Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2020:230

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
02-06-2020
Datum publicatie
15-10-2020
Zaaknummer
CUR2019H00039 en CUR2019H00040 en CUR2019H00044 en CUR2019H00066 in KG
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgifte na bewijsbeslag nieuwe voorziening in hoger beroep

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2020 Vonnis no.:

Registratienummers: eerste aanleg: CUR201803902

hoger beroep: CUR2019H00039, CUR2019H00040,

CUR2019H00044 en CUR2019H00066

Uitspraak: 2 juni 2020

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S I N K O R T G E D I N G

in de gevoegde zaken onder nummers

CUR2019H00039 van:

1. de entiteit naar het recht van Anguilla

UNITED TRUST (ANGUILLA) LIMITED in haar hoedanigheid van trustee van APOLLO TRUST,

gevestigd te Anguilla (Brits West-Indië)

hierna ook: Apollo,

2. de naamloze vennootschap

INTERNATIONAL FUTURE VENTURES & INVESTMENTS N.V.

gevestigd te Curaçao,

hierna ook: IFVI,

3. de naamloze vennootschap

CROCI INTERNATIONAL N.V.,

gevestigd te Curaçao,

hierna ook: Croci,

4. de naamloze vennootschap,

CENTENNIAL MANAGEMENT N.V

gevestigd te Curaçao,

5. de naamloze vennootschap

UNITED INTERNATIONAL TRUST N.V.

gevestigd te Curaçao,

6. de naamloze vennootschap

THE UNITED TRUST COMPANY N.V.,

gevestigd te Curaçao,

oorspronkelijk gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie,

thans appellanten, gezamenlijk te noemen: United c.s.,

gemachtigden: mrs. R.B. van Hees en J.S.T. Felida,

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

BNP PARIBAS JERSEY TRUST CORPORATION LIMITED,

gevestigd te Jersey,

hierna ook: BNP,

oorspronkelijk eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

thans geïntimeerde,

gemachtigden: mrs. W. Princée en M.R. Hammoud,

CUR2019H00040 van:

[Appellante 1],

wonende te Monaco,

hierna ook: [Appellante 1],

oorspronkelijk gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

thans appellante,

gemachtigde: mr. L.G. Da Costa Gomez,

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

BNP PARIBAS JERSEY TRUST CORPORATION LIMITED,

gevestigd te Jersey,

hierna ook: BNP,

oorspronkelijk eiseres in conventie, verweerster in reconventie,,

thans geïntimeerde,

gemachtigden: mrs. W. Princée en M.R. Hammoud,

CUR2019H00044 van:

[Appellante 2],

wonende te Monaco,

hierna ook: [Appellante 2],

oorspronkelijk gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

thans appellante,

gemachtigde: mr. C.A. Peterson,

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

BNP PARIBAS JERSEY TRUST CORPORATION LIMITED,

gevestigd te Jersey,

hierna ook: BNP,

oorspronkelijk eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

thans geïntimeerde,

gemachtigden: mrs. W. Princée en M.R. Hammoud,

en CUR2019H00066 van:

de rechtspersoon naar buitenlands recht

BNP PARIBAS JERSEY TRUST CORPORATION LIMITED,

gevestigd te Jersey,

hierna ook: BNP,

oorspronkelijk eiseres in conventie, verweerster in reconventie,,

thans appellante,

gemachtigde: mrs. W. Princée en M.R. Hammoud,

tegen

1. [Geïntimeerde 1],

wonende te Monaco,

hierna ook: [Geïntimeerde 1],

gemachtigde: mr. L.G. Da Costa Gomez,

2. [Geïntimeerde 2],

wonende te Monaco,

hierna ook: [Geïntimeerde 2],

gemachtigde: mr. C.A. Peterson,

3. de entiteit naar het recht van Anguilla

UNITED TRUST (ANGUILLA) LIMITED in haar hoedanigheid van trustee van APOLLO TRUST,

gevestigd te Anguilla (Brits West-Indië)

hierna ook: Apollo,

4. de naamloze vennootschap

UNITED INTERNATIONAL BANK N.V.,

gevestigd te Curaçao,

hierna ook: United Bank,

gemachtigden: mrs. R.B. van Hees en J.S.T. Felida,

oorspronkelijk gedaagden in conventie, [Appellante 1 / Geïntimeerde 1], [Appellante 2 / Geïntimeerde 2] en Apollo waren tevens eiseressen in reconventie,

thans geïntimeerden.

1 Het verloop van de procedures

1.1

United c.s., [Appellante 1 / Geïntimeerde 1], [Appellante 2 / Geïntimeerde 2] en BNP zijn ieder tijdig in hoger beroep gekomen van het tussen partijen in kort geding gewezen en op 12 februari 2019 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: het Gerecht).

1.2

Zij hebben ieder tijdig een memorie van grieven ingediend waarin zij grieven tegen het vonnis hebben aangevoerd en toegelicht, met conclusie zoals in die memories weergegeven. Alle partijen hebben hun eis gewijzigd.

1.3

BNP heeft tijdig een memorie van antwoord ingediend voor de zaken onder nummers CUR2019H00039, CUR2019H00040 en CUR2019H00044 gezamenlijk. In de zaak met nummer 2019H00066 heeft alleen United Bank (al dan niet met Apollo) een memorie van antwoord genomen.

1.4

De zaken zijn mondeling bepleit op de zitting van 24 september 2019. Daarbij zijn verschenen:

- aan de zijde van United c.s. en United Bank: mw. mr. C.H.M. Eering, gevolmachtigde voor Centennial, dhr. [Naam 1] en de beide gemachtigden;

- aan de zijde van BNP: de beide gemachtigden;

- aan de zijde van [Appellante 1 / Geïntimeerde 1]: de gemachtigde, bijgestaan door haar kantoorgenote mr. A. Perigault Monte;

- aan de zijde van [Appellante 2 / Geïntimeerde 2]: [Appellante 2 / Geïntimeerde 2] zelf vergezeld door dhr. [Naam 2] en haar gemachtigde.

[Appellante 2 / Geïntimeerde 2], [Naam 1], en mrs. Princée, Van Hees, Da Costa Gomes en Peterson hebben het woord gevoerd, de gemachtigden mede aan de hand van door hen overgelegde schriftelijke pleitnoties.

1.5

Vonnis is gevraagd en nader bepaald op vandaag.

2 Uitgangspunten

2.1

In hoger beroep kan - na beoordeling van de tegen de vaststellingen onder 2.1 tot en met 2.19 van het bestreden vonnis geuite bezwaren en met inachtneming van de nieuwe stellingen en producties in hoger beroep - in alle zaken worden uitgegaan van het volgende.

Achtergronden en de procedures te Jersey

2.1.1. [

Appellante 2 / Geïntimeerde 2] is één van de twee dochters van [Appellante 1 / Geïntimeerde 1] en de in 1982 overleden Camillo [Appellante 1 / Geïntimeerde 1]. De andere dochter is [Naam 3].

2.1.2

In 1987 is op verzoek van [Appellante 1 / Geïntimeerde 1] de Grand Trust opgericht. In deze trust is ondergebracht een promissory note met een nominale waarde van USD 45 miljoen, de (indirecte) eigendom van zeven schilderijen van meesters als Van Gogh en Picasso en een beleggingsportefeuille met (in 2010) een waarde van ongeveer US$ 100 miljoen.

2.1.3 [

Appellante 2 / Geïntimeerde 2] en [Naam 3] waren voor gelijke delen aangewezen als begunstigden van de Grand Trust.

2.1.4

De Grand Trust heeft verschillende trustees gehad, onder wie [Appellante 1 / Geïntimeerde 1] en BNP. Laatstgenoemde was co-trustee tussen 2007 en 2012.

2.1.5

Tot het vermogen van [Appellante 1 / Geïntimeerde 1] behoort ook het aandelenkapitaal in de zogenoemde Croci-groep. Topholdingmaatschappij van die groep is de in Curaçao gevestigde vennootschap IFVI. Bestuurder van IFVI is [Naam 1].

2.1.6

In februari 2010 heeft een herstructurering van het vermogen plaatsgevonden. In dat kader is het grootste deel van het vermogen van de Grand Trust, waaronder de schilderijen, overgedragen aan de op verzoek van [Appellante 1 / Geïntimeerde 1] opgerichte Fortunate Trust. [Appellante 1 / Geïntimeerde 1] is de enige begunstigde van de Fortunate Trust.

2.1.7

Vanaf eind 2010/begin 2011 is de relatie tussen enerzijds [Appellante 1 / Geïntimeerde 1] en [Appellante 2 / Geïntimeerde 2] en anderzijds [Naam 3] verslechterd.

2.1.8

In juni 2011 heeft [Appellante 1 / Geïntimeerde 1] de Fortunate Trust herroepen en de bezittingen van de Fortunate Trust aan zichzelf doen overdragen. Bij de hiervoor bedoelde herstructurering heeft BNP opgetreden als adviseur van [Appellante 1 / Geïntimeerde 1].

2.1.9

Op 9 februari 2010 en 30 juni 2011 zijn tussen [Appellante 1 / Geïntimeerde 1] en BNP vrijwaringen tot stand gekomen, op grond waarvan, kort gezegd, BNP als trustee door [Appellante 1 / Geïntimeerde 1] wordt gevrijwaard voor mogelijke claims in verband met de herstructurering uit 2010.

2.1.10

Op 18 januari 2013 heeft [Naam 3] een procedure tegen onder anderen [Appellante 1 / Geïntimeerde 1] en BNP aanhangig gemaakt bij het Royal Court of Jersey. [Naam 3] heeft hierin gevorderd dat de besluiten uit 2010 nietig worden verklaard en dat de trustees van de Grand Trust worden verplicht om de uit de trust gehaalde vermogensbestanddelen in de trust terug te brengen. [Appellante 2 / Geïntimeerde 2] was aanvankelijk geen partij in deze procedure. Op 27 maart 2015 is zij als partij bij de procedure betrokken geraakt.

2.1.11

Op 6 juli 2015 heeft BNP aan [Appellante 1 / Geïntimeerde 1] kenbaar gemaakt in de procedure in Jersey een vrijwaringsvordering tegen haar te zullen instellen, dit op grond van de in 2.1.10 bedoelde vrijwaringen. Op 22 oktober 2015 heeft BNP deze vordering tegen [Appellante 1 / Geïntimeerde 1] ingesteld.

2.1.12

Op 4 augustus 2016 heeft het Royal Court of Jersey op verzoek van BNP een zogenoemde World Wide Freezing and Disclosure Order (hierna: WWFDO) gegeven die is gericht tegen [Appellante 1 / Geïntimeerde 1].

2.1.13

Deze WWFDO is gegeven op ex parte-basis. De beslissing is op 19 augustus 2016 aan [Appellante 1 / Geïntimeerde 1] betekend. Bij beslissing van 25 november 2016 heeft het Royal Court of Jersey afwijzend beslist op het verzoek van [Appellante 1 / Geïntimeerde 1] om de WWFDO op te heffen.

2.1.14

Bij uitspraak van 11 september 2017 heeft het Royal Court of Justice uitspraak gedaan in het geschil tussen onder anderen [Naam 3] als eiseres en onder anderen [Appellante 1 / Geïntimeerde 1], BNP en [Appellante 2 / Geïntimeerde 2] als verweerders. Het Royal Court heeft onder meer de volgende beslissingen gegeven:

1. nietigverklaring van de handelingen in het kader van de herstructurering uit 2010;

2. bevel aan BNP en [Appellante 1 / Geïntimeerde 1] om “jointly and severally” te betalen aan de nieuwe trustee van de Grand Trust een bedrag van USD 100.347.046;

3. bevel aan [Appellante 1 / Geïntimeerde 1] om BNP schadeloos te stellen “under the two contractual indemnities and under the inherent juridisction of the Court”. Dit bevel was gebaseerd op de onder 2.1.10 genoemde vrijwaringen en omvatte tevens alle kosten die BNP zou moeten maken om de vrijwaring te effectueren.

2.1.15

Op 11 september 2017 heeft het Royal Court of Jersey tevens een nieuwe WWFDO gegeven. Ten aanzien van [Appellante 1 / Geïntimeerde 1] is deze WWFDO in grote lijnen gelijkluidend aan de beslissing van 4 augustus 2016. De nieuwe WWFDO richt zich mede tot [Appellante 2 / Geïntimeerde 2].

2.1.16

BNP heeft de nieuwe trustee van de Grand Trust het door het Royal Court bepaalde bedrag betaald. [Appellante 1 / Geïntimeerde 1] heeft aan BNP geen betaling gedaan uit hoofde van de door het Royal Court bevolen vrijwaring.

2.1.17

Van de onder 2.1.14 bedoelde uitspraak zijn onder anderen BNP en [Appellante 2 / Geïntimeerde 2] in hoger beroep gekomen. Bij uitspraak van 25 juli 2018 heeft het Court of Appeal het hoger beroep van [Appellante 2 / Geïntimeerde 2] ongegrond verklaard. Het hoger beroep van BNP is gegrond verklaard, in zoverre dat BNP slechts verplicht is de (trustee van de) Grand Trust te compenseren voor zover het gaat om het fonds dat aan [Naam 3] toekwam. BNP behoeft geen compensatie te betalen voor het deel van de Grand Trust dat aan [Appellante 2 / Geïntimeerde 2] toekwam. Daartoe heeft het Court of Appeal naar de kern genomen overwogen dat [Appellante 2 / Geïntimeerde 2] bewust heeft meegewerkt aan de breach of trust en, voorts, dat zij zal ontvangen, of al heeft ontvangen, het grootste deel van de activa die [Appellante 1 / Geïntimeerde 1] uit de Grand Trust heeft verkregen.

2.1.18 [

Appellante 2 / Geïntimeerde 2] heeft toestemming verzocht om van de uitspraak van het Court of Appeal in beroep te kunnen gaan bij de Privy Council van het Verenigd Koninkrijk. Op dat verzoek was ten tijde van het pleidooi in hoger beroep in het onderhavige kort geding nog niet beslist.

Procedures in Curaçao

2.1.19

Op 17 oktober 2018 heeft BNP in Curaçao bij het Gerecht verlof gevraagd om conservatoir verhaalsbeslag te mogen leggen op aandelen IFVI en vorderingen op IFVI ten laste van (onder anderen) [Appellante 1 / Geïntimeerde 1], [Appellante 2 / Geïntimeerde 2] en Apollo. Bij beschikking van 23 oktober 2018 heeft het Gerecht het gevraagde verlof grotendeels verleend.

2.1.20

Eveneens op 17 oktober 2018 heeft BNP in vier afzonderlijke beslagrekesten het Gerecht verlof gevraagd om bewijsbeslag te mogen leggen bij Croci en IVFI (zaak CUR201803462), Centennial (zaak CUR201803460), UIT en UTC (zaak CUR201803458) en United Bank (zaak CUR201803459) op nader omschreven bescheiden.

2.1.21

Bij vier beschikkingen van 23 oktober 2018 heeft het Gerecht de gevraagde verloven verleend.

2.1.22

Ter uitvoering van deze verlofbeschikkingen heeft het Gerecht op 8 november 2018 een lijst door de deurwaarder en de IT-deskundige te gebruiken zoektermen goedgekeurd.

2.1.23

Met gebruik van deze zoektermen is de inbox van [Naam 1] doorzocht, waarna de deurwaarder kopieën van de gevonden documenten heeft gemaakt. Het leggen van bewijsbeslag bij United Bank is op 9 november 2018 in aanwezigheid van [Naam 1] uitgevoerd; dat bij de overige vijf entiteiten op 17 februari 2019.

2.1.24

Op 9 november 2018 heeft BNP tevens conservatoir verhaalsbeslag doen leggen ten laste van [Appellante 1 / Geïntimeerde 1], [Appellante 2 / Geïntimeerde 2] en Apollo op onder meer de aandelen in het kapitaal van Croci en - maar zonder succes - IFVI. Ook is derdenbeslag gelegd ten laste van [Appellante 1 / Geïntimeerde 1], [Appellante 2 / Geïntimeerde 2] en Apollo onder United Bank.

2.1.25

Bij beschikking van 29 augustus 2019 heeft het Gerecht op verzoek van BNP het Jersey-vonnis van 11 september 2017, de daarbij behorende First Act of Court van diezelfde datum en de WWFDO erkend en aan BNP verlof verleend om deze uitspraken jegens [Appellante 1 / Geïntimeerde 1] ten uitvoer te leggen. Naar het Hof ambtshalve bekend is dit vonnis in hoger beroep bevestigd bij vonnis van 14 april 2020.

2.1.26

Ten slotte heeft BNP bij het Gerecht een bodemprocedure aanhangig gemaakt waarbij zij onder meer vorderde een verklaring voor recht dat [Appellante 2 / Geïntimeerde 2] jegens BNP onrechtmatig had gehandeld en verwijzing naar de schadestaatprocedure. Kort daarvoor had [Appellante 2 / Geïntimeerde 2] in een afzonderlijke procedure geëist dat BNP zich jegens haar zou onthouden van verdere conservatoire maatregelen en diffamerende uitlatingen. In deze zaak heeft BNP een aantal (vijf) van de uit het bewijsbeslag afgegeven stukken als productie ingebracht.

2.1.27

Het Gerecht heeft, naar het Hof ambtshalve bekend is, op 17 februari 2020 in beide zaken in één vonnis uitspraak gedaan en de vorderingen van BNP toe- en die van [Appellante 2 / Geïntimeerde 2] afgewezen. Daartoe heeft het Gerecht onder meer het volgende overwogen:

4.29.

Al met al komt het gerecht tot het oordeel dat [Appellante 2 / Geïntimeerde 2] vanaf juli 2015 wist of moet hebben geweten van de bedoeling van [Appellante 1 / Geïntimeerde 1; om BNP in diens verhaalsmogelijkheden te benadelen. Aan (tegen)bewijslevering komt het gerecht niet toe, nu geen feiten zijn gesteld die, indien aannemelijk gemaakt, deze conclusie kunnen ontzenuwen. Dit betekent dat [Appellante 2 / Geïntimeerde 2] van haar medewerking aan de verschillende transacties had moeten afzien. Door dat niet te doen heeft zij onrechtmatig jegens BNP gehandeld. Deze gedragingen moeten haar worden toegerekend. Zij is daarom met [Appellante 1 / Geïntimeerde 1] hoofdelijk aansprakelijk voor de als gevolg hiervan door BNP geleden schade. De hiertoe strekkende verklaring voor recht zal worden gegeven.

4.30.

De schade waarover het hier gaat is de schade die het gevolg is van, kort gezegd, het onrechtmatig frustreren van verhaalsmogelijkheden van BNP. De door [Appellante 2 / Geïntimeerde 2] te vergoeden schade moet van die onrechtmatige daad het gevolg zijn. Dat is niet noodzakelijkerwijs en ook niet in beginsel hetzelfde bedrag als dat van de vordering van BNP op [Appellante 1/ Geïntimeerde 1] uit hoofde van het Jersey-vonnis. BNP kan daarom niet worden gevolgd in haar kennelijke standpunt dat de schade als gevolg van het onrechtmatig handelen gelijk is aan het bedrag dat zij uit hoofde van het Jersey-vonnis heeft betaald. Het gerecht constateert dat het partijdebat tot nu toe nog niet of nauwelijks over de omvang van de door [Appellante 2 / Geïntimeerde 2] te vergoeden schade is gegaan. Omdat op zichzelf wel aannemelijk is dat BNP enige schade heeft geleden, zal het gerecht partijen voor de begroting van de schade verwijzen naar de schadestaatprocedure (artikel 612 Rv). In de schadestaatprocedure kan ook de rentevordering worden beoordeeld.

2.1.28

Tegen dat vonnis heeft [Appellante 2 / Geïntimeerde 2] hoger beroep ingesteld; de zaak staat thans voor memorie van antwoord.

3 Het procesverloop in eerste aanleg en nasleep van het bestreden vonnis

3.1

Het onderhavige kort geding is een vervolg op het onder 2.1.20 bedoelde bewijsbeslag. In eerste aanleg heeft BNP, na wijzingen van eis, in conventie het volgende gevorderd:

a. IFVI, Croci, Centennial, UIT, UTC en United Bank te bevelen de beslagen bescheiden over de periode vanaf 2011, althans vanaf 6 juli 2015 aan BNP af te geven, althans een afschrift daarvan aan BNP te verstrekken, door daartoe binnen 24 uur na datum van dit vonnis deurwaarder Ramazan, als bewaarder van de beslagen bescheiden, instructies te geven (een afschrift van) de beslagen bescheiden aan de Curaçaose advocaat van BNP af te geven, althans op een door het gerecht te bepalen wijze, op straffe van een dwangsom van NAf 150.000 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat zij, of één van hen, niet aan dit bevel voldoet;

b. [Appellante 1 / Geïntimeerde 1], Apollo en [Appellante 2 / Geïntimeerde 2] te bevelen te gehengen en gedogen dat IFVI, Croci, Centennial, UIT, UTC en United Bank aan voornoemd bevel voldoen, op straffe van verbeurte een dwangsom van NAf 150.000 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat zij, of één van hen, niet aan dit bevel voldoet;

c. IFVI te bevelen om binnen vijf werkdagen na de datum van dit vonnis een kopie van het actuele aandeelhoudersregister van IFVI aan BNP te verstrekken op straffe van een dwangsom van NAf 50.000 voor iedere dag dat IFVI niet aan dit bevel voldoet;

d. FVI en Croci te bevelen om binnen vijf werkdagen na de datum van dit vonnis de Derdenverklaring (i) aan te vullen met de omschrijving in hoeverre de in de verklaring genoemde vorderingen van [Appellante 1 / Geïntimeerde 1] op Croci respectievelijk IFVI opeisbaar zijn en in hoeverre de in de verklaring genoemde bedragen/gelden bij Croci en IFVI beschikbaar zijn en (ii) te doen vergezellen van de onderliggende leendocumentatie met betrekking tot de “niet-rente dragende lening” (Croci) en de Shareholder Loan II en V (IFVI), één en ander slechts voor zover deze informatie/documentatie geen onderdeel vormt van de beslagen bescheiden, op straffe van een dwangsom van NAf 50.000 voor iedere dag dat zij niet aan dit bevel voldoen;

e. deurwaarder R.A. Ramazan, althans een andere door het Gerecht aan te wijzen deurwaarder, aan te wijzen als dwangvertegenwoordiger als bedoeld in artikel 3:300 BW, die uitvoering zal geven aan het bevel onder a. en voor zover nodig onder b., voor zover en zodra één of meerderen van de gedaagden in gebreke blijft daaraan te voldoen.”

3.2

In reconventie hebben [Appellante 1 / Geïntimeerde 1], [Appellante 2 / Geïntimeerde 2] en de United-entiteiten steeds opheffing van de gelegde bewijsbeslagen gevorderd, met bevel aan BNP om op straffe van verbeurte van een dwangsom de gemaakte kopieën door de deurwaarder te doen vernietigen. [Appellante 1 / Geïntimeerde 1] heeft voorts opheffing van de ten laste van haar gelegde verhaalsbeslagen gevorderd.

3.3

Bij het bestreden vonnis heeft het Gerecht de vorderingen in conventie grotendeels toegewezen, met dien verstande dat alleen de bescheiden die betrekking hadden op de periode vanaf 6 juli 2015 moesten worden afgegeven en dat de vorderingen jegens United Bank werden afgewezen. De termijn voor afgifte werd op een week gesteld. Omdat de toegepaste zoektermen ertoe hadden geleid dat ook documenten waren beslagen die niet relevant zijn voor de zaak - zoals advocatencorrespondentie - overwoog het Gerecht (in rov. 4.12) dat voorafgaand aan de afgifte, dus binnen een week, partijen maatregelen dienden te treffen om deze bijvangst uit de beslagen bescheiden te “filteren”.

In reconventie heeft het Gerecht de bij United Bank gelegde bewijsbeslagen opgeheven en BNP op straffe van verbeurte van een dwangsom geboden om de in beslag genomen bescheiden, voor zover deze zich niet al bij United Bank bevonden, terug te geven. De reconventionele vorderingen van de overige partijen zijn afgewezen.

3.4

De United-entiteiten hebben bij verzoekschrift van het Hof verzocht de tenuitvoerlegging van het vonnis te schorsen. Zij hebben daarbij ook te kennen gegeven dat de termijn van een week te kort was om de bijvangst te verwijderen. Bij wijze van ordemaatregel heef het Hof bepaald dat deze termijn met een week diende te worden verlengd, dit nadat de IT-deskundige Forensic (hierna: FSC) had verklaard dat deze termijn voldoende was en dat het proces voor 28 februari 2019 kon zijn afgerond.

3.5

Bij beschikking van 28 februari 2019 heeft het Hof het schorsingsverzoek afgewezen.

3.6

Op 1 maart 2019 heeft de deurwaarder het “filterresultaat” aan BNP afgegeven.

3.7

Na die datum zijn met betrekking tot de bewijsbeslagen, het filterproces en de afgifte van stukken uit hoofde van het bestreden vonnis van 12 februari 2019 nog procedures in kort geding gevolgd, die hebben geleid tot de volgende vonnissen.

3.7.1

Een vonnis van 1 juli 2019, gewezen tussen de United-entiteiten enerzijds (United c.s.) en de deurwaarder en FSC anderzijds, waarin is geconstateerd dat de correspondentie tussen de deurwaarder en BNP waarvan United c.s. in conventie afgifte vorderde als productie was overgelegd en dat de deurwaarder al bij e-mailbericht van 19 juni 2019 had aangeboden de correspondentie te verstrekken, waarop United c.s. niet hebben gereageerd. De vordering in conventie tot afgifte werd daarom afgewezen met veroordeling van United c.s. in de kosten.

In reconventie werd de vordering van de deurwaarder en FSC tot betaling van hun factuur toegewezen op grond van het voorlopig oordeel dat de inventarisatiekosten op verzoek van United c.s. waren gemaakt, dat deze vermeden hadden kunnen worden als United c.s. hadden meegewerkt aan het door het Gerecht opgedragen filteringsproces en dat deze kosten in de onderlinge verhouding tussen partijen voor rekening van United c.s. komen, dit los van de vraag of deze kosten in de verhouding tussen United c.s. en BNP gelet op artikel 843a lid 1 Rv voor rekening van BNP zouden moeten komen.

3.7.2

Een vonnis van 26 juli 2019, gewezen tussen de partijen in de onderhavige procedure minus Apollo, waarbij in conventie Centennial, UIT en UTC - maar wederom niet United Bank - zijn veroordeeld tot afgifte ex artikel 843a Rv van nadere - niet door de bewijsbeslagen getroffen - stukken die betrekking hebben op enkele door BNP in Zwitserland beslagen schilderijen van de WWFDO-lijst, met bevel aan [Appellante 2 / Geïntimeerde 2] en [Appellante 1 / Geïntimeerde 1] om die afgifte te gedogen.

In reconventie kreeg BNP het bevel om, op straffe van verbeurte van een dwangsom, de uit de bewijsbeslagen afkomstige bescheiden van vóór 5 juli 2015 en de correspondentie met advocaten aan Centennial, UIT en UTC terug te geven en alle derden die over die stukken beschikken te instrueren deze te vernietigen. Bij wijze van voorziening ex artikel 438 lid 2 Rv heeft het gerecht voorts BNP veroordeeld tot betaling aan Centennial, UIT en UTC van de helft van de factuur van de deurwaarder (zie hiervoor) na ontvangst van bewijs dat deze factuur door hen is voldaan.

3.7.3

Een vonnis van 16 augustus 2019, een executie kort geding inzake de tenuitvoerlegging van het vonnis van 26 juli 2019, meer in het bijzonder de eerstgenoemde veroordeling in reconventie.

4 De beoordeling in hoger beroep

4.1

Tegen de achtergrond van het bovenstaande zullen de vier appels worden beoordeeld, te beginnen met de grieven in de zaken CUR2019H00039, CUR2019H00040 en CUR2019H00044. Die grieven zullen zoveel mogelijk gezamenlijk worden besproken. Zij strekken er steeds toe dat de vordering in conventie van BNP alsnog wordt afgewezen en dat de vorderingen in reconventie van de appellanten worden toegewezen, steeds met veroordeling van BNP in de kosten van beide instanties. In verband met de afgifte die inmiddels heeft plaatsgevonden hebben alle appellanten hun eis in reconventie vermeerderd met voorzieningen die beogen de gevolgen van de afgifte zoveel mogelijk ongedaan te maken.

4.2

Met de klachten over de feitenvaststelling is al rekening gehouden bij de uitgangspunten zoals weergegeven onder 2.1. Op de grieven I en II van [Appellante 2 / Geïntimeerde 2] en grief I van United c.s. hoeft daarom niet verder te worden ingegaan.

4.3

Dan de klachten die zich richten tegen het bevel tot afgifte van de beslagen bescheiden. Daarbij spelen vanwege de vorm waarin het Gerecht het bevel tot afgifte heeft gegeven, en de omstandigheid dat het bevel inmiddels is uitgevoerd, meerdere vragen. De eerste is of BNP, zoals het Gerecht heeft geoordeeld, op grond van artikel 843a Rv recht heeft op inzage in en/of afgifte van een afschrift van alle in de beslagverloven in categorieën omschreven bescheiden, met een beperking in de tijd (alleen bescheiden van na 6 juli 2015) en met uitzondering van correspondentie van advocaten. De tweede vraag is procedureel van aard: kon het Gerecht ervan uitgaan dat het beslag steeds overeenkomstig de goedgekeurde categorieën en zoektermen had plaatsgevonden en dat partijen in staat zouden zijn om samen (binnen een week) alle bijvangst eruit te filteren? De derde, overkoepelende, vraag is dan of het Gerecht de vordering in deze vorm, in kort geding, had mogen toewijzen. Over al deze aspecten van de beslissing wordt geklaagd.

4.4

Omdat het filterproces inmiddels heeft plaatsgevonden en de bescheiden zijn afgegeven zal het Hof de klachten en stellingen die zien op de tweede vraag, en op de derde vraag voor zover de tweede daarin doorwerkt, onder toepassing van artikel 281b Rv onbesproken laten. Ook de verwijten en andersoortige stellingen die betrekking hebben op het verloop van filterproces worden niet beoordeeld.

4.5

Bij de beoordeling van de toewijsbaarheid van de vordering tot afgifte van en inzage in de beslagen bescheiden dient - opnieuw - te worden getoetst aan de maatstaven van artikel 843a Rv. Vereist is dat de verzoeker, in casu: BNP, een rechtmatig en - afgewogen tegen de andere betrokken belangen: voldoende - belang heeft op inzage in bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarbij zij partij is. Omdat BNP heeft gekozen voor een kort geding dient haar belang ook voldoende spoedeisend te zijn. De mee te wegen andere betrokken belangen zijn die van de wederpartij en - voor zover dat een ander is of anderen zijn dan de wederpartij - degene die de stukken onder zich heeft (hier: United c.s.) en degene op wie de in de stukken opgenomen informatie mede betrekking heeft. In het licht van al die belangen dient (mede) de proportionaliteit en de subsidiariteit van de afgifte te worden beoordeeld. Ten behoeve van die beoordeling dienen de bescheiden voldoende bepaald te zijn. Of is voldaan aan de voorwaarde “bepaalde bescheiden” zal afhangen van de concrete omstandigheden van het geval. In zijn algemeenheid geldt dat duidelijk moet worden aangegeven ten aanzien van welke bescheiden inzage wordt verlangd.

4.6

Om met de vereiste rechtsbetrekking te beginnen: dienaangaande heeft BNP onder meer gesteld dat [Appellante 1 / Geïntimeerde 1] en [Appellante 2 / Geïntimeerde 2], deels met gebruik van Apollo, samenspannen om verhaal door BNP te bemoeilijken, onder meer door het verschuiven van vermogensbestanddelen zoals enkele van de schilderijen die op de WWFDO-lijst staan. BNP heeft van dit onrechtmatig handelen enkele voorbeelden gegeven en die gestaafd met een nadere toelichting van Allen & Overy (de advocaat van BNP in Jersey) en - in hoger beroep - enkele van de beslagen en afgegeven bescheiden. Een voldoende plausibele verklaring voor de transacties met betrekking tot de schilderijen is door geen van de appellanten gegeven. Daarnaast is ook de stelling van BNP dat de tenaamstelling van de huur van het appartement te Monaco door [Appellante 1 / Geïntimeerde 1] en [Appellante 2 / Geïntimeerde 2] is gewijzigd om verhaal door BNP te bemoeilijken onvoldoende gepareerd. Daarmee heeft BNP het bestaan van de door BNP gestelde rechtsbetrekking - onrechtmatige daad (6:162 en/of 6:166 BW) - in de in dit verband vereiste mate aannemelijk gemaakt.

4.7

Waar in een kort geding het (vermoedelijke) oordeel van de bodemrechter richtsnoer dient te zijn, kan voorts worden gewezen op het hierboven onder 2.1.27 aangehaalde bodemvonnis. Daarin heeft het Gerecht uitvoerig gemotiveerd vastgesteld dat sprake is van onrechtmatige betrokkenheid van [Appellante 2 / Geïntimeerde 2] bij de verhaalsobstructie door haar moeder en (ook) Apollo en daartoe onder meer overwogen dat voor de schilderijentransacties - (deels) dezelfde waarover BNP in dit kort geding de staf heeft gebroken - geen enkele valide reden is gegeven. Dat dit ambtshalve bijgebrachte vonnis in dit kort geding geen onderwerp van debat heeft kunnen zijn, en dat inmiddels hoger beroep is ingesteld, staat niet in de weg aan de conclusie dat er vooralsnog een stevig fundament onder de beschuldigingen is komen te liggen en dat er geen enkele reden is om op dit punt anders te oordelen dan het Gerecht in het bestreden vonnis heeft gedaan.

4.8

Of ook Croci, IVFI, UIT, UTC (en [Naam 1]) partij zijn bij deze rechtsbetrekking, in die zin dat hun bewuste betrokkenheid bij het frustreren of compliceren van voldoening van de vordering die BNP op [Appellante 1 / Geïntimeerde 1] heeft als onrechtmatig moet worden aangemerkt, kan verder in het midden blijven. Voldoende aannemelijk is (inmiddels) dat ieder van hen banden heeft met [Appellante 1 / Geïntimeerde 1], [Appellante 2 / Geïntimeerde 2] en/of Apollo en dat zich onder hen stukken bevinden die met voornoemde rechtsbetrekking verband houden. Hun belangen - in die hoedanigheid van derde onder wie zich de af te geven stukken bevinden en die daarvan ook (mede-)eigenaar is - zullen bij de in deze te maken afweging (zie rov. 4.3) worden betrokken.

4.9

Het onrechtmatig handelen in vereniging dat de vereiste rechtsbetrekking constitueert, rechtvaardigt in beginsel een veelomvattend beslag en een dito afgifte. BNP heeft - ook al is zij mede (en volgens [Appellante 1 / Geïntimeerde 1] en [Appellante 2 / Geïntimeerde 2] zelfs in hoofdzaak) schuldig aan de “breach of trust” - een harde verhaalsclaim op [Appellante 1 / Geïntimeerde 1] en de onwil van laatstgenoemde om iets te betalen lijkt te leiden tot een verrijking waarvoor zij (of [Appellante 2 / Geïntimeerde 2]) vooralsnog geen begin van een rechtvaardiging heeft gegeven. Waar [Appellante 1 / Geïntimeerde 1] en [Appellante 2 / Geïntimeerde 2], die wereldwijd kunnen beschikken over deskundige adviseurs, met behulp van vennootschappen en trusts potentiële verhaalsobjecten verplaatsen over meerdere continenten, is aannemelijk dat BNP - ook al is zij evenzeer tot de tanden bewapend - unfair wordt benadeeld, ook in bewijsrechtelijk opzicht, als haar een ruim kijkje achter de schermen wordt onthouden. Dit doordat bij de handelwijze van [Appellante 1 / Geïntimeerde 1] en [Appellante 2 / Geïntimeerde 2] het gevaar levensgroot is dat BNP steeds achter de feiten aanloopt en juist door de vertrouwelijkheid een trust eigen en de ondoorzichtigheid van de gebruikte vennootschapsstructuren, niet weet waar de goederen zich bevinden en niet of moeilijk kan bewijzen wie op welk moment de eigenaar van bepaalde verhaalsobjecten is of is geweest. De eis die appellanten lijken te stellen dat steeds duidelijk moet zijn of een stuk of een categorie stukken kan bijdragen tot bewijs van een specifiek benoemde gedraging of handeling van een of meer van de betrokkenen is dan te streng.

4.10

BNP wil de af te geven stukken gebruiken met het oog op het voorbereiden en voeren van procedures en de bij de verhaalsbenadeling betrokken partijen aansprakelijk te stellen, zoals zij dat inmiddels - zie de meergenoemde bodemprocedure in Curaçao en kennelijk tevens in andere landen - ook al heeft gedaan. Daarbij zijn, zij het in bescheiden getale (maximaal vijftig), ook stukken uit het litigieuze bewijsbeslag als productie in het geding gebracht. Daarnaast zouden de stukken die inzicht geven in de transacties met betrekking tot de schilderijen en in de eigendomsverhoudingen in de betrokken vennootschappen van nut kunnen zijn - en mogelijk zijn ze dat ook al geweest - in de beslagzaken zoals die in Zwitserland worden gevoerd en waarin BNP wordt tegengeworpen dat [Appellante 1 / Geïntimeerde 1] niet (langer) rechthebbende is. Ook dit is een relevant bewijsrechtelijk procesbelang dat door artikel 843a Rv wordt beschermd en niet, zoals de appellanten met veel nadruk stellen, een zuiver verhaalsbelang. Het gegeven dat beslag en ander verhaal doorgaans tot procederen noopt, relativeert overigens ook het onderscheid tussen bewijs- en verhaalsbelang en doet ook sterk twijfelen aan de juistheid en werkbaarheid van de categorische opvatting dienaangaande zoals appellanten die aan de (lagere) Nederlandse rechtspraak ontlenen.

4.11

De aard van de onrechtmatige daad die BNP hoopt te bestrijden rechtvaardigt in beginsel ook dat BNP de gewenste stukken in tamelijk ruime categorieën heeft geformuleerd zonder te weten of en zo ja in hoeverre deze doel zouden treffen. Dat maakt het bewijsbeslag en daarop volgende inzagevorderingen nog niet tot een ongeoorloofde fishing expedition. BNP heeft, mede door de verwijzing naar de affidavit van Allan & Overy, ook voldoende toegelicht hoe de genoemde categorieën en de zoektermen verband houden met de gestelde rechtsbetrekking. Het houdt aan detaillering wellicht niet over, dat kan aan appellanten worden toegegeven, maar het is al met al net toereikend om aan de eisen van artikel 843a Rv te voldoen.

4.12

Waar het gaat om [Appellante 1 / Geïntimeerde 1], [Appellante 2 / Geïntimeerde 2] en (in hun verlengde) Apollo geldt dat hun rechtens relevante belangen die bij de inzage in het geding zijn, bestaan in een beperkte inbreuk op hun privacy. Dat weegt - waar aannemelijk is dat zij BNP proberen te benadelen - niet op tegen het belang van BNP om een reële kans te hebben om (de omvang van) het onrechtmatig handelen (nader) aan te tonen en de gevolgen daarvan in te perken.

4.13

Ten aanzien van United c.s. zal als gezegd bij wijze van veronderstelling tot uitgangspunt worden genomen dat zij zuivere derden zijn, vrij van het opzettelijk bijdragen aan het onrechtmatig handelen zoals dat [Appellante 1 / Geïntimeerde 1] en [Appellante 2 / Geïntimeerde 2] wordt verweten. Voorts dient in het algemene belang van de trustsector in Curaçao te worden gelet op het door United c.s. genoemde gevaar van precedentwerking en het vertrouwen dat klanten van trustkantoren mogen hebben dat hun gegevens niet “zomaar” (met een enkel beroep op een gepretendeerde vordering) integraal aan derden zullen worden afgegeven.

4.14

Daar staat tegenover dat klanten met ongeoorloofde bedoelingen er ook niet op mogen rekenen dat de vertrouwelijkheid en “asset protection” die een trustkantoor dient te waarborgen hen volledig zal vrijwaren van maatregelen die steunen op de wet en door de rechter zijn getoetst en dat de verantwoordelijkheid van de kantoren voor hun cliënten mee kan brengen dat ongeoorloofde handelingen van die cliënt voor hen extra werk en andere overlast tot gevolgen kan hebben.

4.15

In dit geval is er sprake van bijzondere omstandigheden in de vorm van aantoonbare en ernstige schuldeiserbenadeling die voldoende rechtvaardigen dat BNP inzicht krijgt in de bescheiden zoals door het Gerecht is toegestaan. Ook die belangen van United c.s. staan dus naar voorlopig oordeel niet aan het recht op inzage in de weg.

4.16

Dat slechts een relatief beperkt aantal stukken geschikt is gebleken voor direct gebruik als productie in een procedure, betekent nog niet dat het beslag en de afgifte als zodanig disproportioneel en daarmee ongerechtvaardigd zijn geweest. De stukken kunnen trouwens ook op een andere manier nuttig zijn geweest; het gerechtvaardigd belang van BNP was immers (ook) om meer inzicht te krijgen in waar [Appellante 1 / Geïntimeerde 1] haar vermogen had ondergebracht en daarmee tot op zekere hoogte ook om te weten wat er niet is en welk spoor doodloopt. Het is ook niet gebleken dat BNP op een andere manier - met vrijwillige medewerking van United c.s. bijvoorbeeld of door een voorlopig getuigenverhoor - voldoende informatie had kunnen verkrijgen en de belangen van appellanten zijn ook niet van dien aard dat van BNP kon worden gevergd om met minder dan afgifte van de beslagen bescheiden genoegen te nemen.

4.17

Alles afwegend komt het Hof tot de conclusie dat de gevraagde inzage gelet op alle betrokken belangen proportioneel is te achten en ook overigens voldoet aan de eisen die ingevolge artikel 843a Rv worden gesteld en dat het Gerecht terecht heeft geoordeeld dat BNP recht had op afgifte van de in de beslagverloven genoemde categorieën van bescheiden, voor zover deze dateren van na 6 juli 2015. Het belang van BNP bij die afgifte was ook voldoende spoedeisend omdat BNP verdere verschuivingen van verhaalsobjecten wilde voorkomen en zij op korte termijn procedures wilde beginnen, wat zij in elk geval in Curaçao ook heeft gedaan. Gelet op dat belang was de keuze voor een kort geding ook te billijken. Dat een bodemprocedure meer waarborgen had geboden is niet gebleken, nu het naast de (beperkte) toetsing van de aannemelijkheid van de rechtsbetrekking grotendeels gaat om waarderingen en belangenafwegingen waarbij - gelet op het partijdebat - de mogelijkheid van bewijslevering geen toegevoegde waarde had gehad.

4.18

Bij een veroordeling tot afgifte zoals het Gerecht die heeft gegeven bestaat in hoger beroep geen belang meer. Dat geldt ook voor de dwangsom. Partijen zijn het erover eens dat die iedere zin heeft verloren nu alle appellanten aan de veroordeling hebben voldaan. BNP heeft kennelijk ook geen dwangsommen aangezegd en niet goed denkbaar is - gelet ook op artikel 611g lid 1 Rv - dat zij dit alsnog doet: zij stelt ook zelf met zoveel woorden dat United c.s. geen dwangsommen meer kunnen verbeuren.

4.19

BNP heeft echter nog wel voldoende (spoedeisend) belang bij het behoud van de afgegeven stukken voor zover deze aan de meergenoemde omschrijving voldoen. Het is mede met het oog op de lopende en nog te voeren procedures even ongerechtvaardigd als onwenselijk dat de rechtsgrond aan de afgifte geheel komt te ontvallen en dat de gevolgen van de afgifte zoveel mogelijk ongedaan worden gemaakt, zoals appellanten (primair) wensen.

4.20

Gelet op het vorenstaande zal het Hof de bestreden vonnissen in conventie vernietigen en de oorspronkelijke vorderingen afwijzen, maar daarbij bepalen dat de afgifte in stand dient te blijven voor zover het gaat om bescheiden die voldoen aan de criteria zoals vermeld in de desbetreffende beslagverloven. Ook de rechtsgrond voor de inschakeling van de deurwaarder dient in stand te blijven, evenals de kostenveroordelingen omdat appellanten in conventie overwegend in het ongelijk zijn gesteld.

4.21

Voor zover de afgeven stukken niet voldoen aan meergenoemde criteria komen de stukken BNP niet toe en dient zij deze onverwijld te vernietigen of terug te geven. United c.s. stellen onder verwijzing naar de als producties 35 en 36 overgelegde lijsten dat dit geldt voor een zeer aanzienlijk aantal van de afgegeven bescheiden. In aansluiting daarop hebben zij bij pleidooi toegelicht dat hun vordering subsidiair strekt tot teruggave /vernietiging van wat zij noemt de gedeeltelijk uitgesloten bescheiden (de uitgesloten bescheiden vallen reeds onder de werking van het vonnis van 26 juli 2019), de metadatabestanden, alle bescheiden die niet zien op de assetstroom, alle bescheiden die niet onder de door BNP in de beslagrekesten geformuleerde categorieën van in beslag te nemen zaken vallen, alle bescheiden waarin niet een of meer van de zoektermen voorkomen en alle bescheiden die niets met de [Appellante 1 / Geïntimeerde 1]-zaak te maken hebben.

4.22

BNP heeft de vorderingen in reconventie bestreden maar zij is op deze lijsten niet ingegaan en zij heeft ook tegen de eerdere klachten van United c.s. dat het filterproces niet afdoende is geweest te weinig ingebracht, terwijl zij toch bij uitstek in de gelegenheid was om de klachten te ontzenuwen nu zij de stukken al geruime tijd onder zich heeft. De in dit kort geding beschikbare gegevens zijn onvoldoende om per stuk te kunnen beoordelen of het bij BNP thuishoort, maar het is als onvoldoende weersproken aannemelijk te achten dat BNP over een of meer stukken beschikt die niet aan de meergenoemde omschrijving beantwoorden. BNP zal daarom worden veroordeeld om alle stukken waarvoor dat geldt af te geven of te vernietigen, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Die dwangsom zal worden bepaald en gemaximeerd als na te melden. United c.s. kunnen zo nodig verhoging van de dwangsommen vragen wanneer deze ontoereikend blijken te zijn. Voor toewijzing van de vorderingen in reconventie van [Appellante 1 / Geïntimeerde 1] en [Appellante 2 / Geïntimeerde 2] of het treffen van een andere voorziening ontbreekt het aan het vereiste (spoedeisend) belang.

4.23

Indien het United c.s. ernst is met hun verwijt dat hun belangen zijn geschonden door de wijze waarop onder regie van BNP het filter- en afgifteproces is verlopen, dan kan zij dat in een bodemprocedure aan de orde stellen. In dat verband kan, indien nog gewenst, ook definitief worden uitgemaakt wie de kosten van de deurwaarder en FSC dient te dragen. In dit kort geding ligt die vraag niet voor.

4.24

Met het vorenstaande zijn de grieven I tot en met V en VII en VIII van [Appellante 1 / Geïntimeerde 1], de grieven III tot en met VII van [Appellante 2 / Geïntimeerde 2] en de grieven 2 tot en met 8 en 10 tot en met 13 van United c.s. besproken.

4.25

BNP had een voldoende (spoedeisend belang om het aandeelhouders-register van IVFI in te zien om zich zo een beeld te vormen van de belangen van [Appellante 1 / Geïntimeerde 1]. Het inzicht dat de bescheiden BNP heeft verschaft, zoals zij dat onder 85 van haar memorie van antwoord heeft uiteengezet, is beperkt maar ook zo niet zo gering dat achteraf moet worden geoordeeld dat afgifte had moeten geweigerd bij het ontbreken van voldoende belang en dat de kopieën moeten worden teruggegeven. Grief 9 van United c.s. en de verwante klacht van [Appellante 2 / Geïntimeerde 2] onder 71 van haar memorie van grieven worden daarom verworpen. Het aandeelhoudersregister zal worden meegenomen in de in hoger beroep te geven nieuwe voorziening (zie rov. 4.20).

4.26 [

Appellante 2 / Geïntimeerde 2] heeft geen belang naar voren gebracht dat opweegt tegen het belang dat BNP erbij heeft dat de door haar gelegde conservatoire beslagen blijven liggen totdat in een bodemprocedure definitief is beslist op haar claims jegens [Appellante 2 / Geïntimeerde 2]. De huidige stand van die bodemprocedure geeft ook geen aanleiding om de beslagen op te heffen. Daarmee faalt [Appellante 2 / Geïntimeerde 2]’s laatste grief VIII.

4.27

De omstandigheden die [Appellante 1 / Geïntimeerde 1] onder 3.21 van haar memorie van grieven noemt zijn, nog daargelaten dat zij door BNP grotendeels overtuigend zijn weersproken, onvoldoende zwaarwegend om het bewijsbeslag op te heffen wegens schending van de waarheidsplicht en strijd met een goede procesorde. De daarop gerichte grief VI heeft daarom geen succes.

4.28

De slotsom is dat de bestreden vonnissen moeten worden vernietigd, met een voorziening als in rov. 4.20 en 4.25 omschreven, en dat de vorderingen in reconventie van United c.s. gedeeltelijk moeten worden toegewezen. United c.s. zijn ondanks de gedeeltelijke toewijzing van hun vorderingen in reconventie te beschouwen als de overwegend in het ongelijk gestelde partijen en zij zullen daarom net als de overige appellanten worden veroordeeld in de proceskosten van het desbetreffende hoger beroep. De kostenveroordelingen die het Gerecht in reconventie heeft gegeven blijven in stand.

4.29

De grieven 1 en 2 van BNP in de zaak onder nummer CUR2019H00066 strekken ertoe dat de afgifte zoals BNP die in eerste aanleg in conventie jegens United Bank had gevorderd alsnog wordt toegewezen, met vernietiging van de opheffing van het bewijsbeslag zoals in reconventie was bevolen.

4.30

De beslissing van het Gerecht om de vordering jegens United Bank af te wijzen, en het bij haar gelegde bewijsbeslag op te heffen, berustte op de overweging dat United Bank onweersproken had aangevoerd dat zij geen enkele band heeft met [Appellante 1 / Geïntimeerde 1], [Appellante 2 / Geïntimeerde 2], IVFI of Croci. Dat blijkt anders te liggen omdat, zoals United Bank op 24 maart 2019 na bestudering van de teruggegeven bescheiden eigener beweging aan BNP heeft gemeld, IVFI een bankrekening bij United Bank aanhoud. Daarbij heeft United Bank het enige stuk waarop BNP volgens haar aanspraak kan maken afgegeven. BNP noemt in hoger beroep nog andere voorbeelden van banden tussen United Bank enerzijds en [Appellante 1 / Geïntimeerde 1], [Appellante 2 / Geïntimeerde 2], IVFI en Croci. BNP gaat ervan uit dat indien deze informatie bij het Gerecht bekend was geweest, de vordering tot afgifte ook jegens United Bank onder gelijke condities zou zijn toegewezen.

4.31

Het verschil met de situatie nu is echter dat BNP inmiddels beschikt over een groot aantal documenten, documenten die, naar zij stelt, ook nog vele andere voorbeelden bevatten van banden tussen United Bank enerzijds en [Appellante 1 / Geïntimeerde 1], [Appellante 2 / Geïntimeerde 2], IVFI en/of Croci anderzijds. BNP is met de informatie die het beslag haar heeft opgeleverd ook al tot verhaal en procederen overgegaan en vooralsnog met succes. Bij die stand van zaken had van BNP een meer precieze en geactualiseerde omschrijving verwacht mogen worden van de stukken die zij nog mist en die zij bij United Bank denkt te vinden. BNP heeft zelf, ter afwering van de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis, benadrukt dat zij snel over actuele informatie diende te beschikken omdat “het spoor nog vers” was. Het ontbreekt met dat alles, en gelet op de belangen van United Bank, aan een voldoende spoedseind belang om thans in kort geding wederom een afgifte te bevelen overeenkomstig de ruime beslag categorieën uit 2018, wat naar verwachting wederom zal leiden tot een tijdrovend en voor United Bank belastend filterproces.

4.32

Er is gelet op het vorenstaande ook onvoldoende reden om de opheffing van het beslag te vernietigen met als gevolg dat dit herleeft. Het is in zoverre ook niet nodig dat de stukken weer in de macht van de deurwaarder zijn gebracht. Het is aan partijen om desgewenst overeen te komen dat deze stukken daar blijven totdat in een (bodem)procedure aan de hand van een nieuw verzoek over het recht op inzage is beslist. Een voorziening op dit punt is niet aangewezen. Indien BNP meent dat niet op de bewaarplicht van United Bank kan worden vertrouwd en dat een nieuw bewijsbeslag nodig is, dan kan zij dat aan de rechter voorleggen.

4.33

Een volledige kostenveroordeling, het onderwerp van grief 3, is dan niet

aan de orde en was dat overigens bij gegrondbevinding van de andere grieven evenmin geweest.

4.34

In dit appel moet het bestreden vonnis dus worden bevestigd. BNP zal worden verdeeld in de kosten inclusief de nakosten en met de wettelijke rente zoals gevorderd.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

in de zaak met nummer CUR2019H00039:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, met uitzondering van de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde proceskostenveroordeling;

en opnieuw rechtdoende in kort geding:

bepaalt dat de door het Gerecht bevolen afgifte in stand dient te blijven voor zover het gaat om het aandeelhoudersregister van IVFI en bescheiden uit de periode vanaf 6 juli 2015 die voldoen aan de criteria zoals vermeld in de desbetreffende beslagverloven en dat ook de rechtsgrond voor de inschakeling van de deurwaarder in stand blijft;

beveelt BNP om alle documenten en kopieën van documenten die aan die criteria niet voldoen binnen drie weken na dit vonnis te vernietigen of deze aan de partij van wie ze afkomstig zijn terug te geven, dit naar keuze van laatstgenoemde partij, en verbindt aan deze veroordeling een dwangsom van NAf. 10.000,00 voor iedere dag dat BNP met de naleving van dit bevel geheel of gedeeltelijk in gebreke blijft door een of meer (kopieën van) documenten niet af te geven of te vernietigen, tot een maximum van NAf. 500.000,00;

wijst het meer of anders gevorderde af;

veroordeelt United c.s. in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van BNP gevallen en tot op heden begroot op NAf 259,05 aan betekeningskosten en NAf 6.000,00 aan salaris voor de gemachtigde;

in de zaak met nummer CUR2019H00040:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, met uitzondering van de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde proceskostenveroordeling;

en opnieuw rechtdoende in kort geding:

bepaalt dat de door het Gerecht bevolen afgifte in stand dient te blijven voor zover het gaat om het aandeelhoudersregister van IVFI en bescheiden uit de periode vanaf 6 juli 2015 die voldoen aan de criteria zoals vermeld in de desbetreffende beslagverloven en dat ook de rechtsgrond voor de inschakeling van de deurwaarder in stand blijft;

wijst het meer of anders gevorderde af;

veroordeelt [Appellante 1 / Geïntimeerde 1] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van BNP gevallen en tot op heden begroot op NAf 589,05 aan betekeningskosten en NAf 6.000,00 aan salaris voor de gemachtigde;

in de zaak met nummer CUR2019H00044:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, met uitzondering van de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde proceskostenveroordeling;

en opnieuw rechtdoende in kort geding:

bepaalt dat de door het Gerecht bevolen afgifte in stand dient te blijven voor zover het gaat om het aandeelhoudersregister van IVFI en bescheiden uit de periode vanaf 6 juli 2015 die voldoen aan de criteria zoals vermeld in de desbetreffende beslagverloven en dat ook de rechtsgrond voor de inschakeling van de deurwaarder in stand blijft;

wijst het meer of anders gevorderde af;

veroordeelt [Appellante 2 / Geïntimeerde 2] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van BNP gevallen en tot op heden begroot op NAf 259,05 aan betekeningskosten en NAf 6.000,00 aan salaris voor de gemachtigde;

in de zaak met nummer CUR2019H00066:

bevestigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt BNP in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van United Bank gevallen en tot op heden begroot op NAf 423,15 aan betekeningskosten en NAf 6.000,00 aan salaris voor de gemachtigde, te vermeerderen met de nakosten ad NAf 250,00, ingeval betekening plaatsvindt met NAf 150,00 te verhogen tot NAf 400,00 en, wanneer voldoening binnen veertien dagen na dit vonnis uitblijft, te vermeerderen met de wettelijke rente;

in alle vier zaken voorts:

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. F.W.J. Meijer, M.W. Scholte en M.B. van den Enden, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 2 juni 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.