Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2020:208

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
01-09-2020
Datum publicatie
24-09-2020
Zaaknummer
CUR2019H00246
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling – vorderingen laten vallen – eisvermeerdering – desaveu –

bewijsaanbod - bewijslast

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF Actueel 2020/312
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN

ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN

BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Vonnis in de zaak:

[APPELLANT],

wonende in Nederland,

hierna te noemen: [Appellant],

oorspronkelijk eiser, thans appellant,

gemachtigden: mrs. G.B. Steward en E.G.I. van der Plank,

tegen

1 [GEȈNTIMEERDE 1],

wonende in Curaçao,

hierna te noemen: [Geïntimeerde1],

oorspronkelijk gedaagde, thans geïntimeerde,

in hoger beroep niet verschenen,

2. [GEȈNTIMEERDE 2],

wonende in Curaçao,

hierna te noemen: [Geïntimeerde 2],

oorspronkelijk gedaagde, thans geïntimeerde,

procederende in persoon.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Voor hetgeen in eerste aanleg is gesteld en verzocht, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) wordt verwezen naar de tussen partijen gewezen en op 20 april 2017 uitgesproken beschikking, in hoger beroep bevestigd bij Hofbeschikking van 9 januari 2018, CUR2017H00075, het tussenvonnis van 11 maart 2019 en het eindvonnis van 13 mei 2019. De inhoud van deze uitspraken geldt als hier ingevoegd.

1.2. [

[Appellant] is bij akte van appel op 21 juni 2019 in hoger beroep gekomen van voornoemde vonnissen. In een op 2 augustus 2019 ingekomen memorie van grieven, tevens houdende akte eiswijziging, heeft hij vijf grieven voorgedragen en geconcludeerd dat het Hof de bestreden vonnissen zal vernietigen, zijn vorderingen zoals in de memorie van grieven uiteengezet zal toewijzen en [Geïntimeerde 2] en [Geïntimeerde 1] zal veroordelen in de proceskosten.

1.3.

Memories van antwoord zijn niet ingediend.

1.4.

Op 28 juli 2020 is mondeling gepleit. [Appellant] is niet in persoon verschenen, maar wel zijn gemachtigden mr. Van der Plank en mr. Van Hoof, occuperende voor mr. Steward. [Geïntimeerde 2] is in persoon verschenen vergezeld van haar zoon [Naam]. Allen hebben het woord gevoerd. Mr. Van der Plank heeft het woord gevoerd aan de hand van een overgelegde pleitnota.

1.5.

Vonnis is bepaald op vandaag.

2 Ontvankelijkheid

Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [Appellant] daarin kan worden ontvangen.

3 Beoordeling

3.1.

Het Gerecht is uitgegaan van de volgende feiten (eindvonnis, onder 2):

2.1.

Op 8 juni 2015 is te Curacao overleden [Naam] (hierna: erflater).

2.2.

Erflater was van [datum 1] 1966 tot en met [datum 2]21 1974 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met [Naam 2], met wie hij twee kinderen heeft gekregen, [Geïntimeerde 1] en [Appellant]. Dit huwelijk is op laatstgenoemde datum ontbonden door echtscheiding. Volgens [Appellant] heeft er geen verdeling plaatsgevonden van die gemeenschap, die door hem wordt aangeduid als: gemeenschap I.

2.3.

Erflater was daarna van [datum 3] 2001 tot aan zijn overlijden in 2015, in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met [Geïntimeerde 2]. Door dit huwelijk is een gemeenschap ontstaan die door [Appellant] wordt aangeduid als: gemeenschap II.

2.4.

Erflater heeft niet bij testament over zijn nalatenschap beschikt. [Geïntimeerde 2], [Geïntimeerde 1] en [Appellant] zijn, voor zover bekend, de erfgenamen van erflater.

2.5.

Tot de nalatenschap behoren een woonhuis gelegen aan de [Adres], een personenvoertuig van het merk Lexus, model ES 400, bouwjaar 1998 en een personenvoertuig van het merk Saturn, model VUE, bouwjaar 2010.

2.6. [

Geïntimeerde 2] woont tot op heden, en ook voor overlijden van erflater, in genoemde woning. Bij EJ-beschikking van 20 april 2017 met zaak nummer EJ 78031/2016 heeft het Gerecht het verzoek van [Geïntimeerde 2] van 7 maart 2016 om [Appellant] en [Geïntimeerde 1] te gelasten om mee te werken aan de vestiging van vruchtgebruik op de woning en de auto van het merk Saturn VUE, bouwjaar 2008, toegewezen. Het Hof heeft die beslissing bij beschikking van 9 januari 2018 met zaaknummer 78031-H103/17-CUR2017H00075 bevestigd.

Tegen deze feitenvaststelling zijn geen grieven gericht, zodat het Hof hier ook vanuit gaat.

3.2.

In hoger beroep is in het bijzonder aan de orde de gemeenschap I (de op [datum] 1974 ontbonden niet verdeelde huwelijksgemeenschap tussen [Naam 2] en de erflater). [Appellant] heeft door cessie de vordering van zijn moeder [Naam 2] Magdalena verkregen. De gemeenschap II is slechts aan de orde voor zover [Appellant] een verklaring voor recht vordert dat hij voor een derde gerechtigd is en nakoming vordert door [Geïntimeerde 2] van haar wettelijke verplichtingen als vruchtgebruiker.

3.3.

Betreffende deze gemeenschap I heeft het Gerecht overwogen (eindvonnis, rov. 4.2):

Bij de comparitie van partijen op 28 maart 2019 heeft de gemachtigde van [Appellant] de vordering zoals die luidt in het inleidend verzoekschrift verminderd en de vorderingen laten vallen die betrekking hebben op verdeling van Gemeenschap I (zie 3.1 onder A. i en ii), zodat die onderdelen van de vordering verder geen bespreking behoeven. […].

3.4.

De verwijzing naar ‘3.1 onder A. i en ii’ betreft [Appellant]s vordering in eerste aanleg, inhoudende dat het Gerecht:

A. Een of meer deskundigen zal benoemen ter vaststelling van de waarden van:

i. de op het Leven van wijlen [erflater] gestelde Alico levensverzekeringspolis van wijlen [erflater] ten tijde van de ontbinding van gemeenschap I;

ii. het door wijlen [erflater] in dienst van de Antilliaanse Luchtvaart Maatschappij opgebouwde spaarsaldo in het voorzieningenfonds van de Antilliaanse Luchtvaart Maatschappij;

3.5.

Grief 2 van de memorie van grieven houdt in, met verwijzing naar de griffiersaantekeningen van het verhandelde ter zitting van 28 maart 2019, dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat [Appellant] zijn vordering betreffende het ALM spaarsaldo heeft laten vallen.

3.6.

De aantekeningen waarop de grief doelt vormen geen proces-verbaal. In de aantekeningen staat (p. 3):

Mr Da Costa Gomez:

Levensverzekeringspolis: ik handhaaf dat niet meer.

3.7.

Het Gerecht (zie hiervóór rov. 3.3-3.4) overweegt dat niet alleen de eis betreffende de levensverzekeringspolis (Alico), maar ook die betreffende het spaarsaldo (ALM) niet langer gehandhaafd zijn. Naar vaste rechtspraak is de rechter bij de vaststelling in zijn uitspraak van het ter zitting verhandelde niet aan de inhoud van een proces-verbaal gebonden en a fortiori geldt dit voor griffiersaantekeningen die niet in een proces-verbaal zijn neergelegd. Grief 2 faalt derhalve.

3.8.

Desaveu (art. 191-203 Rv: ontkentenis van gerechtelijke verrichtingen) heeft niet plaatsgevonden.

3.9.

Wel kon [Appellant] in hoger beroep door een akte vermeerdering van eis de in eerste aanleg niet langer gehandhaafde vorderingen weer terughalen (HR 17 februari 1978, NJ 1978/297). De memorie van grieven is echter, mede gelet op grief 2, daarin onvoldoende duidelijk, zodat [Geïntimeerde 2] niet wist waartegen zij zich moest verweren in hoger beroep. De memorie van grieven bevat wel een eiswijziging met de vorderingen die [Appellant] in eerste aanleg heeft laten vallen, maar deze lijkt uit te gaan van de gegrondheid van grief 2, hetgeen niet het geval is (zie hiervoor rov. 3.7).

3.10.

Maar zelfs als moet worden aangenomen dat via eisvermeerdering/eiswijziging de vorderingen zijn teruggehaald, moeten de vorderingen worden afgewezen. Over de levensverzekering en het spaarsaldo is gedurende deze procedure niets bekend geworden, zelfs niet of daarvan al iets was opgebouwd op de peildatum van gemeenschap I, te weten [datum] 1974, dus bijna 46 jaren geleden. Het Gerecht heeft [Appellant] aangespoord met nadere gegevens te komen, maar tevergeefs:

- proces-verbaal 22 maart 2017, derde blad: ‘Voor zowel het spaarsaldo ALM als de levensverzekering Alico lijkt het op de weg van verzoeker [[Appellant]; Hof] te liggen om deze onderwerpen nader uit te zoeken.’

- tussenvonnis van 11 maart 2019, rov. 2.3 (weergave proces-verbaal) en rov. 2.4: ‘Ook hadden bovengenoemde vraagpunten moeten worden meegenomen. Dat is niet gebeurd.’;

- eindvonnis, rov. 4.1: ‘… Ook moest [Appellant] ingaan op een aantal vragen (tevens vastgelegd in het proces-verbaal) die door de rechter ter beantwoording waren voorgelegd, ter verduidelijking van zijn vorderingen van 24 augustus 2016. [Appellant] Willems heeft echter hieraan niet en/ of niet afdoende voldaan. Het Gerecht heeft dit bij tussenvonnis van 11 maart 2019 geconstateerd en vervolgens beslist om een comparitie van partijen te bevelen. Partijen zijn wederom verzocht inlichtingen te verschaffen over onder andere de actuele stand van zaken met betrekking tot (de vestiging van) het vruchtgebruik ten behoeve van [Geïntimeerde 2] en verduidelijking van het in het inleidend verzoekschrift gevorderde door [Appellant].’

3.11.

In hoger beroep heeft [Appellant] nog steeds niet zijn vorderingen onderbouwd. Zijn grief 1 houdt in dat niet hij, maar [Geïntimeerde 2] de (stelplicht en) bewijslast ter zake heeft. Dit is onjuist. Het is [Appellant] die zich op de rechtsgevolgen beroept van de door hem gestelde feiten en rechten, zodat hij de stelplicht en bewijslast heeft (artikel 129 Rv). Daar komt bij dat hij voor de helft (deel van zijn moeder) en voor 1/3e van de andere helft (de nalatenschap) gerechtigd is in gemeenschap I, terwijl [Geïntimeerde 2] slechts gerechtigd is op 1/3e deel van die andere helft (de nalatenschap). Met een verklaring van erfrecht had [Appellant] wel het een en ander boven water kunnen krijgen. Bij weigering van de adressant kan eventueel artikel 142 Rv worden toegepast. Grief 1 faalt daarom.

3.12.

De vorderingen van [Appellant] waarom het thans gaat moeten gelet op het voorgaande als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.

3.13.

Aan het mondelinge aanbod ter zitting om de voormalige gemachtigde (met wie nog niet gesproken was), die de vorderingen zou hebben ingetrokken, als getuige te doen horen wordt – al aangenomen dat dit aanbod terzake dienend is en voldoet aan de daaraan in hoger beroep te stellen eisen – wordt niet toegekomen.

3.14.

Grief 4 slaagt wel. Een verklaring voor recht, zoals gevorderd, kan worden gegeven, inhoudende dat [Appellant] voor een derde gerechtigd is in de nalatenschap van zijn vader, de erflater.

3.15.

Ook grief 5 slaagt. [Appellant] is bloedverwant in de tweede graad van zijn broer [Geïntimeerde 1] en aanverwant in de eerste graad van zijn stiefmoeder [Geïntimeerde 2]. Er is onvoldoende reden de proceskosten niet te compenseren (artikel 60 Rv).

3.16.

Bij grief 3, aanvoerende dat het spaarsaldo van ALM niet afhankelijk is van het leven van erflater maar dat het spaarsaldo is uitgekeerd gedurende zijn leven, heeft [Appellant] geen belang.

3.17.

Bij de eiswijziging in de memorie van grieven, onder 7, onder 7.1 sub D, vordert [Appellant] [Geïntimeerde 2] te gelasten ‘haar wettelijke verplichtingen jegens [Appellant] na te komen’. Deze vordering is evenmin onderbouwd. Niet duidelijk is het nut van deze vordering. Dat [Geïntimeerde 2] haar wettelijke verplichtingen niet nakomt of dreigt niet na te komen is niet gesteld. Door [Appellant] is bovendien geen rekening gehouden met artikel 4:31 lid 1 BW in verbinding met artikel 4:23, leden 1, 2, 4 en 5 BW. Deze vordering wordt daarom afgewezen.

3.18.

De uitkomst is dat het bestreden vonnis moet worden bevestigd behalve wat betreft de kostenveroordeling. De verklaring van recht moet worden gegeven en de kosten moeten worden gecompenseerd zowel die in eerste aanleg als in hoger beroep.

Beslissing

Het Hof:

- bevestigt het bestreden eindvonnis, behalve wat betreft de proceskostenveroordeling en in zoverre opnieuw rechtdoende:

- compenseert de proceskosten van deze procedure in eerste aanleg aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

- verklaart voor recht dat ieder van partijen voor een derde gerechtigd is tot de nalatenschap van de erflater;

- compenseert de proceskosten van deze procedure in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

- wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, M.W. Scholte en Th. Lautenbach, leden van het Hof en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 september 2020 in Curaçao, in tegenwoordigheid van de griffier. Het vonnis is wegens afwezigheid van de voorzitter getekend door de oudste rechter.