Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2020:259

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
17-11-2020
Datum publicatie
30-11-2020
Zaaknummer
AUA2019H00246
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen eenzijdige wijzigingsbevoegdheid; wijziging arbeidsvoorwaarde; goed werknemerschap; redelijk voorstel werkgever; verbetertraject; demotie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2020 Beschikking no.:

Registratienummers: AUA201900813 - AUA2019H00246

Uitspraak: 17 november 2020

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

B E S C H I K K I N G

in de zaak van:

[Appellante],

wonende in Aruba,

oorspronkelijk verzoekster,

thans appellante,

gemachtigden: mrs. A.A. Ruiz en I.R. Wever,

tegen

de stichting

FUNDACION CAS PA COMUNIDAD ARUBANO,

gevestigd in Aruba,

oorspronkelijk verweerster,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. J.L. Peterson.

De partijen worden hierna [Appellante] en FCCA genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 18 december 2019, is [Appellante] in hoger beroep gekomen van de tussen partijen gegeven en op 26 november 2019 uitgesproken beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (verder: het Gerecht).

1.2

Bij beroepschrift met productie concludeert [Appellante] dat het Hof de bestreden beschikking zal vernietigen en opnieuw rechtdoende haar verzoeken alsnog zal toewijzen, met veroordeling van FCCA in de kosten van beide instanties.

1.3

Op 28 september 2020 heeft FCCA een verweerschrift met producties bij het Hof ingediend, waarbij zij de gronden van beroep heeft bestreden en heeft geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis, kosten rechtens.

1.4

Op 1 oktober 2020 heeft een zitting per videoconferentie plaatsgevonden. De advocaten hebben de standpunten van partijen nader toegelicht. Uitspraak is vervolgens bepaald op heden.

2 De feiten

2.1

Per 1 oktober 1998 is [Appellante] in dienst getreden van FCCA. Vanaf 1 april 2008 was zij werkzaam in de functie van Assistente Interne Controle. Vereiste voor de benoeming of tewerkstelling in deze functie, met bijbehorende salarisschaal 6, is een HBO-diploma. Dit vereiste is voorafgaand aan haar benoeming in deze functie ook in een e-mail van 19 juli 2007 (zie Productie 4 bij het inleidend verzoekschrift) aan [Appellante] bekend gemaakt.

2.2 [

Appellante] beschikt niet over een HBO-diploma. Zij is ingeschaald in subschaal 6.

2.3

In de arbeidsovereenkomst is geen eenzijdig wijzigingsbeding opgenomen.

2.4

FCCA is een financiële instelling als bedoeld in de Landsverordening toezicht kredietwezen en valt als zodanig onder het toezicht van de Centrale Bank van Aruba (hierna: CBA).

2.5

De externe accountants van FCCA hebben in de management letter van 2015 (KPMG) en de board reports van 2016 en 2017 (PwC) geconcludeerd dat de bestaande afdeling interne audit van FCCA niet voldoet aan de international auditing standards, althans dat een “(high) risk of non-compliance of the regulations (naar het Hof begrijpt: van de CBA)” bestaat.

2.6

In 2016 is de organisatie van FCCA doorgelicht door een externe deskundige. Deze deskundige concludeerde dat de bestaande afdeling internal audit niet naar behoren functioneert. De gebruikelijk, marktconforme, standaard voor financiële instellingen is “three lines of defense model”, terwijl de afdeling internal audit meer functioneerde als een “second line of defence model” en soms als een “first line of defence model”.

2.7

De externe deskundige heeft in opdracht van FCCA in 2017 ook een risk assessment uitgevoerd. De resultaten van het risk assessment en de conclusie van de externe deskundige dat de bestaande afdeling internal audit niet naar behoren functioneert hebben FCCA doen besluiten de organisatie te reorganiseren.

2.8

De reorganisatie hield in dat de afdeling interne controle op de schop is gegaan. Naast een nieuw opgezette onafhankelijke afdeling Internal Audit zijn er in de organisatie een nieuwe afdeling Interne Controle & Riskmanagement en een nieuwe afdeling Financiële Controle en Rapportage gekomen.

2.9

Voor de functie Assistent Interne Controle & Riskmanagement geldt subsalarisschaal 6. Voor aanstelling of plaatsing in deze functie is het bezit van een HBO-diploma vereist.

2.10 [

Appellante] is na de reorganisatie (in januari 2018) geplaatst in de functie van Assistent Interne Controle & Riskmanagement met subschaal 6 als salarisschaal, met de mogelijkheid door te groeien naar salarisschaal 6 indien en zodra [Appellante] over een HBO-diploma beschikt.

2.11 [

Appellante] is per 1 december 2018 overgeplaatst naar de afdeling Financiële Controle en Rapportage, met behoud van subschaal 6 en met de mogelijkheid door te groeien naar salarisschaal 6 indien en zodra [Appellante] over een HBO-diploma beschikt.

2.12 [

Appellante] heeft zich tegen deze overplaatsing en functiewijziging verzet.

2.13

Bij brief van 11 mei 2017 heeft CBA aan FCCA geschreven, voor zover van belang:

“The management letters 2014 and 2015 issued by KPMG reflected significant deficiencies and weaknesses regarding the internal control system, internal audit department, and the compliance with internal policies and procedures. In view of aforementioned, FCCA must submit an action plan on how it will redress the deficiencies and weaknesses reported in said management letters.”

2.14

Op 8 juli 2019 is [Appellante] op non-actief gesteld.

2.15

Het Gerecht heeft het ontbindingsverzoek van FCCA afgewezen bij beschikking van 31 maart 2020 omdat, kort gezegd, onvoldoende is gebleken van een door FCCA gestelde verstoorde arbeidsverhouding die zo ernstig en duurzaam verstoord is geraakt dat een terugkeer op de werkvloer van [Appellante] niet meer tot de reële mogelijkheden behoort.

3 De beoordeling

3.1

In eerste aanleg heeft [Appellante] verzocht:

I. een verklaring voor recht dat de door FCCA doorgevoerde wijzigingen van de functie van [Appellante] onrechtmatig althans onhoudbaar zijn;

II. een gebod [Appellante] binnen vijf dagen na de beschikking te herstellen in haar functie van Assistente Interne Controle met het aan die functie verbonden salaris en de daaraan verbonden doorgroeimogelijkheden, op verbeurte van een dwangsom van Afl. 250,00 per dag;

III. veroordeling van FCCA in de proceskosten.

3.2

Bij beschikking van 26 november 2019 heeft het Gerecht de verzoeken van [Appellante] afgewezen en [Appellante] veroordeeld in de proceskosten. Hieraan heeft het Gerecht – samengevat – het volgende ten grondslag gelegd. Het is aan FCCA om te bepalen op welke wijze zij haar onderneming en bedrijfsvoering inricht of herinricht. Het Gerecht kan de reden voor een reorganisatie slechts marginaal toetsen. Gelet hierop en in het licht van de vaststaande feiten mocht FCCA in redelijkheid overgaan tot de reorganisatie zoals zij heeft gedaan. De rechtmatig doorgevoerde reorganisatie brengt onder meer mee dat het afdelingenhuis en functiehuis binnen FCCA zijn gewijzigd. De afdeling waar [Appellante] voor de reorganisatie werkte bestaat niet meer. In redelijkheid kon van [Appellante] worden gevergd dat zij haar werkzaamheden voortzette in de functie van Assistent Interne Controle en Riskmanagement. FCCA heeft, mede op basis van verklaringen van leidinggevenden, geoordeeld dat de jarenlange ervaring van [Appellante] onvoldoende was om de professionaliseringsslag te maken die nodig was en dat zij aldus niet naar behoren functioneerde als Assistent Interne Controle en Riskmanagement. Daarom mocht FCCA in redelijkheid vergen van [Appellante] dat zij zou gaan werken als medewerkster op de afdeling Financiële Controle en Rapportage. Dit temeer omdat [Appellante] haar subschaal 6, met mogelijkheid van doorgroei naar salarissschaal 6 indien en zodra zij over een HBO-diploma beschikt, bleef behouden. Er is geen sprake van een demotie. Het ligt op de weg van [Appellante] om behoorlijk wat toontjes lager te zingen nu zij nog steeds niet beschikt over een HBO-diploma, terwijl voor alle functies waarin [Appellante] vanaf 1 april 2008 tot nu toe tewerk is gesteld een dergelijk diploma is vereist, aldus nog steeds het Gerecht.

3.3

In appel voert [Appellante] het volgende aan:

1. ten onrechte heeft het Gerecht als vaststaand aangenomen dat aan de aanstelling van [Appellante] de voorwaarde was verbonden dat zij een HBO-opleiding volgt en succesvol afrondt. [Appellante] betwist dat die voorwaarde bestond. Het behalen van een HBO-diploma zou pas een rol gaan spelen op het moment dat zij een leidinggevende functie zou willen vervullen. [Appellante] ambieerde echter een dergelijke functie niet. De eis van de HBO-opleiding is een voorgewende reden; er zijn veel werknemers die niet in het bezit zijn van een voor hun functie vereist diploma. FCCA heeft er ook nooit op aangedrongen dat [Appellante] haar HBO-diploma zou halen. [Appellante] heeft overigens minstens twee keer gevraagd of zij een HBO-opleiding mocht volgen maar deze toestemming is niet verleend omdat de opleiding alleen tijdens werkuren kon plaatsvinden.

2. er was geen reden voor een reorganisatie; FCCA voldoet wel aan de international standards voor het verrichten van de accountantscontrole. Ook de externe accountant (PWC) was deze mening toegedaan.

3. de reorganisatie is in scene gezet, het was niet nodig. FCCA wilde [Appellante] uit haar functie weg krijgen. Ze wist uit hoofde van haar functie teveel van de interne organisatie en de gevoelige kwesties die speelden. Zij was niet geneigd snel af te wijken van regels, zelfs niet als het bestuur haar verzocht dat te doen. Zo heeft [Appellante] een beslissing van de directie voor het uitkeren aan een aantal werknemers van een prestatiebonus, ondanks aandringen, niet ondertekend omdat dit in strijd was met het beoordelingssysteem.

4. er is geen sprake van een echte reorganisatie en een nieuwe organisatie: er is alleen een nieuwe afdeling Interne Controle & Riskmanagement bijgekomen.

5. [ Appellante] betwist dat het niet hebben van een HBO-diploma [Appellante] en de nieuwe afdeling parten speelde. Dit oordeel is nergens op gebaseerd. De taken in de nieuwe functieomschrijving verrichtte [Appellante] al met uitzondering van de taken 13 en 15 maar deze taken worden doorgaans door een externe accountant verricht en het is niet verplicht om deze taken in-house te doen. Slechts het hoofd en de Assistent van de afdeling dienen informatie te verschaffen aan de externe accountant. Een goed werkgever had dit bovendien met [Appellante] besproken en een verbetertraject ingezet.

6. FCCA heeft [Appellante] eenzijdig en zonder voorafgaand overleg of dialoog en zonder gegronde reden tot twee keer toe een demotie laten ondergaan. Het betreft een eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden. FCCA heeft daarmee niet te goeder trouw en niet als een goed werkgever gehandeld.

7. de woorden “behoorlijk wat toontjes lager zingen” in de beschikking waarvan beroep zijn onnodig grievend.

3.4

Het Hof overweegt als volgt. [Appellante] heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep gesteld dat haar verzoek dient te worden gelezen als herstel in de functie van Assistent Interne Controle, na naamswijziging aangeduid als de functie van Assistent Internal Audit. De vraag of dit ook daadwerkelijk mogelijk is kan, nu niet is betwist dat de afdeling Interne Controle van vóór de reorganisatie is opgeheven, althans de functie Assistent Interne Controle niet meer bestaat, gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, in het midden worden gelaten.

3.5

Niet in geschil is dat in de arbeidsovereenkomst geen eenzijdige wijzigingsbevoegdheid is opgenomen, die werkgever de bevoegdheid geeft een in de arbeidsovereenkomst voorkomende arbeidsvoorwaarde te wijzigen. Voorop gesteld wordt dat bij het ontbreken van een dergelijk beding de werknemer in beginsel niet gehouden is voorstellen van de werkgever tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden te aanvaarden. Daarover moet tussen hen overeenstemming worden bereikt, in verband waarmee de normen van goed werkgever en goed werknemer van toepassing zijn. Volgens de heersende jurisprudentie brengt goed werknemerschap met zich mee dat een werknemer in het algemeen positief dient in te gaan op redelijke voorstellen van de werkgever, verband houdende met gewijzigde omstandigheden op het werk, en een dergelijk voorstel slechts dan mag afwijzen, wanneer de aanvaarding ervan redelijkerwijs niet van hem kan worden gevergd (vgl. HR 26 juni 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2688, Van der Lely/Taxi Hofman BV). Onderzocht moet worden of de werkgever in de gewijzigde omstandigheden als goed werkgever aanleiding heeft kunnen vinden tot het doen van een voorstel tot wijziging, waarbij alle omstandigheden van het geval in aanmerking moeten worden genomen. Als daarvan sprake is, dient vervolgens te worden onderzocht of aanvaarding van het door de werkgever gedane redelijke voorstel (van een wijziging van de overeenkomst) in redelijkheid van de werknemer gevergd kan worden. Als dat ook het geval is, komt het de werknemer niet toe het voorstel tot wijziging te weigeren (vgl. HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1847, Stoof/Mammoet).

3.6

Wat betreft de doorgevoerde reorganisatie (punten 2-4 rov. 3.3) heeft [Appellante] tegenover de door FCCA overgelegde stukken en ingenomen stellingen gesteld dat de reorganisatie niet nodig was. Ze heeft in dat kader gewezen op het feit dat PwC in haar rapport van 24 februari 2016 heeft verklaard dat FCCA voldoet aan de internationale standaard voor het verrichten van de accountantscontrole. [Appellante] verwijst in dat kader naar een op pagina 4 van het rapport geel gearceerd gedeelte. Daar valt het door haar gestelde evenwel niet in te lezen nu daarin niet meer staat dan dat “the buildup of the organizational chart received from the client and the positioning of the Internal Audit department/function is correctly in line with the positioning as required by the International Standards for he Professional Practice of Internal Auditing (standards)”. Relevant is voorts dat PwC in hetzelfde rapport aandachtspunten noemt en aanbevelingen aan FCCA doet ter verbetering van haar internal audit. Feit is verder dat PwC in de board reports van 2016 en 2017 aan FCCA de aanbeveling doet om een internal audit departement in te voeren in de organisatie. Uit de management letter 2015 van KPMG blijkt daarbij dat er in de jaren 2012 tot 2015 al zorgen werden geuit door de externe accountant dat door FCCA niet werd voldaan aan de international auditing standards. Gelet op het vorenstaande en mede in aanmerking nemende de brief van 11 mei 2017 van de CBA aan FCCA (zie rov. 2.13), is genoegzaam gebleken van de noodzaak tot de reorganisatie. Dat FCCA aan de eisen van de CBA wil en moet voldoen is niet alleen wenselijk maar ook noodzakelijk, gelet op het feit dat zij een onder toezicht van de CBA staande financiële instelling is. Zoals FCCA terecht heeft aangevoerd, kan de toezichthouder boetes opleggen wanneer financiële instellingen niet volgens de eisen en richtlijnen opereren. Dat er mogelijk in de ogen van [Appellante] geen sprake is van een nieuwe organisatie althans een echte reorganisatie lijkt een kwestie van smaak. Voldoende is komen vast te staan dat de inrichting van de organisatie van FCCA is gewijzigd om de door deskundigen op dit gebied noodzakelijk geachte drie “lines of defence” in te voeren. Gelet hierop valt niet in te zien dat het doorvoeren van een reorganisatie een voorgekookt plan was, enkel met het doel om [Appellante] uit haar functie te zetten. Uit het voorgaande vloeit voort dat voor FCCA voldoende gegronde aanleiding bestond tot het doen van een voorstel aan [Appellante] tot wijziging van haar functie, althans haar werkzaamheden, nu haar oude functie na de reorganisatie zou komen te vervallen. Er is aldus sprake van gewijzigde omstandigheden die nopen tot wijziging van de arbeidsovereenkomst.

3.7

Vervolgens komt de vraag aan de orde of het door FCCA gedane voorstel van Assistent Interne Controle & Riskmanagement in het licht van alle omstandigheden van het geval redelijk is. Bekeken moet worden of de aangeboden functie voor [Appellante] passend kan worden geacht. Een functie wordt passend geacht als deze aansluit bij de opleiding, ervaring en capaciteiten van de werknemer. Nu het voorstel een functie betrof waarbij de werkzaamheden voor een deel overeenkwamen met de door [Appellante] gedurende meerdere jaren naar behoren vervulde functie van Assistent Interne Controle en ook van hetzelfde niveau was, voor beide functies is immers een HBO-diploma een vereiste, een passend aanbod. Het Hof is van oordeel dat FCCA [Appellante] een redelijk voorstel heeft gedaan met de functie van Assistent Interne Controle & Riskmanagement en dat aanvaarding van het voorstel in redelijkheid van [Appellante] kon worden gevergd. Voor zover [Appellante] heeft bedoeld te stellen dat haar de functie van Assistent Internal Audit had moeten worden aangeboden gelet op haar ervaring op de afdeling Interne Controle/Interne Audit en het feit dat haar functie na naamswijziging ook wel als Assistent Internal Audit werd aangeduid, wordt zij daar niet in gevolgd. Niet alleen gelden er voor die functie hogere opleidingseisen maar voorts geldt dat niet kan worden volgehouden dat de oude functie van [Appellante] daarmee in lijn was. Reden voor het opheffen van haar oude afdeling was immers dat deze niet als een Internal Audit afdeling functioneerde.

3.8

FCCA heeft – met bescheiden – onderbouwd dat de functie Assistent Interne Controle van voor de reorganisatie wezenlijk anders is dan de functie van Assistent Interne Controle & Riskmanagement van na de reorganisatie. [Appellante] heeft dit onvoldoende gemotiveerd betwist met haar stelling dat enkel een naamswijziging is doorgevoerd en functies zijn verschoven naar een andere afdeling. In dat verband is mede van belang dat [Appellante] niet heeft betwist dat het “three lines of defence” model een volledig andere invulling van de functie vergt en dat daarbij ook een andere mind set nodig is voor de uitvoering van de functie. De noodzaak van de invoering van dit model is gelet op het vorenoverwogene komen vast te staan. Deze andere invulling brengt logischerwijs met zich mee dat van de medewerkers andere vaardigheden en kwaliteiten worden gevraagd. Dat [Appellante] wel is geplaatst in deze functie – ondanks het ontbreken van een HBO-diploma – kan FCCA bezwaarlijk worden verweten. Integendeel, FCCA heeft [Appellante] een kans willen bieden om zich in de nieuwe functie van een zelfde niveau als haar oude functie waar te maken en heeft aangeboden dat ze onder dezelfde arbeidsvoorwaarden, derhalve plaatsing in subschaal 6 met uitzicht op schaal 6 bij het behalen van een HBO diploma, kon blijven werken. Dat dit niet is gelukt betekent niet dat FCCA met het aanbod van deze functie in strijd met goed werkgeverschap heeft gehandeld. FCCA heeft gemotiveerd gesteld dat gebleken is dat [Appellante] in de huidige functie van Assistent Interne Controle & Riskmanagement niet meer kon teren op haar jarenlange ervaring in haar oude functie en dat het [Appellante] aan kennis ontbrak op het gebied van Riskmanagement. FCCA heeft met [Appellante] besproken dat zij niet over de juiste studie achtergrond beschikte en dat het volgen van een op de functiegerichte studie nodig was voor het goed uitvoeren van de functie van Assistent Interne Controle & Riskmanagement. [Appellante] was daartoe evenwel niet bereid. [Appellante] heeft dit onvoldoende betwist. Van haar had daarbij verwacht mogen worden dat zij haar onder punt 5 van rov. 3.3. vermelde stelling nader had onderbouwd tegenover het vorenstaande. Nu zulks is nagelaten, kan zij daar niet in worden gevolgd. Dat brengt mee dat FCCA op goede gronden aanleiding heeft kunnen vinden tot het doen van een voorstel tot wijziging van de functie en overplaatsing van [Appellante] naar de afdeling Financiële Controle en Rapportage. Aanvaarding van dit voorstel kon redelijkerwijs van [Appellante] worden gevergd, mede in aanmerking genomen dat zij met behoud van salaris (sub salarisschaal 6) in de functie is geplaatst, alhoewel de functie medewerker Financiële Controle en Rapportage is ingeschaald in salarisschaal 5. Verder heeft zij het recht op het doorgroeien naar salarisschaal 6 behouden nadat zij een HBO-opleiding heeft afgerond. In zoverre heeft de functiewijziging geen nadelige gevolgen voor [Appellante] gehad.

3.9

Wat betreft punt 1 van rov. 3.3 geldt dat van een aanvraag tot het volgen van een HBO-opleiding niet is gebleken. FCCA heeft onbetwist gesteld dat er in het personeelsdossier van [Appellante] niets te vinden is over de gestelde aanvraag om een HBO-opleiding te mogen volgen. Verder heeft [Appellante] gesteld dat zij het niet nodig vond om een HBO-opleiding te volgen omdat ze geen leidinggevende functie ambieerde. Gelet daarop gaat het Hof er vanuit dat [Appellante] geen officieel verzoek heeft ingediend maar slechts “een balletje heeft opgegooid” bij het bestuur dan wel bij haar leidinggevende, zoals FCCA heeft gesteld. [Appellante] heeft voorts gesteld dat het bij het opgooien van voormeld balletje ging om een HBO-opleiding van vier uur per dag en dat de weigering van het volgen van deze opleiding onredelijk was. FCCA heeft dit weersproken, volgens haar ging het om een voltijds opleiding. Het had op de weg van [Appellante] gelegen om met stukken te onderbouwen om welke concrete HBO-opleiding het ging, op welke functie deze opleiding was toegespitst en dat het inderdaad ging om een HBO-opleiding van vier uur per dag. Ook had zij moeten onderbouwen dat in redelijkheid van haar werkgever mocht worden verwacht dat deze haar de gelegenheid zou bieden deze opleiding te volgen. Dit heeft zij niet gedaan. Het Hof is van oordeel dat voor zover sprake was van een full-time opleiding, van FCCA in beginsel niet kan worden gevergd om haar werknemers, met behoud van het salaris van een full-timer, gedurende de gehele werkweek een opleiding te laten volgen. Werknemers kunnen dan immers gedurende een periode van vier jaar niet productief ingezet worden voor het arbeidsproces, met alle financiële en personele gevolgen van dien. Van bijzondere omstandigheden die een uitzondering op voormeld uitgangspunt nopen is niet gebleken. Gelet op het feit dat [Appellante] (naar eigen zeggen ter zitting in hoger beroep) in 2013/2014 een verzoek heeft gedaan tot het volgen van een HBO-opleiding en nadien niet meer, dat het toen niet een concreet verzoek betrof, dat [Appellante] feitelijk zelf de noodzaak van het volgen van HBO-opleiding niet inzag omdat zij geen leidinggevende positie ambieerde en dat [Appellante] ook niet in haar nieuwe functie als Assistent Interne Controle & Riskmanagement, een functie die andere kwaliteiten, kennis en vaardigheden vergden dan de voormalige functie van [Appellante], opnieuw het initiatief heeft genomen om een HBO-opleiding te volgen, is het Hof van oordeel dat van FCCA redelijkerwijs niet kon worden gevergd dat zij eerst een verbetertraject in de functie van Assistent Interne Controle & Risk Management had ingezet alvorens tot overplaatsing naar de afdeling Financiële Controle en Rapportage te besluiten.

3.10

Alle omstandigheden in aanmerking nemende komt het Hof tot het oordeel dat het besluit van FCCA tot wijziging van de functie in die van Assistent Interne Controle & Risk Management en de overplaatsing van [Appellante] naar de afdeling Financiële Controle en Rapportage redelijk was, nu mede nu zij sprake was van behoud van salaris en uitzicht op schaal 6 op het moment dat zij haar HBO diploma haalt. Punt 7 van rov. 3.3 behoeft, nu dit niet tot een ander oordeel kan leiden, geen nadere bespreking. Dit brengt mee dat de verzoeken van [Appellante] moeten worden afgewezen en dat de beschikking waarvan beroep dient te worden bevestigd.

3.11 [

Appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

bevestigt de beschikking van het Gerecht van 26 november 2019;

veroordeelt [Appellante] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van FCCA vastgesteld op een bedrag van NAf 6.000,00 aan salaris gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Th.G. Lautenbach, M.W. Scholte en
O. Nijhuis, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 17 november 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.