Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGHACMB:2020:167

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
30-06-2020
Datum publicatie
01-07-2020
Zaaknummer
CUR2018H00101
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tarieven telecomaanbieders; interconnectie; nietige overeenkomst?; geschilbeslechting door minister.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE VAN

ARUBA, CURAÇAO, SINT MAARTEN EN VAN

BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

VONNIS

in de zaak van

de naamloze vennootschap ANTELECOM N.V.,

gevestigd in Curaçao,

oorspronkelijk gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

nu appellante in het principaal appel, geïntimeerde in het incidenteel appel,

gemachtigden: mr. E.R. de Vries en mr. T. Matroos,

tegen

de naamloze vennootschap CURAÇAO TELECOM N.V.,

gevestigd in Curaçao,

oorspronkelijk eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

nu geïntimeerde in het principaal appel, appellante in het incidenteel appel,

gemachtigde: mr. M.R. Hammoud.

Partijen worden hierna UTS en Digicel genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het Hof verwijst voor de procedure in eerste aanleg en voor de genomen beslissingen naar het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 19 februari 2018 (ECLI:NL:OGEAC:2018:76).

1.2

UTS heeft op 29 maart 2018 hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. Zij heeft in haar memorie van grieven van 8 mei 2018 acht grieven geformuleerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en voorts gevorderd dat het Hof (i) de vorderingen van Digicel alsnog zal afwijzen en (ii) de reconventionele vorderingen, zoals gewijzigd in de memorie van grieven, zal toewijzen, (iii) Digicel veroordeelt tot restitutie van hetgeen zij al mocht hebben geïncasseerd op grond van het bestreden vonnis en (iv) Digicel veroordeelt in de proceskosten in beide instanties.

1.3.

Digicel heeft op 7 augustus 2018 een memorie van antwoord in het principaal appel, tevens memorie van grieven in het incidentele appel ingediend. In het incidentele appel heeft Digicel een grief opgeworpen. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof in het principale appel het bestreden vonnis zal bevestigen en in het incidentele appel, voor zover UTS niet is veroordeeld tot nakoming van de wijzigingsovereenkomst conform de afgesproken tarieven tot en met 31 december 2017, zal vernietigen, met veroordeling van UTS in de proceskosten.

1.4.

Op 22 oktober 2018 heeft UTS een memorie van antwoord in het incidenteel appel ingediend, waarin zij concludeert tot afwijzing van het incidenteel appel met veroordeling van Digicel in de proceskosten.

1.5.

Op 7 mei 2019 hebben beide partijen pleitnotities ingediend, in het geval van UTS voorafgegaan door overgelegde producties.

1.6.

Sindsdien staat de zaak voor vonnis.

2 De beoordeling

2.1.

UTS is tijdig in hoger beroep gekomen.

2.2.

Tegen de door het Gerecht vastgestelde feiten zijn geen klachten geformuleerd. In het bestreden vonnis heeft het Gerecht de feiten als volgt vastgesteld:

a. Digicel en UTS zijn beide op Curaçao actief als aanbieders van onder meer mobiele telefonie.

In 2004 zijn tussen Digicel en een rechtsvoorgangster van UTS voor onder meer mobiele telefonie interconnectie-overeenkomsten (hierna: de Interconnectieovereenkomsten) gesloten met betrekking tot hun netwerken, opdat klanten van beide partijen elkaar kunnen bellen. In die overeenkomsten (in Schedule B) is een interconnectietarief overeengekomen, zijnde de vergoeding die partijen aan elkaar verschuldigd zijn (per minuut) voor het gebruik van het netwerk van de ander.

Doordat UTS meer klanten had en heeft dan Digicel, maakt UTS meer gebruik van Digicels netwerk dan andersom, waardoor UTS steeds per saldo vergoedingen verschuldigd is aan Digicel voor de interconnectie.

Met ingang van 1 januari 2008 zijn partijen nieuwe interconnectietarieven overeengekomen.

In maart 2013 heeft UTS het interconnectietarief opgezegd, waarna partijen hebben gepoogd het eens te worden over een nieuw tarief.

Op 19 januari 2015 is tussen Digicel en UTS een vaststellingsovereenkomst gesloten, hierna: de Settlement Agreement, waarin een betalingsregeling is vastgelegd voor de per 31 december 2014 ontstane achterstand in de door UTS aan Digicel verschuldigde betalingen. Afgesproken werd onder meer dat UTS "the non-disputed amount" van Naf 5.421.747 eind februari 2015 geheel zou hebben voldaan en dat "the UTS disputed amount" van NAf 989.163 geheel door UTS in gelijke delen zou worden betaald binnen 30 respectievelijk 60 dagen nadat tussen partijen overeenstemming zou zijn bereikt over nieuwe interconnectietarieven en dat tot de tijd zou worden afgerekend conform het oude tarief. De Settlement Agreement bepaalt dat deze overeenkomst een "full and final settlement" behelst, dat partijen elkaar "full and final release, discharge and acquittal" verlenen en dat partijen "waive their right to, in whole or in part, annul, rescind and/or dissolve this Settlement Agreement".

Op 30 juni 2015 hebben Digicel en UTS een overeenkomst, hierna: de Wijzigingsovereenkomst, gesloten, waarbij nieuwe interconnectietarieven zijn afgesproken. Als nieuwe interconnectietarieven voor mobiele telefonie zijn daarin opgenomen (per minuut):

1 april 2015 tot en met 31 augustus 2015: 23 cent

1 september 2015 tot en met 31 december 2015: 20 cent

1 januari 2016 tot en met 31 december 2017: 17 1/2 cent

Bij brief van 2 november 2015 heeft Digicel UTS gesommeerd tot betaling van het volgens haar per die datum openstaande opeisbare bedrag van NAL 2.631.801,82.

i. Brief van 5 november 2015 heeft UTS geantwoord dat zij pas aan de Wijzigingsovereenkomst zou voldoen als er naar haar genoegen een overeenkomst (hierna: SPA) tot stand zou zijn gekomen tussen groepsvennootschappen van UTS respectievelijk Digicel over de overname van de aandelen in de Surinaamse vennootschap UTS (Suriname) N.V. UTS schrijft onder meer:

"As you might be aware [de Wijzigingsovereenkomst] is closely linked to the Share Purchase Agreement - by and between Dutch United Telecommunication Services B.V. and Digicel International Finance Limited dated June 30th 2015 (the `SPA'). Only if finalization of this SPA is up to UTS' likings will the [Wijzigingsovereenkomst] be executed according to its provisions. At this moment the finalization of the SPA is going thru some hick ups and hence UTS will also be withholding the execution of the [Wijzigingsovereenkomst]."

Bij brief van 14 januari 2016 heeft UTS de Interconnectieovereenkomsten opgezegd met ingang van 15 april 2016, althans 22 juli 2016, en heeft zij Digicel uitgenodigd in onderhandeling te treden over nieuwe overeenkomsten.

Bij brief van 18 maart 2016 heeft UTS de Minister van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning (hierna: de Minister) verzocht het geschil tussen partijen te beslechten ex artikel 3 Landsbesluit geschillenbeslechting concessiehouders en om met ingang van 22 juli 2016 nieuwe - lagere - tarieven vast te stellen.

l) Bij besluit van 28 februari 2017 heeft de Minister besloten dat als nieuw interconnectietarief voor mobiele telefonie moet gelden (per minuut):

1 april 2017 tot en met 31 maart 2018: 12 1/2 cent

1 april 2018 en verder: 7 1/2 cent

Aan deze feiten voegt het Hof toe dat UTS van dit besluit van de Minister beroep heeft ingesteld bij het Gerecht. Bij uitspraak van 27 maart 2019 heeft het Gerecht dit beroep ongegrond verklaard. Van deze uitspraak is UTS in hoger beroep gegaan. Op dat hoger beroep is nog niet beslist.

2.3.

De door Digicel in conventie ingestelde primaire vordering strekt tot nakoming door UTS van de tussen partijen gesloten Interconnectieovereenkomsten, Settlement Agreement en Wijzigingsovereenkomst. Het Gerecht heeft deze vordering als volgt toegewezen, weergegeven voor zover van belang:

5.1

veroordeelt UTS aan Digicel te betalen NAf 2.012.173,34, verschuldigd en opeisbaar per 1 mei 2016, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de maandelijks verschuldigde bedragen steeds opeisbaar zijn geworden tot de dag der algehele voldoening;

5.2

veroordeelt UTS aan Digicel te betalen de vanaf 1 maart 2016 tot en met 31 december 2017 uit hoofde van de Interconnectieovereenkomsten zoals gewijzigd bij de Wijzigingsovereenkomst van 30 juni 2015 verschuldigde bedragen, met dien verstande dat daarbij vanaf 1 april 2017 met het tarief van 12½ cent per minuut dient te worden gerekend;

2.4.

UTS had tegen deze vordering onder andere het verweer gevoerd dat de met Digicel overeengekomen tarieven te hoog zijn en niet voldoen aan de vereisten (zoals opgenomen in de concessies van partijen en in het Landsbesluit geschillenbeslechting concessiehouders; hierna: Landsbesluit) dat zij non-discriminatoir, transparant en kostengeoriënteerd moeten zijn. Volgens UTS zijn die tarieven daarom in strijd met de wet, de goede zeden en/of de openbare orde en handelt Digicel onrechtmatig jegens UTS door die tarieven toch te hanteren. Het Gerecht heeft dat verweer verworpen en heeft daartoe onder andere als volgt overwogen:

4.3

Dit verweer kan UTS niet baten. Gelet op de door UTS als professioneel telecombedrijf met Digicel gesloten overeenkomsten, waaronder in het bijzonder ook de Settlement Agreement (een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 lid 1 BW) en gelet op haar uitdrukkelijke toezegging in haar brief van 5 november 2016 tot betaling, is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat UTS thans, na meer dan een decennium van overeenkomsten, geschillen, geschilbeslechtingsprocedures, onderhandelingen, een vaststellingsovereenkomst en weer een overeenkomst, zich jegens Digicel beroept op vermeende strijdigheid van de door beide partijen gemaakte en toegepaste afspraken met concessievoorwaarden en/of met de uitgangspunten in art. 5 Landsbesluit geschillenbeslechting concessiehouders. UTS heeft daarmee het recht verwerkt om op de (ook door haarzelf gehanteerde) tarieven terug te komen. Dit te meer nu voor UTS al die tijd de weg heeft opengestaan naar een onderzoek door en beslissing van de Minister, welke weg in 1999 en 2005 naar Digicel onbetwist heeft gesteld ook door UTS is bewandeld.

2.5.

De eerste drie grieven van UTS richten zich tegen deze overweging. De vierde grief stelt aan de orde dat UTS, behalve het zogenoemde Suriname-verweer (zie de feiten onder i), ook andere bezwaren heeft geuit tegen de door Digicel gehanteerde tarieven. De grieven kunnen niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden. De hiervoor weergegeven overweging in het vonnis van het Gerecht is juist en het Hof maakt die tot de zijne. Het geheel van de door het Gerecht genoemde omstandigheden, inclusief de overweging over de mogelijkheid van UTS om een onderzoek te laten instellen naar de tarieven, kan zelfstandig het oordeel dragen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat UTS aanspraak maakt op lagere tarieven dan door haarzelf afgesproken. Of er daarnaast nog anderszins sprake is van rechtsverwerking kan derhalve in het midden blijven. Verder heeft het Gerecht de overige bezwaren (naast de Suriname deal) wel onder ogen gezien, doch deze als onvoldoende onderbouwd en steekhoudend verworpen. In aanvulling overweegt het Hof nog het volgende.

2.6.

Het standpunt van UTS houdt in dat Digicel jegens haar onrechtmatig handelt door tarieven te hanteren die niet voldoen aan de voorwaarden, zoals opgenomen in het Landsbesluit, van non-discriminatie, transparantie en kosten-oriëntatie. De door partijen overeengekomen en gedurende lange tijd gehanteerde tarieven zijn volgens UTS (zie ook haar toelichting op haar grief 8) nietig wegens strijdigheid met de wet, de goede zeden en/of de openbare orde (artikel 3:40 BW). In dit standpunt kan UTS niet worden gevolgd, ook niet als van rechtsverwerking geen sprake zou zijn.

2.7.

Veronderstellenderwijs aangenomen dat de overeenkomsten tussen partijen tot een bij de wet verboden prestatie verplicht, dan brengt dat enkele feit nog niet mee dat zij een verboden strekking hebben en dus nietig zijn, ook niet als beide partijen zich bij het sluiten van de overeenkomst bewust waren van dat wettelijk verbod. De rechter dient in zijn beoordeling of de overeenkomst op die grond in strijd is met de openbare orde in elk geval te betrekken welke belangen door de geschonden regel worden beschermd, of door de inbreuk op de regel fundamentele beginselen worden geschonden, of partijen zich van de inbreuk op de regel bewust waren, en of de regel in een sanctie voorziet, en daarvan in de motivering van zijn oordeel rekenschap af te leggen (HR 1 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5609, NJ 2013/172, Esmilo v. Mediq Apotheken).

2.8.

Op grond van het Landsbesluit geldt dat het een concessiehouder steeds vrij staat een “geschil” over door een ander gehanteerde tarieven ter beslechting aan de Minister voor te leggen. Dit veronderstelt dat het eerst aan concessiehouders zelf is om, door middel van privaatrechtelijke afspraken, tot overeenstemming te komen over de te hanteren tarieven. De (maximale) hoogte van die tarieven is niet voorgeschreven en partijen zijn het erover eens dat in die tarieven ook een redelijke winstopslag kan worden verwerkt. Waar van deze vrijheid gedurende zekere tijd gebruik is gemaakt, door professionele partijen die als gelijkwaardig moeten worden beschouwd, kan bezwaarlijk worden gesproken van strijd met de openbare orde of van een andere grond voor nietigheid, zelfs niet als het op enig moment alsnog komt tot vaststelling van (lagere) tarieven door de minister in het kader van de hier bedoelde geschilbeslechting. In wezen gaat ook UTS van deze vrijheid uit, waar zij stelt “bereid” te zijn geweest om een hoger tarief te accepteren als de zogenoemde Suriname-deal zou doorgaan (memorie van grieven, 6.14). De stelling van UTS dat de overeengekomen tarieven in strijd zijn met de openbare orde of onderhevig zijn aan een andere nietigheidsgrond miskent met andere woorden dat het Landsbesluit eerst in beeld komt wanneer partijen een geschil hebben en daardoor niet tot overeenstemming kunnen komen. In casu hebben partijen juist wel overeenstemming bereikt over de hoogte van de tarieven en deze contractueel vastgelegd. UTS heeft zich verder nog op het standpunt gesteld dat Digicel in strijd met de wet en daarmee onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Ook dit standpunt faalt. Het enkel vasthouden aan afgesproken tarieven – zolang andere tarieven niet bindend door de Minister zijn vastgesteld – is niet onrechtmatig jegens de wederpartij. Het ziet er bovendien aan voorbij dat de strekking van het Landsbesluit is concessiehouders de mogelijkheid te bieden hun geschil voor te leggen aan de minister, die vervolgens bindend beslist aan de hand van in het Landsbesluit genoemde criteria. Toen partijen de overeenkomsten sloten, met wat UTS nu achteraf verboden tarieven noemt, was er echter geen sprake van een geschil. De gestelde normschending – handelen in strijd met het Landsbesluit – strekt daarmee niet tot bescherming tegen eventueel door UTS geleden schade door betaling van de tussen partijen overeengekomen tarieven, zodat niet voldaan is aan het relativiteitsvereiste van artikel 6:163 BW.

2.9.

De verwijzing naar de uitspraak van het Hof in de zaak Setel/AVR Holding (kenbaar uit HR 18 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL9662, NJ 2015/33) baat UTS niet. In die zaak ging het om een eenzijdig door een van partijen toegepaste tariefwijziging, kennelijk zonder overeenkomst en zonder de procedure als bedoeld in het Landsbesluit te volgen. Dat is hier wezenlijk anders. UTS en Digicel hebben gedurende een lange reeks van jaren samengewerkt op basis van verschillende overeenkomsten en voorts heeft UTS juist wel een “geschil” als bedoeld in het Landsbesluit bij de minister aanhangig gemaakt.

2.10.

De slotsom is dus dat partijen zijn gebonden aan de tussen hen tot stand gekomen overeenkomsten, zodat Digicel aanspraak heeft op nakoming door UTS van haar verbintenissen uit hoofde van die overeenkomsten, in elk geval tot opzegging dan wel totdat de Minister andere tarieven heeft vastgesteld. De eerste vier grieven in het principale appel falen.

2.11.

Het Gerecht heeft geoordeeld dat het UTS vrij stond een beslissing van de Minister als bedoeld in het Landsbesluit uit te lokken. Ook heeft het Gerecht geoordeeld dat UTS ingevolge het besluit van de Minister van 28 februari 2017 met ingang van 1 april 2017 een (verlaagd) tarief van 12½ cent en vanaf 1 april 2018 een tarief van 7½ cent verschuldigd is. Tegen dit oordeel komt Digicel op in het incidentele appel. Volgens Digicel is UTS gebonden gebleven aan de in de overeenkomsten afgesproken tarieven, die golden tot 31 december 2017. In het principale appel komt UTS tegen het oordeel van het Gerecht op met haar zesde grief. Zij meent dat de ingangsdatum van het nieuwe verlaagde tarief moet worden gesteld op 22 juni 2016, de datum waarop zij de overeenkomst met Digicel heeft opgezegd. In dit verband heeft UTS ook grief 5 voorgedragen, waarmee zij opkomt tegen het oordeel van het Gerecht dat UTS ongeacht de opzegging het laatstelijk tussen partijen geldende tarief verschuldigd is gebleven (totdat de door de Minister vastgestelde nieuwe tarieven zijn ingegaan). Al deze grieven falen.

2.12.

Op grond van artikel 3 Landsbesluit kan een concessiehouder die een “geschil” heeft met een andere concessiehouder over de door deze gehanteerde tarieven de Minister verzoeken hieromtrent een beslissing te nemen. De door de Minister genomen beslissing is bindend voor de desbetreffende concessiehouder (artikel 6 lid 2 Landsbesluit). Digicel meent dat geen sprake was van een “geschil” op het moment dat UTS haar verzoek bij de Minister indiende, omdat partijen immers contractueel tarieven tot 31 december 2017 hadden vastgelegd. Het Gerecht heeft dit standpunt verworpen met verwijzing naar de onder de feiten i tot en met k genoemde correspondentie. Hierop is Digicel in appel niet concreet ingegaan. Het Hof sluit zich (daarom) aan bij het oordeel van het Gerecht dat ten tijde van de indiening van het verzoek bij de Minister sprake was van een geschil als bedoeld in artikel 3 Landsbesluit.

2.13.

Bij pleidooi in hoger beroep heeft Digicel zich op het standpunt gesteld dat UTS afstand heeft gedaan van haar recht om een “geschil” bij de Minister aanhangig te maken en dat UTS misbruik van recht heeft gemaakt door een dergelijk verzoek toch in te dienen. Het Hof verwerpt dit standpunt. Uit het feit dat UTS met Digicel overeenkomsten heeft gesloten met betrekking tot de hoogte van de tarieven heeft Digicel redelijkerwijs niet mogen afleiden dat UTS afstand heeft willen doen van haar uit het Landsbesluit voortvloeiende bevoegdheid om de Minister te benaderen. Die bevoegdheid heeft zij dus behouden. Onder omstandigheden is denkbaar dat van een dergelijke bevoegdheid misbruik wordt gemaakt, maar Digicel heeft onvoldoende feiten gesteld die tot die (verstrekkende) conclusie kunnen leiden.

2.14.

Het Hof verwerpt verder zowel de grieven van UTS die verband houden met de ingangsdatum van het nieuwe tarief als de grief van Digicel tegen het oordeel van het Gerecht dat vanaf 1 april 2017 een tarief van 12½ cent geldt. Het Gerecht heeft op deze punten het besluit van de Minister gevolgd. Het Hof zal dat ook doen, hoewel dat besluit nog geen formele rechtskracht heeft. In een zodanig geval moet immers in beginsel worden uitgegaan van de geldigheid van het besluit. Weliswaar kunnen in een dergelijk geval de eisen van een behoorlijke rechtspleging meebrengen dat de burgerlijke rechter zijn uitspraak aanhoudt totdat in het bestuursrechtelijke traject een onherroepelijke beslissing is gegeven, met name als te verwachten valt dat de bestuursrechter het besluit zal vernietigen (HR 7 april 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1700, NJ 1997/166, Smit v. de Staat), maar die verwachting – die summierlijk moet worden onderzocht (HR 19 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9557, NJ 2001/324, O. v. Provincie Fryslân) – bestaat hier niet. Het door UTS bepleite standpunt dat de Minister het nieuwe tarief met terugwerkende kracht had moeten vaststellen is door de bestuursrechter in eerste aanleg inhoudelijk beoordeeld (en afgewezen) en het Hof ziet, summierlijk oordelend, geen aanleiding om daarover in deze civiele procedure anders te oordelen. Verder geldt dat de hoogte van het door de Minister vastgestelde tarief in de bestuursrechtelijke procedure niet inhoudelijk is bestreden, zodat ook op dat punt niet de verwachting bestaat dat het besluit in het bestuursrechtelijke hoger beroep alsnog wordt vernietigd.

2.15.

Gelet op het voorgaande heeft het Gerecht UTS terecht veroordeeld zoals hierboven weergegeven in 2.3. De hiertegen gerichte grief 7 in het principaal appel faalt.

2.16.

Het Gerecht heeft de reconventionele vordering van UTS afgewezen. Tegen dit oordeel richt zich grief 8. Ook heeft UTS in hoger beroep haar vordering gewijzigd. Zij vordert nu:

Dat het uw Hof moge behagen bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht te verklaren dat Digicel over de periode 27 maart 2013 tot 1 april 2018 op basis van een nietige afspraak, althans anderszins zonder recht of titel, althans op onrechtmatige wijze, aan UTS een interconnectietarief hoger dan 7,5 cent per minuut, althans 12,5 cent per minuut, althans een zodanig bedrag dat Uw Hof in goede justitie meent te behoren, als mobile termination rate voor afwikkeling van mobiel verkeer in rekening heeft gebracht;

2. Digicel te veroordelen, al dan niet bij wijze van schadevergoeding, tot betaling aan UTS van een bedrag gelijk aan hetgeen ingevolge de onder 1. hierboven bedoelde verklaring voor recht zonder recht of titel of onrechtmatig bij UTS in rekening is gebracht en door UTS is betaald, een en ander nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, en te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, berekend vanaf de dag waarop de betreffende bedragen door UTS zijn betaald; en

3. Digicel te veroordelen in de kosten van het geding in reconventie.

2.17.

Uit de hierboven gegeven beoordeling volgt dat (ook) deze gewijzigde eis niet voor toewijzing in aanmerking komt. UTS kan in haar verhouding met Digicel immers geen aanspraak maken op een ander tarief dan overeengekomen respectievelijk door de Minister vastgesteld.

2.18.

Aan het bewijsaanbod van UTS gaat het Hof voorbij: het voldoet niet aan de daaraan in hoger beroep te stellen eisen (vgl. HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7817, NJ 2005/270, OZ Export Planten v. Roozen Holland).

2.19

Het bestreden vonnis zal worden bevestigd. UTS zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in het principale appel. Deze worden begroot op NAf 391,45 aan explootkosten en NAf 18.000 aan salaris gemachtigde. In het incidenteel appel zal Digicel als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Deze worden begroot op NAf 331,45 aan explootkosten en NAf 9.000 aan salaris gemachtigde.

3 Beslissing

Het Hof:

- bevestigt het bestreden vonnis;

- veroordeelt UTS in de proceskosten in het principaal appel, aan de zijde van Digicel begroot op NAf 18.391,45;

- veroordeelt Digicel in de proceskosten in het incidenteel appel, aan de zijde van UTS begroot op NAf 9.331,45.

Dit vonnis is gewezen door mrs. Th. Veling, Th.G. Lautenbach en J. de Boer, leden van het Hof, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 juni 2020 in Curaçao, in tegenwoordigheid van de griffier.