daarbij komt het volgende. In het vonnis van 3 november 1993 is kennelijk beslist dat de familie [Naam] niet door verjaring eigenaar was geworden van een stuk grond gelegen ten noorden van het door [Naam] in 1874 gekochte perceel, dat de familie [Naam] in bezit zou hebben genomen en waarop het huis was gebouwd waarin F.M. [Naam] woonde. De stellingen van [Appellant] impliceren dat het perceel deel uitmaakte van dat stuk grond. Dat Hofvonnis is in kracht van gewijsde gegaan en heeft in beginsel ook bindende kracht voor partijen, voor het Land zo goed als voor [Appellant], ook als hij in die procedure geen partij maar slechts - zoals hij stelt - rechtsopvolger onder bijzondere titel van [Naam] is. Geen van partijen heeft echter een voldoende duidelijk beroep op het gezag van gewijsde van (onderdelen van) deze uitspraak gedaan. Reeds daarom is de inhoud van het procesdossier in dit geding niet relevant en behoeft niet te worden onderzocht of de uitspraak onverenigbaar is met het arrest van de Hoge Raad van 18 juni 1993 (rekestnummer 8192), nog daargelaten welke gevolgen aan die constatering zouden moeten worden verbonden. Opvallend is overigens dat, hoewel [Appellant] stelt dat deze uitspraak in 1993 aan het Hof is voorgelegd en dat het Hof deze op onrechtmatige wijze heeft genegeerd, tegen het vonnis vervolgens geen cassatieberoep is ingesteld.

2.7

Daarbij komt dat uit de stukken ook niet is af te leiden dat [Appellant] het perceel van de familie [Naam] heeft gekocht. De door [Appellant] overgelegde overeenkomst uit 1990 tussen F.M. [Naam] en [Appellant] betrof een koopoptie voor een terrein van circa 10.000m2 te Las Almas [nummer] voor NAf 8,50 per m2 (derhalve ongeveer NAf 85.000,-, Hof), uit te oefenen nadat op de rechtsvordering van [Naam] bij in gewijsde gegane uitspraak was beslist, waarmee naar mag worden aangenomen een voor [Naam] gunstige beslissing in de onder 2.1.5 bedoelde procedure was bedoeld. Het handgeschreven, door [Appellant] en D. [Naam] ondertekende, stuk van 7 april 1995 heeft betrekking op de koop van een huis voor NAf 7.500,- en niet op de grond. Blijkens de door [Appellant] in het geding gebrachte hypotheekakte van 7 december 1995 was of dezelfde dag een akte van verkoop en koop verleden blijkens welke [Appellant] het door hem verhypothekeerde onroerend goed had verkregen. Als deze koop niet alleen betrekking had op het met hypotheek bezwaarde perceel te Las Almas van 7.520 m2, maar ook op het litigieuze perceel van 2.978 m2 (tezamen dus circa 10.000 m2, Hof) had [Appellant] dat eenvoudig kunnen aantonen door het overleggen van de notariële akte. Dat hij heeft hij echter niet gedaan en hij biedt van zijn stellingen inzake de gestelde koop en overdracht ook geen bewijs aan.

2.8

Ook hierom is de eerste algemene grief ongegrond.

2.9

De beslissing van het Gerecht om de kosten van [Appellant] in reconventie als nodeloos aangewend voor rekening van [Appellant] zelf te laten komen door middel van kostencompensatie is genomen op een grond die de beslissing kan dragen en het Hof onderschrijft die beslissing. Mocht [Appellant] met de tweede algemene grief mede over die beslissing bedoelen te klagen, dan is dat tevergeefs.

2.10

De bijzondere grieven 1 en 2, voor zover al begrijpelijk, stuiten af op wat de eerste rechter dienaangaande in rov. 2.1, 2.4 en 4.2 heeft vastgesteld en beslist, welke overwegingen het Hof overneemt, en op wat hierboven onder 2.6 en 2.7 is overwogen.

2.11 [

Appellant] heeft ook in hoger beroep niets, althans onvoldoende aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat hij het bezit over het terrein uitoefent of heeft uitgeoefend, meer in het bijzonder dat hij dat deed in 2001 op het moment dat hij krachtens artikel 3:105 BW en het relevante overgangsrecht door verjaring eigenaar zou hebben kunnen worden van het perceel als de familie [Naam] voordien als bezitters hadden kunnen worden aangemerkt. Zoals het Gerecht heeft overwogen wijst de omstandigheid dat [Appellant] het perceel in 2001 van de rechtsvoorganger van het Land heeft willen kopen op het tegendeel van enige uitwendig kenbare eigendomspretentie van [Appellant].

2.12

Ook de bijzondere grief 3 slaagt niet.

2.13

De laatste bijzondere grief (4) inzake de schadevergoeding, deelt als voortbouwende klacht het lot van de vorige grieven.

2.14

De slotsom is dat alle grieven falen zodat, nu het Hof ook ambtshalve geen reden ziet anders te oordelen, het vonnis waarvan beroep dient te worden bevestigd. [Appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

bevestigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [Appellant] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van het Land gevallen en tot op heden begroot op NAf 282,50 aan verschotten en
NAf 6.000,- aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoer bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. E.M. van der Bunt, F.W.J. Meijer en

O. Nijhuis, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 17 november 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.