Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2020:170

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
09-06-2020
Datum publicatie
09-07-2020
Zaaknummer
AUA2018H00217
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Waarborg voldoet appellant volledig; onvoldoende belang in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN

ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN

BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

VONNIS

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

[APPELLANTE],

gevestigd in Aruba,

oorspronkelijk gedaagde in de hoofdzaak, nu appellante,

gemachtigden: mr. D.G. Croes en mr. B.M. de Sousa,

tegen

de vennootschap naar vreemd recht

SANDBERG ENTERPRISES LLC,

met gekozen woonplaats in Aruba,

oorspronkelijk eiseres in de hoofdzaak, nu geïntimeerde,

gemachtigde: mr. J.J. Coutinho.

Partijen worden hierna ook [appellante] en Sandberg genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het Hof verwijst voor de procedure in eerste aanleg en voor de genomen beslissingen in de hoofdzaak naar het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) van 31 oktober 2018. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

1.2 [

appellante] heeft op 27 november 2018 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis in de hoofdzaak. In haar memorie van grieven, ter griffie ingediend op 9 januari 2019 en volgens [appellante] een dag daarvoor (ook) per fax, heeft zij drie grieven aangevoerd en toegelicht en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis in de hoofdzaak en tot afwijzing van de vordering van Sandberg, met veroordeling van Sandberg in de proceskosten in beide instanties.

1.3.

Op 28 maart 2019 heeft Sandberg een memorie van antwoord met producties ingediend. Daarin heeft zij de grieven van [appellante] bestreden en geconcludeerd tot bevestiging van het bestreden vonnis in de hoofdzaak, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het hoger beroep.

1.5.

Beide partijen hebben op 27 augustus 2019 een pleitnota ingediend.

1.6.

Vonnis is nader bepaald op vandaag.

2 De beoordeling

2.1.

Het hoger beroep is tijdig ingediend. In zoverre is [appellante] ontvankelijk.

2.2.

Het Gerecht heeft in het bestreden vonnis zowel beslist in de hoofdzaak tussen Sandberg en [appellante] als in de vrijwaringszaak tussen [appellante] en de naamloze vennootschap Southwest Hotel Development & Management N.V. en de naamloze vennootschap CB Cas Bon Construction N.V. (hierna gezamenlijk: Southwest c.s.). In de hoofdzaak is [appellante] veroordeeld tot betaling aan Sandberg van Afl. 95.230,- minus USD 750,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2015 en met de proceskosten van in totaal Afl. 4.536,65. In de vrijwaringszaak zijn Southwest c.s. veroordeeld tot betaling van deze bedragen aan [appellante] en ook tot vergoeding van de proceskosten in de vrijwaringsprocedure.

2.3.

Bij memorie van antwoord heeft Sandberg gesteld dat [appellante] volledig voor de door haar aan Sandberg te betalen bedragen is gecompenseerd, omdat CB Cas Bon Construction N.V. (hierna: Cas Bon) die bedragen rechtstreeks aan Sandberg heeft voldaan. Meer concreet heeft Sandberg gesteld, en onderbouwd met een rekeningoverzicht, dat Cas Bon twee keer een bedrag van

Afl. 54.943,83 aan Sandberg heeft betaald, hetgeen per saldo leidt tot het totaalbedrag dat [appellante] op grond van het vonnis van het Gerecht aan Sandberg verschuldigd was. Cas Bon heeft dit betaald op grond van de veroordeling in de vrijwaringsprocedure. In haar pleitnota heeft [appellante] deze stellingen niet betwist.

2.4.

Dit brengt mee dat [appellante] onvoldoende belang heeft bij de onderhavige appelprocedure. Alle door [appellante] uit hoofde van het vonnis aan Sandberg verschuldigde bedragen zijn immers voor rekening van Cas Bon gekomen. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat gesteld noch gebleken is dat Southwest c.s. een rechtsmiddel hebben ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in de vrijwaring. Het moet er derhalve voor worden gehouden dat Southwest c.s. in dat vonnis hebben berust. Van enig ander rechtens te respecteren belang aan de zijde van [appellante] is niet gebleken. [appellante] heeft in haar pleitnota genoemd dat in eerste aanleg is geoordeeld dat zij onrechtmatig heeft gehandeld. Daarin schuilt volgens [appellante] haar belang bij een inhoudelijke beoordeling in hoger beroep. Dat standpunt is onjuist. Het gaat hier kennelijk om een zuiver emotioneel belang of om een belang gemoeid met het verkrijgen van een principiële uitspraak. Een dergelijk belang levert niet een voldoende belang op bij het instellen dan wel handhaven van een hoger beroep.

2.5.

Zonder voldoende belang komt iemand niet het rechtsmiddel van hoger beroep toe (artikel 3:303 jo. 3:326 BW). Het bestreden vonnis moet daarom worden bevestigd. [appellante] zal worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep.

3 Beslissing

Het Hof:

- bevestigt het bestreden vonnis;

- veroordeelt [appellante] in de proceskosten in hoger beroep, aan de zijde van Sandberg begroot op Afl. 209,88 aan betekeningskosten en Afl. 10.500,- aan salaris van de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mrs. S.A. Carmelia, M.B. van den Enden en Th. Veling, leden van het Hof, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 2020 in Aruba, in tegenwoordigheid van de griffier.