Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2020:177

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
26-06-2020
Datum publicatie
14-07-2020
Zaaknummer
SXM201600491
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Procesueel ondeelbare rechtsverhouding exceptio plurium litis consortium

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF Actueel 2020/256
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2020 Vonnis no.:

Registratienummers: SXM201600491 - SXM2018H00009

Uitspraak: 26 juni 2020

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Vonnis in de zaak van:

[Appellante],

wonende in de Verenigde Staten van Amerika,

oorspronkelijk eiseres,

thans appellante,

gemachtigden: mrs. C.R. Rutte en H.A. Seferina,

tegen

[Geïntimeerde],

wonende in Sint Maarten,

oorspronkelijk gedaagde,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: mr. R.A. Groeneveldt.

De partijen worden hierna [Appellante] en [Geïntimeerde] genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Bij akte van appel van 15 februari 2018 is [Appellante] tijdig in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 9 januari 2018 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (verder: het Gerecht).

1.2.

Bij op 27 maart 2018 ingekomen memorie van grieven, met producties, heeft [Appellante] grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, eventueel met aanvulling van de rechtsgronden, de eis zal toewijzen, in die zin dat de vorderingen onder I en III alsnog worden toegewezen waarbij “volledige eigendom” mag worden gelezen als “volle eigendom”, aldus dat de onroerende zaken geen deel uitmaken van de onverdeelde nalatenschap van erflater.

1.3.

Bij memorie van antwoord, ter griffie ingediend op 12 oktober 2018, heeft [Geïntimeerde] de grieven bestreden en geconcludeerd tot verwerping van die grieven en bekrachtiging van het door appellante bestreden vonnis, met veroordeling van [Appellante] in de kosten van het hoger beroep.

1.4.

Nadat [Appellante] op 8 maart 2019 twee beter leesbare exemplaren van eerder in het geding gebrachte producties heeft overgelegd, hebben partijen op de daarvoor bepaalde dag pleitnotities overgelegd.

1.5.

Vonnis is gevraagd en nader bepaald op heden.

2 De feiten

2.1. [

Appellante] is de weduwe van wijlen de heer [Naam 1] (hierna: erflater), geboren in Aruba op [Datum 1] 1933. Op [Datum 2] 1960 trad [Appellante] met erflater in het huwelijk in Aruba.

2.2. [

Geïntimeerde] is een zoon van erflater maar niet van [Appellante] ([Appellante] is zijn stiefmoeder).

2.3.

In 1964 zijn erflater en [Appellante] verhuisd naar de stad New York in de Verenigde Staten. Erflater is genaturaliseerd tot Amerikaans staatsburger.

2.4.

Tijdens hun huwelijk hebben erflater en [Appellante] gezamenlijk – zij woonden toen in New York – twee percelen land gekocht in Sint Maarten (hierna: de percelen). De percelen zijn krachtens een notariële akte van 25 augustus 1978, ingeschreven in de openbare registers op 27 februari 1979, aan [Appellante] en haar echtgenoot gezamenlijk in eigendom overgedragen.

2.5.

Erflater is op [Datum 3] 2005 in New Jersey in de Verenigde Staten overleden.

2.6.

Omstreeks 2006 is er een appartementencomplex met vijf appartementen ter verhuur op de percelen gebouwd.

2.7.

Op 25 oktober 2016 is in Sint Maarten een notariële akte gepasseerd, waarbij de percelen op naam van [Appellante] zijn gezet. In de akte is de verklaring van de Amerikaanse advocaat J.M. Krenzel opgenomen, dat naar het recht van New Jersey [Appellante] als langstlevende echtgenoot enig eigenaar is geworden van de percelen. Deze akte is op 27 oktober 2016 ingeschreven in de openbare registers.

3 De beoordeling

3.1. [

Appellante] heeft bij inleidend verzoekschrift van 22 november 2016 gesteld dat krachtens het toenmalige ongeschreven Nederlands-Antilliaanse internationaal privaatrecht de nalatenschap van erflater onderworpen is aan het recht van de gewone verblijfplaats van de overledene op het ogenblik van zijn overlijden. [Appellante] heeft voorts gesteld dat erflater, die na zijn emigratie de Amerikaanse nationaliteit heeft verkregen, zijn laatste gewone verblijfplaats in New Jersey had. Aldus is volgens [Appellante] het erfrecht van New Jersey van toepassing. Naar het recht van die staat, te weten artikel 46:3-17.2 van de New Jersey Statute (N.J.S.), zijn de staande het huwelijk verkregen onroerende goederen aan te merken als een “tenancy by the entirety”. Onder verwijzing naar artikel 46:3-17.5 N.J.S. heeft [Appellante] gesteld dat bij een dergelijke vorm van eigendom bij overlijden van een echtgenoot de langstlevende echtgenoot enig eigenaar van het onroerend goed wordt. [Appellante] heeft zich dan ook op het standpunt gesteld dat zij vol en exclusief eigenaar van de percelen en het daarop gebouwde is geworden en dat de percelen niet ter verdeling in de nalatenschap vallen van erflater. Het is om die reden dat zij (na vermindering en wijziging van eis) vordert te verklaren voor recht dat haar de volle eigendom toekomt van de percelen en de daarop gebouwde appartementen.

3.2.

Bij het bestreden vonnis is de vordering afgewezen. Het Gerecht heeft op grond van de uitspraak “Estate of Brown” van de Appellate Division van de Superior Court of New Jersey geoordeeld dat het recht van New Jersey bij overlijden van de echtgenoot niet zonder meer van rechtswege de volle eigendom aan [Appellante] als weduwe toekent met uitsluiting van andere nabestaanden. Daarbij heeft het Gerecht overwogen dat uit genoemde uitspraak volgt dat moet blijken dat zulks de intentie van de echtelieden was. Vervolgens heeft het Gerecht overwogen dat [Appellante] niets heeft gesteld over een zodanige intentie tussen haar en erflater, noch waar deze uit zou moeten blijken. Bovendien heeft het Gerecht overwogen dat [Appellante] met erflater in de staat New York woonde ten tijde van de overdracht en er ten tijde van de verkrijging van de percelen geen enkele aanknoping met de staat New Jersey bestond, zodat niet aannemelijk is dat zij een “tenancy” naar het recht van New Jersey hebben willen aangaan dan wel dat deze van rechtswege is gevestigd.

3.3.

Tegen dit oordeel en de overwegingen waarop het berust komt [Appellante] in hoger beroep met vier grieven.

3.4.

Het Hof overweegt dat de vordering van [Appellante] de omvang van de nalatenschap van erflater betreft. De vordering is door [Appellante] ingesteld tegen [Geïntimeerde] , de zoon van erflater uit een eerdere relatie. In de memorie van grieven, onder 12, is gesteld dat [Appellante] en erflater samen nog twee kinderen hadden, te weten [Naam 2]en [Naam 3]; een derde kind is overleden op 7-jarige leeftijd. Naast [Appellante] en [Geïntimeerde] is dus sprake van nog twee erfgenamen.

3.5.

De door [Appellante] aanhangig gemaakte vordering betreft rechtsverhoudingen waarbij het rechtens noodzakelijk is dat een beslissing daarover in dezelfde zin luidt ten aanzien van alle bij die rechtsverhoudingen betrokkenen, in dit geval [Appellante], [Geïntimeerde] , [Naam 2] en [Naam 3](een zogeheten processueel ondeelbare rechtsverhouding). Dat betekent dat de rechter de beslissing met betrekking tot de omvang van de nalatenschap slechts kan geven in een geding waarbij allen die bij die rechtsverhouding zijn betrokken, partij zijn, zodat de rechterlijke beslissing hen allen bindt. Dat geldt zowel in eerste aanleg als na aanwending van een rechtsmiddel. Wanneer een partij een dergelijke beslissing wil uitlokken, dienen dan ook alle bij de rechtsverhouding betrokken partijen in het geding te worden opgeroepen, zowel in eerste aanleg, als in volgende instanties (vgl. HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411, NJ 2018/81, rov. 3.4).

3.6.

Iedere partij in een procedure over een processueel ondeelbare rechtsverhouding heeft het recht om verweer te voeren, dus ook in hoger beroep.

3.7.

Laat degene die een beslissing wil uitlokken over een processueel ondeelbare rechtsverhouding na om alle bij de rechtsverhouding betrokken partijen in het geding te roepen, dan dient de rechter ook ambtshalve de gelegenheid te geven om de niet opgeroepen personen alsnog als partij in het geding te betrekken door oproeping op de voet van artikel 12a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Dat het Gerecht de “exceptio plurium litis consortium” heeft verworpen zonder dat daartegen is opgekomen in hoger beroep, is geen beletsel.

3.8.

Het voorgaande leidt ertoe dat het Hof ambtshalve beslist dat [Naam 2]en [Naam 3]in de onderhavige procedure door [Appellante] moeten worden opgeroepen, zodat zij in de gelegenheid zijn zich in de procedure te mengen. [Appellante] dient bij akte bewijsstukken van de oproeping te overleggen.

3.9. [

Naam 2]en [Naam 3] krijgen de gelegenheid zich bij akte uit te laten over de vordering van hun moeder.

3.10.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 Beslissing

Het Hof:

4.1.

bepaalt dat [Appellante] alsnog [Naam 2] en [Naam 3]in het hoger beroep dient te betrekken door oproeping op de voet van artikel 12a Rv;

4.2.

verwijst de zaak naar de rolzitting van het Hof in Sint Maarten van 4 september 2020 voor akten uitlating zijdens [Appellante], [Naam 2]en [Naam 3];

4.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. M.W. Scholte, F.W.J. Meijer en J. de Boer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Aruba uitgesproken op 26 juni 2020, in tegenwoordigheid van de griffier.