Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2020:172

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
02-06-2020
Datum publicatie
10-07-2020
Zaaknummer
CUR2019H00146 -192 -193
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft in 2005 de economische eigendom van de onroerende zaak in de wijk Punda te Willemstad verkregen voor een koopsom van NAf 2.500.000. In geschil is welk deel van de koopsom van de onroerende zaak dient te worden toegerekend aan de grond. Het Gerecht heeft de waarde van de grond op goede justitie vastgesteld op NAf 900.000. Belanghebbende stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat aan de grond een bedrag dient te worden toegerekend van NAf 348.400. Volgens de Inspecteur bedraagt de waarde van de grond NAf 1.380.000 en ten minste NAf 900.000. Het Hof oordeelt dat belanghebbende in hoger beroep de haar voorgestane waarde niet aannemelijk heeft gemaakt. Het Hof oordeelt dat ook de Inspecteur de waarde van NAf 900.000 niet aannemelijk heeft gemaakt en stelt de waarde in goede justitie vast op NAf 600.000.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2020/1689 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

CUR2019H00146, CUR2019H00192 en CUR2019H00193

Datum uitspraak: 2 juni 2020

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

VAN ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN

EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Uitspraak op het hoger beroep van:

[X] N.V.,

gevestigd te Curaçao,

appellant (belanghebbende),

tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (het Gerecht) van 22 februari 2019 in de zaak BBZ nrs. CUR201500240 tot en met CUR 201500242 in het geding tussen:

belanghebbende,

en

de inspecteur der belastingen in Curaçao,

verweerder (de Inspecteur).

1 Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is op 5 april 2011 een naheffingsaanslag in de winstbelasting over het jaar 2006 opgelegd van NAf 15.583. Daarbij is een vergrijpboete opgelegd van NAf 3.895 (25%).

1.2.

Aan belanghebbende is op 20 april 2011 een naheffingsaanslag in de winstbelasting over het jaar 2007 opgelegd van NAf 55.376. Daarbij is een vergrijpboete opgelegd van NAf 13.844 (25%).

1.3.

Aan belanghebbende is op 20 april 2011 een naheffingsaanslag in de winstbelasting over het jaar 2008 opgelegd van NAf 55.731. Daarbij is een vergrijpboete opgelegd van NAf 13.932 (25%).

1.4.

Belanghebbende heeft bij brief van 3 juni 2011 bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag winstbelasting 2006 en de vergrijpboete 2006.

1.5.

Belanghebbende heeft op 9 juni 2011 bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslagen winstbelasting 2007 en 2008 en de vergrijpboetes 2007 en 2008.

1.6.

De Inspecteur heeft bij uitspraken van 28 juli 2015 de bezwaren tegen de naheffingsaanslag winstbelasting 2006 en de vergrijpboete 2006 niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

1.7.

De Inspecteur heeft bij uitspraken van 28 juli 2015 de naheffingsaanslagen winstbelasting 2007 en 2008 en de vergrijpboetes 2007 en 2008 gehandhaafd.

1.8.

Belanghebbende heeft op 17 september 2015 beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar, zoals vermeld in 1.6 en 1.7.

1.9.

Het Gerecht heeft - naar het Hof begrijpt - het bezwaar 2006 ontvankelijk verklaard en voorts de beroepen (overigens) gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de naheffingsaanslagen winstbelasting 2006, 2007 en 2008 (hierna: de naheffingsaanslagen) verminderd, waarbij voor de afschrijving en de investeringsaftrek rekening moet worden gehouden met de waarde van de ondergrond van NAf 900.000 en de vergrijpboetes 2006, 2007 en 2008 vernietigd.

De op 22 februari 2019 door het Gerecht gedane uitspraak is belanghebbende op 26 februari 2019 toegezonden.

1.10.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende op 25 april 2019 hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van NAf 500.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.11.

De zitting heeft plaatsgehad op 4 december 2019 te Willemstad.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens belanghebbende haar gemachtigde [A] en namens de Inspecteur [B].

1.12.

Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.13.

Aan het einde van de zitting heeft het Hof het onderzoek gesloten.

2 Feiten

Het Gerecht heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt:

2.1.

Belanghebbende heeft in 2005 de economische eigendom van de onroerende zaak [adres] [01], [02] en [03] in de wijk Punda te Willemstad (de onroerende zaak) verkregen voor een koopsom van NAf 2.500.000.

2.2.

De onroerende zaak betreft een rond 2004 geheel gerestaureerd monumentaal pand gelegen in een winkelstraat op een perceel van 268 m2.

2.3.

Belanghebbende verhuurt de onroerende zaak voor NAf 14.000 per maand.

2.4.

Belanghebbende is in zijn aangiften winstbelasting ervan uitgegaan dat van de koopsom van NAf 2.500.000 een bedrag van NAf 348.400 aan de ondergrond kan worden toegerekend. Ter zake daarvan is geen (vervroegde) afschrijving en investeringsaftrek mogelijk.

2.5.

De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de naheffingsaanslagen aan de ondergrond een waarde toegekend van NAf 1.608.000. Verder heeft de Inspecteur vergrijpboetes opgelegd vanwege het grofschuldig niet (tijdig) betalen van de verschuldigde belasting.

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

In geschil is welk deel van de koopsom van de onroerende zaak [adres] [01], [02] en [03] dient te worden toegerekend aan de grond.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat aan de grond een bedrag dient te worden toegerekend van NAf 348.400. Volgens de Inspecteur bedraagt de waarde van de grond NAf 1.380.000 (primaire standpunt) dan wel NAf 900.000 (subsidiaire standpunt).

3.2.

Ter zitting van het Gerecht heeft het Gerecht het standpunt van belanghebbende dat het nog te verrekenen verlies over het jaar 2005 verrekend dient te worden met het jaar 2006 tardief verklaard. Ter zitting van het Hof hebben beide partijen eenparig verklaard dat het verlies over het jaar 2005 met het jaar 2006 (en eventueel latere jaren) kan worden verrekend. Het Hof zal partijen in dit juiste standpunt volgen.

3.3.

Tussen partijen was de hoogte van de investeringsaftrek in geschil, in het bijzonder de hoogte van het percentage dat in aanmerking mag worden genomen. Belanghebbende verdedigde een percentage van 12, het percentage dat geldt indien in een nieuw gebouw, waaronder te begrijpen de verbetering van bestaande gebouwen, wordt geïnvesteerd. De Inspecteur verdedigt het algemene percentage van 8.

Ter zitting van het Hof is vastgesteld dat belanghebbende heeft geïnvesteerd in een bestaand gebouw, waarna belanghebbende haar beroep op het hoge percentage van 12 heeft laten varen en akkoord is gegaan met het percentage van 8.

3.4.

Evenmin is bij het Hof nog in geschil de ontvankelijkheid van het bezwaar voor het jaar 2006 en de opgelegde vergrijpboetes voor de jaren 2006 tot en met 2008, welke door het Gerecht zijn vernietigd. De Inspecteur heeft ter zake geen hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van het Gerecht en het Hof acht de uitspraak van het Gerecht inzake de ontvankelijkheid van het bezwaar voor het jaar 2006 juist.

3.5.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, alsmede op hetgeen zij ter zitting hebben aangevoerd.

3.6.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van het Gerecht, behoudens de beslissing ten aanzien van de ontvankelijkheid van het bezwaar voor het jaar 2006 en de boetes voor de jaren 2006 tot en met 2008, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vermindering van de naheffingsaanslagen waarbij voor de afschrijving en de investeringsaftrek rekening wordt gehouden met een waarde van de grond van NAf 348.400.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van het Gerecht, behoudens de beslissing dat de verliezen voor het jaar 2005 niet kunnen worden verrekend met het jaar 2006.

4 Het oordeel van het Gerecht

Het Gerecht heeft, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

Waardering grond

4.3.

Op grond van het bepaalde in artikel 5 en 5A van de Landsverordening op de winstbelasting 1940 (LWB) kan op ondergrond van gebouwen niet worden afgeschreven en kan ter zake van de investering in ondergrond geen investeringsaftrek worden genoten.

4.4.

Tussen partijen is in geschil welke deel van de investering van NAf 2.500.000 aan de ondergrond kan worden toegerekend.

4.5.

Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat belanghebbende, die aanspraak maakt op aftrekposten - afschrijving op bedrijfsmiddel en investeringsaftrek - daarvan de bewijslast draagt. Belanghebbende dient derhalve feiten aannemelijk te maken die meebrengen dat de door haar bepleite waarde van de ondergrond van NAf 348.400 niet te laag is.

4.6.

Ter onderbouwing van de door haar bepleite waarde wijst belanghebbende op het ‘beknopte taxatierapport van de grondwaarde’ van taxateur [C] van 28 oktober 2010. In dit taxatierapport is de grondwaarde per 2004 getaxeerd op NAf 348.400, ofwel NAf 1.300 per m2 Deze waardebepaling is onder meer gebaseerd op i) de beperkte ontwikkelingsmogelijkheden van het pand gelet op het monumentale karakter, ii) de zeer hoge restauratie- en onderhoudskosten van het pand, iii) de beperkte efficiëntie van het pand gelet op de zeer smalle façade en de diepte ervan, en iv) de leegstand van de winkelpanden in de nabije omgeving. Verder is in het rapport gewezen op een verkooptransactie van 12 december 2007 waarbij een onbebouwd perceel in de wijk Punda (voormalig [GB]) ter grootte van 1.440 m2 is verkocht voor een koopsom van NAf 1.600.000 (NAf 1.111 per m2).

4.7.

Het Gerecht is van oordeel dat belanghebbende met de verwijzing naar het taxatierapport van [C] niet erin is geslaagd aannemelijk te maken dat de waarde van de ondergrond van NAf 348.400 niet te laag is. Redengevend daarvoor is dat de in het rapport vermelde factoren waarop de taxatie is gebaseerd (zie 4.6 hiervoor, sub i t/m iv), geen liggingsfactoren betreffen die invloed hebben op de waardebepaling van de ondergrond, maar veeleer een drukkend effect hebben op de waarde van het pand. Verder acht het Gerecht het in het taxatierapport genoemde vergelijkingsobject (1.440 m2) wat betreft perceelsomvang onvoldoende vergelijkbaar met de onroerende zaak (268 m2). Bovendien is in het rapport niet inzichtelijk gemaakt op welke wijze de verkoopprijs van dit vergelijkingsobject met een perceeloppervlakte van 1.440 m2 is te herleiden tot de getaxeerde waarde van de ondergrond van de onroerende zaak met een oppervlakte van 268 m2.

4.8.

Verder heeft belanghebbende nog gewezen op een ‘beknopt taxatierapport’ van taxateur [D] NV van 2 februari 2011. Daarin is de waarde per 1 februari 2011 getaxeerd op NAf 1.425 per m2. Deze getaxeerde waarde is echter op geen enkele wijze onderbouwd, bijvoorbeeld met verkoopcijfers van vergelijkbare objecten. Bovendien is de waarde van de ondergrond getaxeerd per 1 februari 2011, terwijl de vraag aan de orde is welke deel van de in 2005 betaalde koopsom aan de ondergrond kan worden toegerekend. Ook aan deze taxatie kent het Gerecht derhalve een geringe bewijskracht toe.

4.9.

Dit betekent overigens niet dat de door de Inspecteur bepleite waarde zonder meer als juist kan worden aanvaard. Naar het oordeel van het Gerecht heeft ook Inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat de door hem verdedigde waarde van NAf 1.380.000 juist is. Ter onderbouwing van deze waarde heeft de Inspecteur gewezen op een waardebepaling van [E], taxateur bij de belastinginspectie, van 7 november 2016 waarin de waarde van de ondergrond is getaxeerd op NAf 1.380.000. Daarbij is eerst de waarde van de onroerende zaak bepaald aan de hand van de huurprijs van NAf 14.000 per maand en een kapitalisatiefactor van 12,5, waarna deze waarde is verminderd met de waarde van de opstal die is berekend aan de hand van een prijs van NAf 1.500 per m2. De taxateur heeft echter op generlei wijze de kapitalisatiefactor van 12,5 en de prijs van NAf 1.500 per m2 met marktgegevens onderbouwd, zodat het Gerecht niet aannemelijk acht dat de door de Inspecteur verdedigde waarde juist is.

Bovendien is niet duidelijk naar welke datum de waarde is getaxeerd.

4.10.

Nu geen van beide partijen erin is geslaagd de door hem voorgestane waarde van de ondergrond aannemelijk te maken, stelt het Gerecht, gelet op hetgeen door partijen over en weer is aangevoerd, de waarde van de ondergrond in goede justitie vast op NAf 900.000. Bij gebreke van concrete gegevens zal het Gerecht, zoals ter zitting met partijen is afgesproken, aan de Inspecteur opdragen de naheffingsaanslagen te verminderen met inachtneming van een waarde van de ondergrond van NAf 900.000.

5 Gronden

5.1.

In hoger beroep is de waarde van de grond van de onroerende zaak [adres] [01], [02] en [03] (de grond) in geschil. Belanghebbende verdedigt een waarde van de grond van NAf 348.400 en de Inspecteur verdedigt blijkens het in hoger beroep ingediende verweerschrift primair een waarde van de grond van NAf 1.380.000 en sluit zich subsidiair zich aan bij de waarde van NAf 900.000 die door het Gerecht in goede justitie is bepaald.

5.2.

Primair beroept belanghebbende zich op de taxatierapporten, zoals opgesteld door taxateur [D]1 van [D] NV van 2 februari 2011 (rapport [D]) en door taxateur [C] van 28 oktober 2010 (rapport [C]). Subsidiair verzoekt belanghebbende het Hof om, uitgaande van de door belanghebbende betaalde koopprijs, te komen tot een evenredig juiste toedeling over de grond en het pand.

5.3.

Wat betreft zijn primaire standpunt beroept de Inspecteur zich op een waardebepaling van [E], taxateur bij Inspectie der Belastingen, van 7 november 2016.

5.4.

Allereerst zal het Hof ingaan op de door belanghebbende bepleite waarde van NAf 348.400, omdat de bewijslast in eerste instantie op belanghebbende rust.

5.4.1.

Wat betreft het rapport [D] stelt het Hof vast dat niet duidelijk is per wanneer de waardebepaling heeft plaatsgevonden en per welke datum is getaxeerd. Op p. 1 van het rapport is vermeld februari 2011, op p. 2 is als datum opname vermeld 1 februari 2010, welke datum met potlood of pen is gewijzigd in 1 februari 2014, terwijl op p. 5 de taxateur tekent per 2 februari 2011. Per wanneer de waardebepaling is geschied is evenmin duidelijk. In het rapport op p. 2 is vermeld de

“WAARDE(N) PER OPNAMEDATUM:

De Globale indicatie van de onderhandse verkoopwaarde, leeg en vrij van huur en gebruik getaxeerd op:

Circa Naf. 1.425, = per m² (zegge: veertienhonderd en vijfentwintig gulden, courant van Nederlandse Antillen – per vierkante meter).”

Uitgaande van de “waarde(n) per opnamedatum” volgens het rapport [D] is de waarde bepaald naar de datum 1 februari 2010, 1 februari 2011 of februari 2011, hetgeen veel te ver is gelegen van de datum waarop het pand is aangeschaft. Reeds om die reden is het rapport niet bruikbaar. In zijn pleitnota stelt belanghebbende dat de taxatie is gebaseerd op het prijspeil van het kalenderjaar 2004, onder verwijzing naar p. 3 van het rapport alwaar is vermeld dat als prijspeil het kalenderjaar 2004 heeft te gelden. Het had voor de hand gelegen dat belanghebbende deze stelling had onderbouwd met een verklaring van de taxateur, welke ontbreekt. Het is immers bij uitstek de taxateur die wellicht de tegenstrijdigheid in het rapport kan verklaren.

Het rapport [D] is ook op een ander onderdeel onduidelijk. Het pand is aangeschaft in 2005, nadat het in 2004 geheel is gerestaureerd. Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat het prijspeil van het kalenderjaar 2004 heeft te gelden, dan is niet duidelijk of bij de taxatie is uitgegaan van de toestand vóór, na of tijdens de restauratie.

5.4.2.

Nog los van het vermelde onder 5.4.1 acht het Hof het rapport [D] volstrekt onbruikbaar. Het rapport concludeert tot een waarde van circa NAf 1.425 per m², maar elke afdoende onderbouwing daarvan ontbreekt. Er is geen vergelijkbaar marktonderzoek gedaan, gegevens over kwaliteit, onderhoud, luxe, doelmatigheid, uitstraling en ligging van het object ontbreken. Zo vermeldt het rapport onder andere, p. 4, onderaan:

“In het kader van de opdracht is dit taxatierapport geen technisch inspectierapport, doch slechts een financiële waardering. Derhalve is geen diepgaand onderzoek gedaan naar de bouwkundige dan wel technische staat van de getaxeerde zaken. Door [D] N.V. wordt er van uitgegaan dat deze zaken naar behoren functioneren.”

5.4.3.

Zoals hiervoor opgemerkt concludeert het rapport tot een waarde van circa NAf 1.425 per m². Onduidelijk is het aantal vierkante meters dat wordt bedoeld. Zelfs als daarmee (alleen) gedoeld wordt op de 286 m² van het perceel2, zoals vermeld op p. 2 van het rapport, dan bedraagt de waarde van de grond NAf 407.550, hetgeen aanzienlijk meer is dan de door belanghebbende bepleite NAf 348.400.

5.4.4.

Het rapport [D], dat uitsluitend algemeenheden bevat, kan dan ook niet dienen als onderbouwing van de door belanghebbende verdedigde waarde.

5.4.5.

Ook het rapport [C] acht het Hof niet bruikbaar voor de onderbouwing van de door belanghebbende bepleite waarde. In dat rapport wordt aan de grond een waarde toegekend van NAf 1.300 per m² (268 m2 x NAf 1.300 = NAf 348.400). Niet toegelicht is op welke wijze het bedrag van NAf 1.300 per m² is bepaald. In het rapport [C] worden een aantal negatieve invloedsfactoren genoemd, zoals de beperkte aanwendingsmogelijkheid (er is sprake van een monument), de zeer hoge restauratie- en onderhoudskosten, de ondoelmatigheid van het pand (zeer smal en zeer diep), de grote leegstand in Punda, de trend om winkels buiten Punda te verplaatsen, een terugval van het toerisme en de matige economische situatie in Curaçao ten tijde van de aanschaf van de onroerende zaak.

Wat er ook zij van deze (negatieve) invloedsfactoren, niet vast te stellen is in welke mate zij een waardedrukkend effect hebben gehad op de ongecorrigeerde waarde van de grond per m² en, zoals hiervoor opgemerkt, op welke wijze die ongecorrigeerde waarde is bepaald. Daarbij is het kennelijk niet zo dat er geen vergelijkingsobjecten voorhanden waren. In het rapport [C] is immers op p. 4 vermeld (op één na laatste bullit):

 “Andere transacties van bebouwde percelen welke in deze tijd hebben plaatsgevonden en waarvan de grondwaarde bij benadering herleid kon worden.”

Die andere transacties ‘waarvan de grondwaarde bij benadering herleid kon worden’ zijn in het rapport niet opgenomen, zodat rechterlijke toetsing daaraan niet kan plaatsvinden. Wél in het rapport is genoemd de verkoop op 12 december 2007 van het perceel waarop het [GB] stond, een perceel van 1.440 m². Deze transactie acht het Hof niet bruikbaar, omdat de transactie te ver is gelegen van het tijdstip waarop belanghebbende het pand heeft gekocht, het perceel waarop het [GB] stond op een mindere locatie was gelegen, de onbebouwde grond waarop het [GB] stond bijna 5,5 keer zo groot was als de grond (afnemend grensnut) en het perceel waarop het [GB] stond in een latere en veel betere tijd werd verkocht.

5.4.6.

In zijn subsidiaire standpunt verzoekt belanghebbende het Hof de door belanghebbende betaalde koopsom van NAf 2.500.000 in redelijkheid te verdelen over de opstal en de grond, rekening houdend met de tot de stukken van het geding behorende verklaringen van restauratiedeskundigen als [M]. [N] en [O]. Uit die verklaringen zou blijken dat de restauratiekosten van een monumentenpand als dat van belanghebbenden liggen tussen de NAf 2.800 en NAf 3.600 per m² vloeroppervlakte. Uitgaande van de ondergrens van NAf 2.800 en 950 m² (dit is de volgens belanghebbende de vloeroppervlakte van alle bouwlagen), de waarde van de grond van 268 m² en een grondprijs van bijvoorbeeld NAf 1.500 per m², bedraagt de totale waarde de onroerend zaak (grond plus opstal) NAf 3.062.0003. De afzonderlijke onderdelen van de onroerende zaak, te weten de opstal en de grond bedragen alsdan respectievelijk NAf 86,9%4 en 13,1%5, aldus nog steeds belanghebbende. Nu de onroerende zaak door belanghebbende is verkregen voor een koopsom van NAf 2.500.000, acht belanghebbende het redelijk dat van die koopsom 86,9% wordt toegerekend aan de opstal, NAf 2.172.500, en 13,1% aan de grond, NAf 327.500. Laatstgenoemd bedrag ligt nog onder de door belanghebbende bepleite waarde van NAf 348.400, waaruit belanghebbende afleidt dat de koopsom in alle redelijkheid is verdeeld over de opstal en de grond.

5.4.7.

Het Hof is van oordeel dat de ‘redelijkheidsbenadering’ van belanghebbende niet kan worden gevolgd. Belanghebbende berekent op basis van bepaalde veronderstellingen een waarde van de grond plus opstal van NAf 3.062.000 en miskent daarbij dat de grond plus opstal is verworven voor een koopsom van NAf 2.500.000. Daarmee is de waarde (in het economische verkeer), NAf 2.500.000, een gegeven, nu belanghebbende geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd dat, en om welke reden, de waarde van de grond en opstal niet zou corresponderen met de daarvoor betaalde koopsom. Belanghebbende heeft die koopsom betaald voor de grond en de volledig gerestaureerde opstal. In de koopsom zijn de kosten van de restauratie reeds verdisconteerd. Het Hof vermag dan niet in te zien dat in een dergelijk geval wordt uitgegaan van de door belanghebbende aangevoerde restauratiekosten van NAf 2.800 per m² vloeroppervlakte. Dit klemt te meer omdat, zelfs als in het geheel geen waarde zou worden toegekend aan de grond, de ‘kosten’ van de totale vloeroppervlakte slechts NAf 2.631,586 bedragen. Daarbij komt dat belanghebbende bij de bepaling van de grond uit gaat van een grondprijs van ‘bijvoorbeeld NAf 1.500’ per m², een prijs die op geen enkele wijze is onderbouwd.

5.4.8.

Uit het onder 5.4. en verder overwogene concludeert het Hof dat belanghebbende de door haar verdedigde waarde van de grond niet aannemelijk heeft gemaakt.

5.5.

Zoals vermeld onder 5.1 verdedigt de Inspecteur in hoger beroep primair een waarde van NAf 1.380.000 en subsidiair de waarde van NAf 900.000, zoals vastgesteld door het Gerecht.

5.5.1.

Naar het oordeel van het Hof dient het primaire standpunt van de Inspecteur op formele gronden te worden verworpen. Het Gerecht heeft het beroep gegrond geacht en (onder andere) bij de bepaling van de winst rekening gehouden met een waarde van de ondergrond van NAf 900.000 in plaats van met de door de Inspecteur bepaalde waarde van NAf 1.380.000. Tegen deze waardebepaling van het Gerecht heeft de Inspecteur, naar het Hof begrijpt en zoals ook ter zitting met de inspecteur besproken, geen hoger beroep ingesteld. Alsdan is de Inspecteur, door geen hoger beroep in te stellen, (impliciet) akkoord met de door het Gerecht bepaalde waarde van NAf 900.000 voor de grond.

5.5.2.

De door het Gerecht bepaalde waarde van de grond van NAf 900.000 is in goede justitie bepaald, en is, zoals ook niet nodig is, door het Gerecht niet nader gemotiveerd. Het Hof dient evenwel te beoordelen of de Inspecteur de door hem subsidiair te verdedigen waarde van NAf 900.000 aannemelijk heeft gemaakt. Daartoe zal het Hof de onderbouwing gebruiken die de Inspecteur heeft aangevoerd ter verdediging van de waarde van NAf 1.380.000. Bij die onderbouwing heeft de Inspecteur zich bediend van een waardebepaling van [E], taxateur van de Inspectie der Belastingen van 7 november 2016. Blijkens die taxatie is uitgegaan van een huurprijs van NAf 14.000 per maand en een kapitalisatiefactor van 12,5. Uitgaande van die gegevens bedraagt de waarde van de opstal en de grond NAf 2.100.0007. Op de aldus berekende waarde wordt als waarde van de grond in mindering gebracht de bebouwde vierkante meters vermenigvuldigd met NAf 1.500. Daarbij zijn de bebouwde vierkante meters bepaald op 480 m² en wordt, naar het Hof begrijpt, de prijs per bebouwde m² bepaald op NAf 1.500. Dusdoende wordt de waarde van de opstal bepaald op NAf 720.0008 en de waarde van de grond op NAf 1.380.0009.

5.5.3.

Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur de door hem subsidiair bepleite waarde van NAf 900.000 niet aannemelijk gemaakt. Immers, elke onderbouwing van de door de Inspecteur gebruikte factoren ontbreekt. Zonder enige toelichting is niet duidelijk dat de bebouwde vierkante meters 480 m² bedragen. Belanghebbende gaat uit van vloeroppervlakte van 950 m², waarbij overigens dient te worden opgemerkt dat die oppervlakte ook niet wordt onderbouwd. Evenmin wordt de prijs per bebouwde vierkante meter van NAf 1.500 onderbouwd en hetzelfde geldt voor de kapitalisatiefactor van 12,5.

5.6.

Het Hof stelt vast dat beide partijen er niet in zijn geslaagd de door hen verdedigde waarde te onderbouwen. Het Hof ziet zich, net als het Gerecht, genoodzaakt de waarde van de grond in goede justitie te bepalen. Het Hof acht de waarde die het Gerecht aan de grond heeft toegekend evenwel te hoog en zal de waarde van de grond bepalen op NAf 600.000.

Slotsom

5.7.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is en dat de uitspraak van het Gerecht en de uitspraken op bezwaar vernietigd moeten worden. De naheffingsaanslagen winstbelasting 2006, 2007 en 2008 dienen verminderd te worden, rekening houdend met het over 2005 vastgestelde of vast te stellen verlies, investeringsaftrek naar een percentage van 8% en (vervroegde) afschrijving over de onroerende zaak, waarbij voor de bepaling van de investeringsaftrek en (vervroegde) afschrijving rekening wordt gehouden met een aan de grond toe te kennen waarde van NAf 600.000.

Ter zitting van het Hof hebben partijen aangegeven dat zij met inachtneming van de hiervoor genoemde grondslagen zelf de hoogte van de naheffingsaanslagen winstbelasting 2006, 2007 en 2008 kunnen en zullen bepalen.

Ten aanzien van het griffierecht

5.8.

Nu het hoger beroep gegrond is, dient de Inspecteur aan belanghebbende het door haar ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van NAf 500 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

5.9.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken (LBB) worden de kosten vergoed die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

Ingevolge artikel 17f van de LBB is artikel 15 van overeenkomstige toepassing in het geval van hoger beroep.

5.10.

In artikel 15, tweede lid, van de LBB is bepaald dat de regels over de (hoogte van de) proceskostenvergoeding bij of krachtens landsbesluit worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127 (vgl. GHvJ 21 juni 2017, ECLl:NL:OGHACMB:2017:54). In artikel 1 van dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde beroepsmatig verleende bijstand. Deze kosten kunnen worden berekend op NAf 1.400 (1 punt voor het hoger beroepschrift, 1 punt voor de zitting, waarde per punt NAf 700, wegingsfactor 1).

5.11.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt.

6 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van het Gerecht behoudens de beslissingen betreffende de gegrondverklaring van de beroepen, de vernietiging van de uitspraken op bezwaar, de vernietiging van de vergrijpboetes voor de jaren 2006, 2007 en 2008, alsmede de beslissing waarbij de Inspecteur wordt veroordeeld in de kosten van het geding bij het Gerecht;

  • -

    vermindert de naheffingsaanslagen winstbelasting 2006, 2007 en 2008 tot naheffingsaanslagen rekening houdend met het over 2005 vastgestelde of vast te stellen verlies, investeringsaftrek naar een percentage van 8 en (vervroegde) afschrijving over de onroerende zaak, waarbij voor de bepaling van de investeringsaftrek en (vervroegde) afschrijving rekening wordt gehouden met een aan de grond toe te kennen waarde van NAf 600.000;

  • -

    bepaalt dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het Hof van NAf 500 vergoedt;

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof van NAf 1.400.

Aldus gedaan door mrs. D. Haan, voorzitter, P.A.M. Pijnenburg en M.J. Leijdekker, leden, in tegenwoordigheid van M.M.M. Faro MSc, als griffier. De beslissing is op 2 juni 2020 in het openbaar uitgesproken.

Afschriften zijn per post/e-mail op aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na dagtekening van het afschrift van de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Partijen hebben ook de mogelijkheid hun beroepschrift in te dienen bij de griffie van het Gerecht in Eerste aanleg dat de zaak in eerste aanleg heeft behandeld. De datum van binnenkomst bij de griffie van het lokale Gerecht in Eerste aanleg is in dat geval bepalend voor de vraag of het beroep tijdig is ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. waartegen u in beroep komt;

d. waarom u het daar niet mee eens bent (de gronden van het beroep).

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

Toelichting op de rechtsmiddelenverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld en in veel gevallen verplicht (zie daarover www.hogeraad.nl). Daarvoor is echter een geschikt inlogmiddel nodig. Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het desbetreffende webportaal. Zij kunnen, zolang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen, zoals hiervoor vermeld.

1 Door belanghebbende in de pleitnota ‘[D]’ genoemd.

2 Het aantal m² bedraagt zeer waarschijnlijk 268 m² in plaats van 286 m². Ook als wordt uitgegaan van 268 m² en een daarmee corresponderende waarde van NAf 381.900 is er een aanzienlijk verschil met de waarde van NAf 348.400 waarvan belanghebbende uitgaat.

3 [(950 m² x NAf 2.800) + (268 m² x NAf 1.500)] = NAf 2.660.000 + NAf 402.000 = NAf 3.062.000.

4 2.660.000/3.062.000 = 86,9% (afgerond).

5 402.000/3.062.000 = 13,1 %.

6 Koopsom Naf 2.500.000 : 950 m² = NAf 2.631,58.

7 12 maanden x NAf. 14.000 x 12,5 = NAf. 2.100.000.

8 480 m² x 1.500 = NAf. 720.000.

9 Waarde opstallen + grond bedraagt NAf. 2.100.000. Indien daarvan de waarde van de opstal wordt afgetrokken resteert de waarde van de grond: NAf. 2.100.000 – NAf. 720.000 (opstal) = NAf. 1.380.000 (grond).