Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2020:221

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
02-10-2020
Zaaknummer
CUR2018H00477
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

handelen in strijd met concurrentiebeding – betwisting van het sine-qua-non verband – schatting schade ex artikel 6:97 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2020 Beschikking no.:

Registratienummers: CUR201802252 - CUR2018H00477

Uitspraak: 29 september 2020

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

B E S C H I K K I N G

in de zaak van:

[APPELLANT],

wonend in Curaçao,

oorspronkelijk verzoeker,

thans appellant,

gemachtigde: mr. R.E. Martis,

tegen

de naamloze vennootschap

CALAMARI MANAGEMENT COMPANY N.V,

h.o.d.n. TERMIGON,

gevestigd in Curaçao,

oorspronkelijk verweerster,

thans geïntimeerde,

gemachtigden: mr. J. Eichhorn en mr. H.M.T. Hovens.

De partijen worden hierna [Appellant] en Termigon genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Bij akte van appel, ingekomen ter griffie op 14 december 2018, is [Appellant] in hoger beroep gekomen van de tussen partijen gegeven en op 9 november 2018 uitgesproken beschikking van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (verder: het Gerecht).

1.2

Bij beroepschrift met producties, ter griffie van het Hof ingekomen op 24 januari 2019, heeft [Appellant] acht grieven aangevoerd. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof de bestreden beschikking zal vernietigen en opnieuw rechtdoende zijn verzoeken alsnog zal toewijzen, met veroordeling van Termigon in de kosten van beide instanties.

1.3

Op 21 januari 2020 heeft een zitting plaatsgevonden, waarbij de zaak inhoudelijk niet is behandeld. [Appellant] heeft daarbij een pleitnotitie overgelegd. De zaak is naar de rol verwezen voor het nemen van een akte aan de zijde van Termigon, waarna [Appellant] de gelegenheid heeft gekregen een antwoordakte te nemen. Termigon heeft vervolgens een verweerschrift met productie ingediend en daarbij de gronden van beroep bestreden. Daarna heeft [Appellant] nog een akte uitlating productie ingediend. Vervolgens is beschikking gevraagd, waarvan de uitspraak nader is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1

Partijen zijn op 1 februari 2017 een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aangegaan voor een periode van vier maanden. De arbeidsovereenkomst is daarna met vier maanden verlengd tot 30 september 2017. Daarna is de arbeidsovereenkomst niet meer verlengd.

2.2 [

Appellant] verdiende NAf 2.302,57 bruto per maand. Het loon over september 2017 is niet uitbetaald.

2.3

In de arbeidsovereenkomst staat in artikel 11, voor zover van belang:

“Gedurende de duur van de overeenkomst danwel binnen 1 (een) jaar na beeindiging van de overeenkomst, is het de werknemer verboden direct of indirect Produkten te verkopen in Curacao ten behoeve van andere ondernemingen of personen, die identiek, gelijk en/of concurrerend zijn met de Produkten, tenzij de Vennootschap schriftelijke toestemming daarvoor aan de werknemer heeft verleend.”

3 De beoordeling

3.1

Uit het overgelegde bewijs van onvermogen is genoegzaam van het onvermogen van [Appellant] gebleken om de proceskosten te dragen, zodat hem toelating zal worden verleend om kosteloos te procederen.

3.2

Hoger beroep tegen een beschikking wordt ingesteld door indiening van een geschrift, in de praktijk beroepschrift genoemd. De door [Appellant] (kennelijk per abuis) ingediende akte van appel zal door het Hof als beroepschrift worden aangemerkt. [Appellant] is bevoegd om de gronden van het beroep op te nemen in zijn beroepschrift, maar is daartoe niet verplicht (artikel 429o lid 1 derde volzin van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Het feit dat het beroepschrift van [Appellant] enkel een appelmededeling bevat, en de gronden van zijn beroep zijn opgenomen in een afzonderlijk en later ingediend geschrift, heeft voor deze procedure dus geen consequenties. Het Hof verwijst in dit verband ook naar het bepaalde in artikel 121 Procesreglement in verband met de betaling van het griffierecht, dat in casu uiterlijk binnen zes weken na de bestreden beschikking betaald had moeten worden. In casu is pas bij de indiening van het geschrift op 24 januari 2019, derhalve te laat, een bewijs van onvermogen overgelegd. De sanctie van het vervallen verklaren van het hoger beroep zal echter buiten toepassing worden gelaten, nu de zaak inhoudelijk is behandeld (ECLI:NL:HR:2017:284).

3.3

In eerste aanleg heeft [Appellant] verzocht:

I. Termigon te veroordelen te betalen aan achterstallig loon een bedrag van NAf 2.302,00 bruto (september 2017), te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% en de vertragingsrente vanaf datum vervaltermijn;

II. Termigon te veroordelen te betalen een bedrag van NAf 174,65 ter zake van gemaakte reiskosten;

III. Termigon te veroordelen te betalen een bedrag van NAf 2.108,20 ter zake van gemaakte overuren over de periode januari 2017 tot en met augustus 2017, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% en de vertragingsrente per datum vervaltermijn;

een en ander kosten rechtens.

3.4

Bij zelfstandig tegenverzoek heeft Termigon verzocht:

I. te verklaren voor recht dat [Appellant] wanprestatie dan wel een onrechtmatige daad heeft gepleegd en aansprakelijk is voor de dientengevolge door Termigon geleden schade;

II. [Appellant] te veroordelen te betalen een bedrag van NAf. 17.451,62, althans een door het Gerecht in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het ontstaan van de schade.

3.5

Bij beschikking van 9 november 2018 heeft het Gerecht de verzoeken van [Appellant] afgewezen en [Appellant] veroordeeld aan Termigon te betalen een bedrag van NAf 605,95, te vermeerderen met de wettelijke rente, het meer of anders verzochte afgewezen en de proceskosten gecompenseerd. Hieraan heeft het Gerecht – samengevat en voor zover in hoger beroep nog van belang – het volgende ten grondslag gelegd. [Appellant] heeft indirect meegewerkt aan het verkopen van producten van een onderneming die concurrerend zijn met de producten van Termigon. Daarmee heeft [Appellant] in strijd met artikel 11 van het overeengekomen concurrentiebeding gehandeld. Nu sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst moet [Appellant] de schade van Termigon vergoeden. Artikel 7A:1615da BW staat daaraan niet in de weg: er is sprake van opzet of bewuste roekeloosheid. De hoogte van de schade (aan misgelopen inkomsten) wordt geschat op een bedrag van NAf 5.000,00. Dit bedrag komt voor verrekening in aanmerking. Dat geldt ook voor de kosten van de advertenties ad NAf 190,80.

3.6

De grieven 1 tot en met 7 hebben betrekking op het oordeel van het Gerecht dat [Appellant] zich schuldig heeft gemaakt aan concurrerende activiteiten en dat hij aansprakelijk is voor de schade die Termigon dientengevolge heeft geleden. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Het Hof sluit zich aan bij de overwegingen van het Gerecht en maakt deze tot de zijne. Anders dan [Appellant] heeft betoogd, valt ook het indirect (middels het doorverwijzen van klanten naar [Naam]) verrichten van concurrerende handelingen onder het concurrentiebeding. In artikel 11 van de arbeidsovereenkomst staat immers met zoveel woorden “direct en indirect”. [Appellant] heeft in hoger beroep volstaan met een herhaling van zijn stelling (in eerste aanleg) dat de zinsnede in de e-mail van [Appellant] naar [Naam] “hurry up back cuz we have work when I get back” bij wijze van spreken was. Die verklaring acht het Hof onvoldoende. Ook de verklaring van [Naam] dat [Appellant] alleen klanten naar hem doorverwees is, gelet op alle feiten en omstandigheden die het Gerecht heeft meegewogen alvorens tot haar oordeel te komen, niet voldoende. Dat zijn handelingen beperkt zijn geweest, ook indien juist, doet niet af aan het feit dat hij het concurrentiebeding heeft overtreden. De betwisting dat de producten van [Naam] identiek en concurrerend zijn met de producten van Termigon had [Appellant], in het licht van het vaststaande feit dat [Appellant] een aantal klanten van Termigon dat bestrijding van termieten wenste – hetgeen Termigon ook doet – naar [Naam] had doorverwezen, nader moeten onderbouwen, hetgeen hij niet heeft gedaan. Ook de stelling van [Appellant] dat er geen sprake is van opzet dan wel bewuste roekeloosheid houdt geen stand. [Appellant] heeft immers het risico genomen dat de klanten wel voor het alternatieve product van [Naam] en niet meer voor Termigon zouden hebben gekozen. De argumenten die [Appellant] verder nog heeft aangevoerd is een herhaling van zetten van hetgeen hij in eerste aanleg heeft betoogd.

3.7 [

Appellant] heeft verder het conditio-sine-qua-non-verband bestreden met zijn stelling dat de potentiële klanten die bij heeft doorverwezen vanwege de prijs dan wel het product niet van plan waren om in zee te gaan met Termigon en dat met geen van hen een koopovereenkomst tot stand is gekomen. Het is aan Termigon te stellen en, gezien de betwisting van [Appellant], te bewijzen dat er wel sprake is van causaliteit (artikel 129 Rv). In dat verband heeft Termigon aangevoerd dat Termigon naar aanleiding van de inspecties die [Appellant] bij een aantal potentiële klanten heeft uitgevoerd offertes heeft uitgebracht. Tegelijkertijd heeft [Appellant] zelfstandig offertes uitgebracht met een lagere prijs aan deze potentiële klanten. Deze klanten hebben de offertes van Termigon niet geaccepteerd, hetgeen ongebruikelijk is wanneer er al een inspectie op locatie heeft plaatsgevonden. Verwijzend naar productie 5 van het verweerschrift, tevens zelfstandig tegenverzoek in eerste aanleg, stelt Termigon dat het juist deze specifieke klanten waren die uiteindelijk de offertes van Termigon niet hebben geaccepteerd. Verder stelt Termigon dat bestaande klanten van Termigon hun overeenkomst met Termigon hebben opgezegd omdat ze naar eigen zeggen een beter aanbod van [Appellant] hadden gekregen. Gelet op deze onderbouwing had het op de weg van [Appellant] gelegen zijn betwisting van het causale verband nader te onderbouwen, hetgeen hij niet heeft gedaan. Aan het specifieke bewijsaanbod van [Appellant] op dit punt gaat het Hof daarom voorbij. Tot slot heeft [Appellant] betwist dat Termigon schade heeft geleden. Het Gerecht heeft naar het oordeel van het Hof terecht de schade geschat op de voet van artikel 6:97 BW. De grieven 1 tot en met 7 falen.

3.8

Grief 8 richt zich tegen het oordeel van het Gerecht dat de kosten van de advertenties ad NAf 190,80 voor verrekening in aanmerking komen. [Appellant] heeft betoogd dat de noodzaak voor het plaatsen van advertenties niet is gebleken. Ook hier schiet [Appellant] tekort in zijn betwisting, in het licht van de stellingen van Termigon dat zij advertenties heeft moeten plaatsen in diverse lokale kranten omdat [Appellant] na zijn dienstverband verwarring heeft gezaaid wat betreft zijn relatie met Termigon, dit in samenhang beschouwd met het feit dat hij al tijdens het dienstverband concurrerende activiteiten ontplooide en dat [Appellant] een goedkoper alternatief heeft aangeboden zonder dat duidelijk werd door welk bedrijf dit kan worden uitgevoerd. Dit is voor klanten verwarrend omdat zij niet begrijpen of de aanbieding namens Termigon wordt gedaan of namens een ander bedrijf.

3.9

De beschikking waarvan beroep dient te worden bevestigd. [Appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep.

B E S L I S S I N G

Het Hof:

laat [Appellant] toe kosteloos te procederen;

bevestigt de beschikking van het Gerecht van 9 november 2018;

veroordeelt [Appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van Termigon vastgesteld op een bedrag van NAf 1.250,00 aan salaris gemachtigde;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Th.G. Lautenbach, S.A. Carmelia en J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 29 september 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.