Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2020:201

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
02-09-2020
Zaaknummer
CUR2020H000266
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Gelet op de aanstaande behandeling van de hoofdzaak en op de betrokken belangen, wordt de bij wijze van ordemaatregel met uitspraak in zaak nr. CUR2020H00218 uitgesproken schorsing verlengd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

CUR2020H00266

Datum uitspraak: 2 september 2020

gemeenschappelijk hof van jusTitie

van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak van de voorzitter van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening hangende het hoger beroep van:

  1. De besloten vennootschap Joyfields International B.V.,

  2. De besloten vennootschap Continual B.V., en

  3. De naamloze vennootschap RHM Management and Investment Company N.V, allen gevestigd in Curaçao,

verzoeksters,

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao van 12 november 2018, in zaak nr. CUR201702232 t/m -2236 en
-2272 in het geding tussen onder meer:

verzoeksters

en

de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten (hierna: CBCS).

Procesverloop


Bij onderscheiden beschikkingen van 2 mei 2017 heeft CBCS verzoeksters meegedeeld dat vanaf 5 mei 2017 in de Provisions on the Disclosure of Pricing Information on Consumer Credit (de APR Provisions) voor consumentenkrediet een maximum Annual Percentage Rate (APR) zal worden opgenomen en dat vanaf die datum, met een overgangsperiode van twee maanden, een maximum APR van 27% geldt.

Bij onderscheiden beschikkingen van 28 september 2017 heeft CBCS de daartegen door verzoeksters gemaakte bezwaren kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 12 november 2018 heeft het Gerecht de daartegen door verzoeksters ingestelde beroepen gegrond verklaard, de bestreden beschikkingen vernietigd en bepaald dat CBCS nieuwe inhoudelijke beslissingen op de bezwaarschriften van verzoeksters moet nemen.

Tegen deze uitspraak hebben verzoeksters hoger beroep ingesteld.

Bij onderscheiden beschikkingen van 17 juni 2020 heeft CBCS de door verzoeksters tegen de beschikkingen van 2 mei 2017 ingediende bezwaren ongegrond verklaard.

Verzoeksters hebben de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 27 juli 2020, zaak nr. CUR2020H00218, heeft de voorzitter aanleiding gezien voor het treffen van een ordemaatregel hangende het verzoek om voorlopige voorziening.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 19 augustus 2020, waar Joyfields International B.V. en Continual B.V., vertegenwoordigd door mr. G.P. Roth, RHM Management and Investment Company N.V, vertegenwoordigd door R. Martina, en CBCS, vertegenwoordigd door mr. H.M. Weijand en mr. F.E. de Bruijn, zijn verschenen.

Overwegingen

Ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar), voor zover thans van belang, kan een beschikking, waartegen een beroepschrift bij het Gerecht is ingediend, op verzoek van de indiener van het beroepschrift geheel of gedeeltelijk worden geschorst op grond dat de uitvoering van de beschikking voor hem een onevenredig nadeel met zich zal brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van de beschikking te dienen doel. Ook kan op zijn verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen ter voorkoming van onevenredig nadeel, als in de eerste volzin bedoeld.
Ingevolge artikel 90, voor zover thans van belang, kunnen de schorsing, voorlopige voorziening en beslissing tot oplegging van een dwangsom worden opgeheven of gewijzigd door het Gerecht, nadat het partijen of hun gemachtigden heeft gehoord, althans na behoorlijke schriftelijke oproeping daartoe.
Ingevolge artikel 94, tweede lid, kan een verzoek, als bedoeld in artikel 85, eerste lid, ook worden ingediend in het kader van het in artikel 75 bedoelde hoger beroep. Alsdan worden de bevoegdheden van het Gerecht, bedoeld in deze paragraaf, uitgeoefend door de voorzitter van het Hof.

Verzoeksters hebben verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening de werking van de beschikkingen op te schorten totdat uitspraak in de hoofdzaak is gedaan, omdat het met de beschikkingen vastgestelde APR van 27% volgens verzoeksters zwaarwegende en zeer nadelige financiële consequenties voor hen zal hebben. Bij uitspraak van 17 juli 2020 is bij wijze van ordemaatregel bepaald dat de ten aanzien van verzoeksters genomen beschikkingen van 2 mei 2017 en 17 juni 2020 worden geschorst en verzoeksters niet gebonden zijn aan een maximum APR van 27% bij het verlenen van nieuwe consumentenkredieten, tot twee weken na de dag waarop het verzoek om voorlopige voorziening ter zitting is behandeld.

Om te kunnen beoordelen of aanleiding bestaat om de getroffen voorziening op te heffen, te wijzigen of te verlengen is het verzoek van verzoeksters op 19 augustus 2020 inhoudelijk ter zitting behandeld. Ter zitting is afgesproken dat verzoeksters tot en met 31 augustus 2020 in de gelegenheid zijn om hun gronden tegen de beschikkingen van 17 juni 2020 naar voren te brengen, waarna CBCS in de gelegenheid is om binnen drie weken een verweerschrift in te dienen. Het Hof zal de hoofdzaak op 7 oktober 2020 ter zitting behandelen. Gelet op de aanstaande behandeling van de hoofdzaak en op de betrokken belangen, ziet de voorzitter aanleiding om de bij wijze van ordemaatregel uitgesproken schorsing te verlengen.
De voorzitter zal daarom de hierna te vermelden voorlopige voorziening treffen. Met het treffen van deze voorlopige voorziening wordt niet vooruitgelopen op de op de hoger beroepen te nemen beslissing.

CBCS wordt in de proceskosten ten bedrage van NAf 1.400,- (NAf 700,- voor het indienen van het verzoekschrift en NAf 700,- voor het verschijnen ter zitting) veroordeeld.

Beslissing

De voorzitter van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:

verlengt de bij uitspraak van de voorzitter van 27 juli 2020 in zaak nr. CUR2020H00218 getroffen voorlopige voorziening tot zes weken na
7 oktober 2020;

veroordeelt CBCS tot vergoeding van de bij Joyfields International B.V. en Continual B.V. opgekomen proceskosten tot een bedrag van
NAf 1.400,00 (zegge: veertienhonderd gulden), geheel toe te kennen voor door een derde verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. C.F. Donner-Haan, griffier.

w.g. Van Ettekoven
voorzitter

w.g. Donner-Haan

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 september 2020