Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2020:262

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
17-11-2020
Datum publicatie
01-12-2020
Zaaknummer
CUR2016H00060
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

onverdeelde huwelijksgoederengemeenschap; toedeling huis en kavel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PR-Updates.nl PR-2021-0003
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2020

Registratienummers: CUR2013000064 - CUR2016H00060

Uitspraak: 17 november 2020

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

VONNIS

in de zaak van:

[appellante] ,

wonende te Curaçao,

in eerste aanleg eiseres, thans appellante,

gemachtigde: mr. E.A. Knoppel,

tegen

[Geïntimeerde],

bij leven wonende te Curaçao,

in eerste aanleg gedaagde, thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. S.C. Larmonie.

De partijen zullen hierna de vrouw en de man worden genoemd.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1

Voor het verloop van de procedure tot aan het tussenvonnis van het Hof van 20 augustus 2019 wordt verwezen naar dat vonnis.

1.2

Op 26 mei 2020, 23 juni 2020 en 15 september 2020 is van de zijde van de man telkenmale een akte uitlating Verklaring van Erfrecht (VVE) genomen.

1.3

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 De feiten

2.1

In hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende, door het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) onder 2.1 tot en met 2.5 van het vonnis van 6 oktober 2014 vastgestelde, feiten, waarbij rekening is gehouden met de peildatum en (nadere) stellingen van partijen.

2.2

De man en de vrouw zijn op 13 maart 1995 in Curaçao in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Bij beschikking van het Gerecht van 18 december 2012 is de echtscheiding tussen hen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 31 januari 2013 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.3

Bij beschikking van het Gerecht van 28 maart 2013 is gelast dat de huwelijksgoederengemeenschap zal worden verdeeld met benoeming van een notaris en onzijdige personen. Als peildatum voor de verdeling is de datum 12 september 2012 genoemd.

2.4

De man en de vrouw voerden sinds 1996 geen gemeenschappelijke huishouding meer.

2.5

De man heeft een pensioen opgebouwd bij het Algemeen Pensioenfonds Curaçao en is ingaande [datum] januari 2013 pensioengerechtigd geworden.

Volgens de pensioenbrief van 15 oktober 2014 van het Algemeen Pensioenfonds Curaçao bedraagt de per 12 september 2012 in de huwelijkse periode opgebouwde aanspraak op ouderdomspensioen NAf 35.493,- per jaar en bedraagt per de contante waarde per 12 september 2012 van de pensioenaanspraken NAf 363.992,-.

3 De verdere beoordeling

3.1

In eerste aanleg heeft de vrouw gevorderd dat het Gerecht:

1. de man zal veroordelen om over te gaan tot scheiding en deling van de gemeenschap van goederen waarin partijen deelgenoten zijn conform de in het verzoekschrift beschreven wijze, zijnde toewijzing van de kavel met appartement aan de vrouw en de waarde van het pensioen en het reeds uitgekeerde pensioen aan de man,

2. met voldoening van NAf 155.208,50 door de man aan de vrouw wegens onderbedeling, althans een in goede justitie te bepalen verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap te bepalen,

3. een onzijdig persoon zal benoemen om de man, voor zover hij onwillig is, te vertegenwoordigen bij de werkzaamheden tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap,

4. een notaris zal aanwijzen voor de verdere afwikkeling van de huwelijksgoederengemeenschap,

5. zal bepalen dat de kosten van de onzijdige persoon en de notaris ten laste zullen komen van de huwelijksgoederengemeenschap.

3.2

In het bestreden vonnis heeft het Gerecht de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap als volgt vastgesteld:

- aan de man worden zonder nadere verrekening toebedeeld:

 de kavel en de daarop rustende woning aan de [adres];

 de opgebouwde pensioenrechten van de man.

- met de vaststelling dat er op de peildatum 12 september 2012 geen schulden waren die moeten worden verrekend.

3.3

De vrouw heeft tegen het bestreden vonnis vier grieven aangevoerd en geconcludeerd dat het Hof de beschikking van het Gerecht van [het Hof leest] 29 augustus 2016 met zaaknummer AR 65982/2013 zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verzoeken van de vrouw zal toewijzen en de verzoeken van de man zal afwijzen.

3.4

Terwijl onderhavige procedure in appel aanhangig was, is op [datum] 8 december 2016 de man overleden. Volgens de verklaring van erfrecht die in het geding is gebracht, heeft de overledene als zijn erfgenamen achtergelaten zijn dochters [dochter 1] en [dochter 2], ieder voor een tweede (½) onverdeeld aandeel van zijn nalatenschap.

Op 9 november 2017 is overleden voornoemde [dochter 1]. Volgens de verklaring van erfrecht die ten aanzien van haar nalatenschap in het geding is gebracht, heeft de overledene als haar erfgenamen achtergelaten haar twee zussen en broer [naam zus], [dochter 2] en [broer] en zijn deze erfgenamen gezamenlijk bevoegd de goederen behorende tot de nalatenschap te beheren en te vereffenen.

Volgens de verklaring van erfrecht ten aanzien van de nalatenschap van de man zijn - in aanmerking nemende het overlijden van [dochter 1] – [dochter 2], [zus] en [broer] (hierna: de erfgenamen) bevoegd diens nalatenschap te beheren en te vereffenen.

3.5

De procedure zal op naam van de erflater worden voortgezet. Beslist wordt thans als volgt.

De pensioenrechten

3.6

De vrouw heeft tevergeefs grieven gericht tegen de overweging die ten grondslag ligt aan de beslissing over de pensioenrechten nu de man inmiddels is overleden. Het recht op pensioenverrekening is afhankelijk van het leven van de pensioengerechtigde en eindigt bij zijn overlijden. Een pensioenverrekeningsvordering kan daarom niet worden ingesteld tegen erfgenamen van een overleden verrekeningsplichtige (HR 3 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0270 PJ 2004/77, art. 81 RO-verwerping: zie de conclusie van de Advocaat-Generaal, ECLI:NL:PHR:2003:AI0270). Het Hof onderschrijft overigens het oordeel en de overwegingen van het Gerecht in rov. 3.3 van het vonnis van

29 augustus 2019 en neemt deze, voor zover vereist, over.

De schulden

3.7

De vrouw heeft in eerste aanleg nadat zij aanvankelijk niet repte over schulden (in een laat stadium, pas na het eerste tussenvonnis), een overzicht van schulden in het geding gebracht, die volgens haar ook betrokken moesten worden in de verdeling. Het Gerecht heeft onder 3.5 overwogen dat het er bij gebreke van concrete informatie voor moet worden gehouden dat de schulden zijn opgebouwd na datum ontbinding huwelijk, waarna de beslissing volgde dat er op de peildatum geen schulden waren die verrekend moesten worden.

3.8

De vrouw heeft dat in hoger beroep bestreden. Zij heeft voor een deel van de schulden - Kompa Leon en Lening [nummer] van MCB, RBC en Transamico - saldobrieven overgelegd, waaruit blijkt dat deze schulden reeds bestonden op de peildatum van 12 september 2012.

3.9

Namens de man is volhard in zijn betoog dat de schulden toebehoren aan de vrouw, zonder specifiek in te gaan op deze saldobrieven.

3.10

De door de vrouw concreet genoemde schulden vallen op grond van artikel 1:94 lid 4 en 6 BW in de huwelijksgemeenschap. Dat deze schulden aan de vrouw zijn verknocht is niet, althans niet in voldoende mate, betoogd.

3.11

Dat staat er, ook op grond van artikel 3:166 lid 3 BW, echter niet aan in de weg dat een van de echtgenoten naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid gehouden kan zijn om bepaalde schulden in het geheel zelf te dragen (zie ook ECLI:NL:HR:1993:ZC1013). De omstandigheden van dit geval rechtvaardigen een dergelijke beslissing in die zin dat de vrouw deze schulden zelf dient te dragen, zonder dat (de erfgenamen van) de man daaraan hoeven bij te dragen. Die omstandigheden bestaan eruit dat deze schulden door de vrouw zijn aangegaan nadat de samenleving was verbroken. De man en vrouw hebben maar één jaar gehuwd samengeleefd en vervolgens 18 jaren gehuwd gescheiden geleefd. Partijen stonden financieel los van elkaar. De leningen zijn aangewend ten behoeve van haar zelf en de man heeft daar op geen enkele wijze invloed op en/of profijt van gehad. Met zoveel woorden is dit alles door de man aangevoerd en dit is door de vrouw op zichzelf niet weersproken. Dit betekent dat de beslissing van het Gerecht betreffende de schulden in stand dient te blijven.

Kavel en huis [adres]

3.12

Onder 3.4. van het bestreden eindvonnis heeft het Gerecht als volgt overwogen:

Het hiervoor overwogene is eveneens van belang bij de beoordeling van de vraag of [Appellante] wegens overbedeling de helft van de overwaarde van de woning toekomt. Het Gerecht beantwoordt ook die vraag negatief. Uit artikel 3:185 lid 1 BW volgt dat bij de vaststelling van de verdeling van een gemeenschap de rechter naar billijkheid dient rekening te houden met alle belangen van alle betrokken partijen en met het algemeen belang en dus ook met het belang van [Geïntimeerde]. Gelet op het feit dat de woning op naam van [Geïntimeerde] staat en hij voornamelijk in de woning heeft gewoond, dat [Geïntimeerde] alle kosten van de woning heeft gedragen, waaronder de hypothecaire lasten, mede indachtig de korte duur van de huwelijksgemeenschap, de slechte gezondheid van [Geïntimeerde] en rekening houdende met zijn meerderjarige kinderen uit een vorige relatie, is het Gerecht van oordeel dat de woning, zoals reeds is overwogen, aan [Geïntimeerde] zal worden toebedeeld, zonder dat aan [Appellante] de helft van de overwaarde moet worden voldaan wegens overbedeling. [Appellante] heeft haar belang bij toedeling van de helft van de overwaarde in het licht van voornoemde omstandigheden onvoldoende gemotiveerd. Die vordering zal eveneens worden afgewezen.

3.13

De vrouw heeft over de woning naar voren gebracht dat partijen vanaf de jaren 90 hebben samengewoond en lange tijd in zorgverhouding hebben geleefd. De vrouw heeft de man bijgestaan gedurende zijn ziekte tot aan haar vertrek. Zij heeft hem noodgedwongen verlaten, nadat hij haar mishandelde. De man verbleef bovendien niet in de woning, maar woonde met zijn levenspartner elders en had dus ook geen kosten aan de woning. De belangen van de vrouw zijn door het Gerecht niet (in voldoende mate) in acht genomen, aldus de vrouw. De juistheid van deze, door de man gemotiveerd bestreden stellingen, blijkt echter onvoldoende uit de overgelegde verklaringen en nader bewijs heeft de vrouw niet (voldoende specifiek) aangeboden. Het bewijsaanbod onder 7 van de memorie van grieven inzake het aldoor bedoelde geval is niet ter zake dienend.

3.14

Uit de gedingstukken leidt het Hof af dat de vrouw (nog steeds) wenst te worden uitgekocht. Van een redelijk belang bij toebedeling van het huis aan haar is ook niet gebleken. Ervan uitgaande dat de gezamenlijke erfgenamen (nog steeds) wensen dat de kavel en het huis aan hen worden toebedeeld, dient te worden onderzocht of de gezamenlijke erfgenamen een vergoeding wegens overbedeling moeten betalen voor toedeling van het huis dat als aanbrengst ten huwelijk tot de huwelijksgoederengemeenschap is gaan behoren. Weggevallen is inmiddels het belang van de man om in het huis te blijven wonen. Onverminderd relevant zijn de omstandigheden dat het huis op zijn naam stond, hij er anders dan de vrouw lang heeft gewoond en alle kosten heeft betaald alsmede de zeer korte periode dat de echtelieden aan hun lotsverbondenheid invulling hebben gegeven. Van bijzondere belangen van de gezamenlijke erfgenamen bij de toe te delen zaken is niet gebleken. Uitgaande van 12 september 2012 als peildatum en een marktwaarde per 16 december 2014 van NAf 175.000,-, komt het Hof rekening houdende naar billijkheid met de belangen van partijen (3:185 lid 1 BW) tot een vergoeding van NAf 40.000,-.

3.15

Het Hof zal de zaak verwijzen naar de rol voor het nemen van een akte waarin de gezamenlijke erfgenamen kunnen laten weten of zij bereid en in staat zijn om de onroerende zaak tegen betaling van dit bedrag aan de door hen drieën gevormde gemeenschap te laten toedelen. Daarbij zij benadrukt dat wordt gevraagd om een gezamenlijk standpunt van de erfgenamen ten behoeve de gemeenschap, al dan niet overgebracht door [dochter 2] als hun vertegenwoordigster. Het gaat in deze zaak immers om de verdeling van de onverdeelde huwelijksgoederengemeenschap; verdeling van de nalatenschap van de man en (en die van zijn overleden dochter) is hier niet aan de orde.

3.16

Een eventuele antwoordakte van de vrouw zal zich dienen te beperken tot de toedeling van huis en kavel.

3.17

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 De beslissing

Het Hof:

verwijst de zaak naar de rol van 15 december 2020 voor akte uitlating door de (gezamenlijke erfgenamen van de) man omtrent hetgeen is overwogen onder 3.15;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. M.W. Scholte, F.W.J. Meijer en O. Nijhuis, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 17 november 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.