Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2020:245

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
10-11-2020
Zaaknummer
BON2018H00011
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding anders dan in geld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2020

Registratienummers: BON201600068 (voorheen: AR 67/2016) - BON2018H00011

Uitspraak: 29 september 2020

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in de zaak van:

1 wijlen [Appellant 1], laatstelijk wonende te Bonaire,

2. [ [Appellant 2], wonende in Nederland,

2. [ [Appellant 3], wonende te Curaçao,

2. [ [Appellant 4], wonende in Nederland,

2. [ [Appellant 5], wonende in Nederland,

2. [ [Appellant 6], wonende in Nederland,

2. [ [Appellant 7], wonende te Bonaire,

als gezamenlijke erfgenamen van [Erflater] vertegenwoordigd door de deelgenoot [Appellant 7],

oorspronkelijk eisers,

thans appellanten,

gemachtigde: mr. M.M.A. van Lieshout,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

HET OPENBAAR LICHAAM BONAIRE,

gevestigd in Bonaire,

oorspronkelijk gedaagde,

thans geïntimeerde,

gemachtigden: mrs. L.M. Virginia en W.J. de Nijs.

Partijen worden hierna de erven [Naam] en OLB genoemd.

1
1. Het verdere verloop van de procedure

1.1

Het Hof verwijst naar zijn tussenvonnis van 30 juli 2019, waarbij de zaak naar de rol is verwezen voor aktewisseling door partijen.

1.2

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- de e-mailberichten van mr. van Lieshout van 16 maart 2020 en 9 juni 2020, laatstgenoemd bericht als antwoord op een e-mailbericht van

8 juni 2020 van de griffier van het Hof;

  • -

    de akte van OLB van 23 juni 2020;

  • -

    de antwoordakte van de erven [Naam] van 18 augustus 2020.

1.3

Vervolgens is vonnis bepaald op vandaag.

2 De verdere beoordeling

2.1

De onder 1.2 genoemde e-mailcorrespondentie heeft betrekking op het overlijden van appellant sub 1, [appellant 1]. Omdat deze procedure, naar het Hof uit de stukken afleidt, van meet af aan is gevoerd ten behoeve van de (gemeenschap) van de gezamenlijke erfgenamen van [erflater], is het voor het doorprocederen ten behoeve van de gemeenschap niet nodig dat zijn erfgenamen het geding willen voortzetten. Ingevolge artikel 3:171 BW kunnen een of meer deelgenoten ten behoeve van de boedel procederen en dat doen thans de overgebleven deelgenoten, en in elk geval appellante sub 7, [Appellant 7].

2.2

Aan [Appellant 7] kan in dit stadium van het geding geen toelating meer worden verleend om kosteloos te procederen. Haar onvermogen zegt overigens ook nog niets over de vraag of de gemeenschap, de materiële procespartij ten laste van wie ook een eventuele kostenveroordeling zal komen, de kosten van het procederen kan dragen.

2.3

In het eerste tussenvonnis (van 5 februari 2019) heeft het Hof overwogen dat het de vordering van de erven [Naam] tot het ontruimen en ter vrij beschikking stellen van het perceel aan de gezamenlijke erfgenamen in beginsel een passende vorm van schadevergoeding acht, die toewijsbaar zou kunnen zijn op de voet van artikel 6:103 BW. Het heeft evenwel OLB in de gelegenheid gesteld bij akte nader toe te lichten op grond waarvan hij meent dat er thans (redelijkerwijs) geen mogelijkheden zijn om het recht van erfpacht op het perceel op te heffen dan wel te beëindigen met verwijdering van de daarop gerealiseerde bebouwing.

2.4

In het daaropvolgende tussenvonnis van 30 juli 2019 heeft Hof geconstateerd dat OLB de door het Hof gevraagde toelichting te beperkt heeft opgevat en nog geen afdoende antwoord heeft gegeven op de, in het kader van de beoordeling van de vordering wezenlijke, vraag onder welke concrete voorwaarden en tegen welke vergoeding de erfpachter op dit moment bereid is de overeenkomst van erfpacht te beëindigen. OLB is vervolgens in de gelegenheid gesteld bij akte alsnog een schriftelijke verklaring van de erfpachter over te leggen waarin deze vraag wordt beantwoord.

2.5

OLB heeft bij akte een brief, gedateerd 12 november 2019, van de gemachtigde van de erfpachter ([Naam 2]) overgelegd. Daarmee beschikt het Hof over voldoende informatie. Beslist en overwogen wordt thans als volgt.

2.6

De erven [Naam] hebben niet bestreden dat het erfpachtrecht van [Naam 2] geldig is en dat het Land de erfpacht niet eenzijdig kan opzeggen. De erfpachter, zo blijkt uit genoemde brief, staat niet te trappelen om te verhuizen, vindt dat zelfs (zeer) bezwaarlijk. Dat hij het toch niet op voorhand afwijst, heeft - zo niet geheel dan toch voor een groot deel - te maken met de omstandigheid dat zijn buren - leden van de familie Kenepa – “in kleine en grotere incidenten hinder en schade veroorzaken.” Als dat laatste juist is - de erven [Naam] hebben het niet weersproken - dan horen de erven [Naam] - en ruimer: hun familie, om wier belang het in deze zaak voor de erven (mede) gaat - daar geen voordeel van te hebben. Ook blijkt uit de brief dat de erfpachter, als hij al vertrekt, zijn huid zo duur mogelijk zal verkopen en stevige voorwaarden wil stellen. Dat zal naar verwachting niet minder worden wanneer hij weet dat OLB in beginsel verplicht is om hem uit te kopen en dus weinig tot geen manoeuvreer- en onderhandelingsruimte heeft. Mogelijkheden om de erfpachter te dwingen zijn eisen te matigen heeft OLB naar het zich laat aanzien niet. Mede gelet op het eerder in het geding gebrachte taxatierapport zullen de kosten om de erfpachter uit te kopen, dan wel hem in de gelegenheid te stellen om elders een gelijkwaardig te kopen of bouwen al ruim boven de US$ 200.000,- liggen en daar komen de eventuele andere eisen van de erfpachter dan nog bij.

2.7

Daartegenover is niet gebleken dat aan de zijde van de erven [Naam] met het door hen gewenste herkrijgen van de vrije beschikking over hun terrein (ten opzichte van de eigendom van een vergelijkbaar terrein of een vergoeding van de grondwaarde) een financieel belang is gemoeid, laat staan een belang dat in de buurt komt de door het OLB te maken kosten. De erven hebben ook niet gesteld dat een van hen (of destijds hun moeder) op het perceel wilde gaan wonen of dat zij er andere plannen mee hebben. Op [Appellant 7] na wonen de overgebleven erfgenamen ook allen buiten Bonaire.

2.8

Waar het de erven om gaat, is het volledig rechtzetten van een inmiddels historische misstand en het herstel van het familiebezit. Dat zijn op zichzelf zeer beslist gerechtvaardigde belangen. Belangen die - zeker gelet op de historie van dit dossier - het nodige gewicht in de schaal leggen. De uitgifte van de grond in erfpacht in 1995 kan immers een grove onzorgvuldigheid worden genoemd en het lijkt er ook sterk op dat OLB vervolgens heeft nagelaten adequaat in te grijpen op een moment dat de misstap misschien nog tegen relatief beperkte kosten kon worden hersteld.

2.9

Maar hoe betreurenswaardig en verwijtbaar deze gang van zaken ook is geweest, en hoe storend de (voortdurende) inbreuk op het eigendomsrecht van de erven ook moge zijn, op het perceel woont anno 2020, in beginsel naar tevredenheid, al geruime tijd een erfpachter, de derde inmiddels. Hem te laten verkassen tegen zeer aanzienlijke, uit de openbare middelen te betalen, kosten staat in geen redelijke verhouding tot het belang van de erven Kenepa om juist op deze manier schadeloos te worden gesteld. Het schadevergoedingsrecht is weliswaar erop gericht dat de benadeelde zoveel mogelijk wordt gebracht in de situatie waarin hij zou hebben verkeerd wanneer de schadeveroorzakende gebeurtenis was uitgebleven, maar het gaat om een streven, een uitganspunt; het geldt niet onverkort. In sommige gevallen dient de benadeelde met (iets) minder genoegen te nemen - meestal (zie artikel 6:103 BW, eerste volzin) met een vergoeding in geld, soms met een andere prestatie die het nadeel niet geheel maar toch nog zoveel mogelijk wegneemt. Dat is ook in deze zaak het geval, hoe teleurstellend dat voor de erven Kenepa ook zal zijn.

2.10

De conclusie moet daarom zijn dat de in het eerste tussenvonnis als in beginsel als passend beschouwde vorm van schadevergoeding bij weging van alle relevante omstandigheden van dit geval niet toewijsbaar is. Voor toepassing van de in artikel 6:103 BW gegeven bevoegdheid is geen plaats. De vordering zoals die thans luidt zal daarom worden afgewezen.

2.11

Van belang is echter wel dat is verzekerd dat de erven [Naam] thans, na al die jaren, op een passende wijze worden gecompenseerd. Daartoe zal in elk geval de waarde van de onbebouwde grond dienen te worden vergoed ofwel dient hun een passende, want vergelijkbare, vervangende kavel te worden aangeboden. Hopelijk lukt het partijen om, nu duidelijk is dat de door de erven gewenste vorm van genoegdoening er ook na een beoordeling in de tweede en laatste feitelijke instantie niet in zit, samen een bevredigende regeling te treffen. Indien zij daarin niet slagen, krijgen de erven [Naam] zo nodig nog een allerlaatste kans om hun eis aan te passen, dit naar aanleiding van bovenstaande oordelen. De zaak zal daartoe worden verwezen naar de rol voor akte uitlating. Wanneer partijen voor die tijd tot een regeling zijn gekomen, kunnen zij dit ook per e-mail aan het Hof berichten zodat de zaak kan worden doorgehaald.

2.12

Verder wordt iedere beslissing eerst aangehouden.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

verwijst de zaak naar de rol van 17 november 2020 voor het nemen van een akte door de erven [Naam] zoals bedoeld onder 2.11, met de mogelijkheid voor OLB om bij antwoordakte te reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. E.M. van der Bunt, F.W.J. Meijer en

O. Nijhuis, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Bonaire uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 29 september 2020.