Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2020:261

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
17-11-2020
Datum publicatie
30-11-2020
Zaaknummer
CUR2020H00224
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

omgangsregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Registratienummers: CUR201902596/2598/2599 en CUR2020H00224

Uitspraak: 17 november 2020

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN

ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN

BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

in de zaak van

[Appellante],

wonende in Curaçao,

oorspronkelijk verzoekster, nu appellante,

gemachtigde: mr. E.A. Knoppel,

tegen

[Geïntimeerde],

domicilie kiezend in Curaçao,

oorspronkelijk verweerder, nu geïntimeerde,

gemachtigde: mr. S.P. Osepa.

Partijen worden hierna de moeder en de vader genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en verzocht, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) wordt verwezen naar de tussen partijen in deze zaak op 28 mei 2020 gegeven beschikking.

1.2.

Moeder heeft bij beroepschrift van 6 juli 2020, ingekomen bij de griffie van het Hof op 7 juli 2020, tegen die beschikking hoger beroep ingesteld en de gronden van beroep aangevoerd. Zij heeft daarbij verzocht dat het Hof onder gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beschikking – het deel van de omgangsregeling – verzocht opnieuw rechtdoende de vordering van vader zal afwijzen althans de omgangsregeling zal bepalen zoals door de moeder is voorgestaan, kosten rechtens.

1.3.

Vader heeft tijdens de mondelinge behandeling op 15 september 2020 een verweerschrift ingediend. Daarin heeft hij geconcludeerd tot bevestiging van de beschikking waarvan beroep dan wel tot het nemen door het Hof in goede justitie van een beslissing waarbij voldoende rekening wordt gehouden met de belangen van de minderjarigen en tevens met het beroep van vader.

1.4.

Op 15 september 2020 heeft de mondelinge behandeling ter zitting plaatsgevonden. De vader verbleef in België en heeft middels videoconferentie aan de zitting deelgenomen. De moeder is niet ter zitting aanwezig geweest. De gemachtigden van de moeder en de vader zijn (in het gerechtsgebouw) bij de zitting aanwezig geweest. Aldaar zijn de standpunten van partijen nader toegelicht en zijn vragen van het Hof beantwoord.

1.5

Beschikking is bepaald op vandaag.

2 De beoordeling

2.1.

Het hoger beroep is tijdig ingesteld.

2.2.

Het geschil in hoger beroep is beperkt tot de vraag welke omgangsregeling moet worden vastgesteld tussen de minderjarigen [dochter 1] (geboren [datum] 2006) en [dochter 2] (geboren [datum] 2008) en de vader.

2.3.

Het Gerecht heeft bij de bestreden beschikking een omgangsregeling vastgesteld, die inhoudt dat de minderjarigen bij de vader verblijven vier tot vijf perioden per jaar gedurende vier weken, eventueel na twee weken te onderbreken door een weekend bij de vrouw, zijnde de perioden dat de man in Curaçao verblijft en mits hij de moeder daarvan ten minste een maand vóór aankomst op de hoogte heeft gesteld. Met het hoger beroep komt de moeder op tegen deze beslissing.

2.4.

Artikel 809 Rv bepaalt dat in zaken betreffende minderjarigen, uitgezonderd die welke het levensonderhoud van een minderjarige betreffen die de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, de rechter niet beslist dan na de minderjarige van twaalf jaren of ouder in de gelegenheid te hebben gesteld hem zijn mening kenbaar te maken, tenzij het naar het oordeel van de rechter een zaak van kennelijk ondergeschikt belang betreft. Ter zitting hebben de vader en de moeder beiden aangegeven dat zij het niet in het belang van de minderjarigen achten dat zij worden gehoord omtrent de omgangsregeling. Het zou de minderjarigen te veel belasten. Gelet hierop en op het feit dat de verschillen in opvatting van de vader en de moeder niet heel groot zij – het beperkt zich immers tot het verblijf van de minderjarigen in de vakanties – is het Hof van oordeel dat het niet nodig is om te minderjarigen te horen.

2.5.

De moeder heeft aangevoerd dat de door het Gerecht vastgestelde omgangsregeling – meer in het bijzonder de verdeling van de schoolvakanties – onvoldoende rekening houdt met de belangen van de moeder en de minderjarigen. De moeder geeft les en is daardoor afhankelijk van de schoolvakanties. De huidige omgangsregeling betekent dat de vader elke schoolvakantie het verblijf van de minderjarigen bij hem kan claimen en dat de moeder geen van de schoolvakanties met de minderjarigen kan doorbrengen.

2.6.

De vader heeft hiertegen ingebracht dat de vrees van de moeder dat hij alle vakanties zal “inpikken” nergens op gebaseerd is. De vader is militair en momenteel gestationeerd in Zeebrugge op het schip Leopold. De vader voert aan dat hij steeds bereid moet zijn de instructies en aanwijzingen van zijn werkgever op te volgen en dat hij om die reden niet zo flexibel kan zijn als de moeder wil. Hij kan niet een omgangsregeling afspreken waarbij de minderjarigen om en om in de kerstvakantie en de zomervakantie bij de vader en de moeder zullen verblijven. Ook is hij niet in staat om langer dan een maand van tevoren aan te geven in welke periode hij naar Curacao kan reizen. De vader verzoekt het Hof – in zijn visie de oplossing in deze zaak – in goede justitie te bepalen dat moeder ten minste drie maanden van tevoren aangeeft wanneer zij in een bepaalde vakantieperiode op vakantie wil met de minderjarigen.

2.7.

Het Hof is van oordeel – de belangen van de vader, de moeder en de minderjarigen afwegend en met inachtneming van de in hoger beroep aangevoerde argumenten – dat de volgende omgangsregeling dient te worden vastgesteld. De minderjarigen verblijven vier à vijf perioden per jaar bij de vader. Bij een verblijf van de minderjarigen bij de vader in Curaçao (dit geldt derhalve niet wanneer de vader met de minderjarigen voor vakantie in het buitenland verblijft) van twee weken of langer verblijven de minderjarigen om de week het weekend bij de moeder. De moeder heeft het recht in de even jaren de zomervakantie te claimen en in de oneven jaren de kerstvakantie. De moeder moet dit wel minimaal drie maanden van tevoren bij de vader aangeven, waarbij de vader op zijn beurt verplicht is het verzoek van de moeder te honoreren.

2.8.

Gelet op het familierechtelijke karakter van de zaak, zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

3 Beslissing

Het Hof:

vernietigt de beschikking van 28 mei 2020 voor zover daarin de omgangsregeling is bepaald;

opnieuw rechtdoende:

stelt de volgende omgangsregeling vast:

de minderjarigen verblijven vier à vijf perioden per jaar bij de vader;

de vader moet minimaal een maand van tevoren aangeven in welke periode hij naar Curaçao komt of wanneer hij met de minderjarigen met vakantie naar het buitenland wil;

bij een verblijf van de minderjarigen bij de vader in Curaçao van twee weken of langer verblijven de minderjarigen om de week het weekend bij de moeder;

de moeder heeft het recht in de even jaren de zomervakantie te claimen en in de oneven jaren de kerstvakantie; de moeder moet dit wel minimaal drie maanden van tevoren bij de vader aangeven, waarbij de vader verplicht is het verzoek van de moeder te honoreren;

bevestigt de beschikking voor het overige;

compenseert de proceskosten van het hoger beroep in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Th.G. Lautenbach, E.M. van der Bunt en F.W.J. Meijer, leden van het Hof, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 november 2020 in Curaçao, in tegenwoordigheid van de griffier.